Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4724

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
07/1190
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet ook aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen voor zover dit ziet op de weigering de langdurigheidstoeslag toe te kennen in verband met fraude of misbruik. Naar het oordeel van de rechtbank behelst artikel 36 van de WWB geen bevoegdheid voor verweerder, maar een dwingendrechtelijke bepaling om over te gaan tot verstrekking van een langdurigheidstoeslag indien de aanvrager aan de in artikel 36 genoemde voorwaarden voldoet. Het beleid dat verweerder heeft met betrekking tot de in sub b en c genoemde voorwaarden, kunnen niet worden aangemerkt als beleidsregels op basis van een bevoegdheid, maar als uitleg van de in die voorwaarden neergelegde beoordelingsruimte voor verweerder. Het hier aangehaalde beleid heeft echter noch betrekking op de feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief, noch op de beoordeling van de vraag of de betrokkene in voldoende mate heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden sub a en d geen beoordelingsruimte voor verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: WWB 07/1190 STRN

Uitspraak in het geding tussen

[Eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. J. Berkouwer, advocaat te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 12 januari 2007 heeft verweerder geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiseres bij brief van 21 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 2 april 2007, aangevuld bij brief van 27 augustus 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 10 mei 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2008. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Hopman.

2 Overwegingen

Artikel 36, eerste lid van de WWB bepaalt dat het college op aanvraag een langdurigheids-toeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Eiseres heeft sinds 8 oktober 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, vermeerderd met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon.

Bij besluit van 12 januari 2007 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij gedurende de periode van 21 november 2005 tot en met 3 april 2006 de inlichtingenverplichting niet of niet voldoende is nagekomen, omdat uit onderzoek is gebleken dat zij in die periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en deze inkomsten niet heeft doorgegeven. Op grond hiervan had eiseres geen recht op een volledige bijstandsuitkering en heeft verweerder besloten het recht op bijstand over de periode van 21 november 2005 tot en met 3 april 2006 te herzien. Voor de duur van deze periode wordt de bijstand vastgesteld op de toegekende norm rekening houdend met de door eiseres verzwegen inkomsten. Als gevolg van de herziening heeft eiseres te veel bijstand ontvangen, welk bedrag ad € 442,14 (bruto) van haar wordt teruggevorderd. Ter betaling zal vanaf 1 februari 2007 maandelijks € 56,77 op haar uitkering worden ingehouden.

Bij het primaire besluit (eveneens van 12 januari 2007) heeft verweerder de aanvraag voor toekenning van de langdurigheidstoeslag op grond van de WWB afgewezen. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 36 van de WWB, omdat zij voorafgaand aan de aanvraag gerekend over een ononderbroken periode van 60 maanden eenmalig of over een langere periode een inkomen heeft genoten dat hoger is dan de bijstandsnorm. Verder heeft verweerder vastgesteld dat eiseres over de periode van 21 november 2005 tot en met 3 april 2006 de inlichtingenverplichting niet of niet voldoende is nagekomen, doordat zij de in voornoemde periode genoten inkomsten niet heeft gemeld. Bij misbruik of fraude bestaat er geen recht op de langdurigheidstoeslag.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe is overwogen dat bij besluit van 12 januari 2007 het recht op bijstand over de periode van

21 november 2005 tot en met 3 april 2006 is herzien, omdat eiseres inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die niet zijn opgegeven. Over deze periode is de verstrekte bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 442,14 (bruto). Tegen dit besluit is (nog) geen bezwaar ingediend. Er is vastgesteld dat eiseres in week 47, 50 en 51 van 2005 in totaal 9 dagen gewerkt heeft. Hiervan is geen melding gemaakt op de rechtmatigheidsformulieren, zodat eiseres de op haar rustende informatieverplichting niet is nagekomen. Los van eventueel telefonisch contact met de klantmanager over de werkzaamheden, mocht van eiseres verlangd worden dat zij de werkzaamheden zou opgeven op het maandelijkse rechtmatig-heidsformulier. Doordat eiseres naast haar uitkering genoemde inkomsten heeft genoten, voldoet zij niet aan de in artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB genoemde voorwaarde voor het recht op een langdurigheidstoeslag. Het feit dat de ten onrechte verstrekte bijstand in termijnen moet worden terugbetaald doet daaraan niets af.

Eiseres stelt in beroep - samengevat - dat in het bestreden besluit de wijziging van artikel 36, eerste lid, sub b, van de WWB en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

4 juli 2006 (LJN: AY0161) ten onrechte zijn genegeerd. Niet is onderzocht of er in redelijk-heid gesproken kan worden van feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief. Het besluit is derhalve in strijd met het motiveringsbeginsel en met de inhoud van artikel 36, eerste lid, sub b, van de WWB zoals dat ten tijde van het primaire besluit reeds gold. Bij eiseres is sprake van feitelijke afwezigheid van arbeidsmarktperspectief wegens artrose, waarvoor zij bijvoorbeeld ook thuiszorg heeft. Het blijkt ook uit het feit dat eiseres de werkzaamheden bij TPG Post heeft moeten staken omdat zij het tempo van de postsortering niet kon bijhouden. Tevens bestrijdt eiseres dat de langdurigheidstoeslag per definitie geweigerd moet worden wegens fraude of misbruik. Er is geen sprake van misbruik of fraude, omdat zij bij voorbaat bij SoZaWe kenbaar heeft gemaakt dat zij ging werken. Gelet op het feit dat SoZaWe dat wist of had kunnen weten, is het onbegrijpelijk dat men pas op

12 januari 2007 hierop terugkomt. Derhalve is er ook om die reden geen aanleiding om de langdurigheidstoeslag te weigeren. Subsidiair is eiseres van mening dat de wet noch de Afstemmingsverordening verweerder verplicht tot een volledige en permanente weigering van de langdurigheidstoeslag, zodat verweerder had moeten motiveren waarom deze maatregel voor eiseres passend is. Door dit niet te doen is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Meer subsidiair meent eiseres dat verweerder had moeten onderzoeken of de maatregel wel aan de eis van evenredigheid voldoet dan wel of er redenen zijn om de maatregel achterwege te laten omdat eiseres geen verwijt te maken valt. Dit laatste is hier volgens eiseres het geval.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de weigeringsgrond in het bestreden besluit, dat eiseres naast haar uitkering inkomsten heeft genoten waardoor zij niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB genoemde voorwaarde voor het recht op een langdurigheidstoeslag, niet langer wordt gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar het met ingang van 1 januari 2006 geldende gemeentelijk beleid dat bepaalt dat er over een periode van 60 maanden inkomsten tot een bedrag van € 3.820,- netto mag worden verkregen, zonder dat dit consequenties heeft voor het recht op een langdurigheidstoeslag.

Naar het oordeel van de rechtbank komt het bestreden besluit reeds hierom in aanmerking voor vernietiging, nu het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

De rechtbank ziet echter ook aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen voor zover dit ziet op de weigering de langdurigheidstoeslag toe te kennen in verband met fraude of misbruik. Hiertoe wordt overwogen dat verweerder deze afwijzingsgrond baseert op het gemeentelijk beleid zoals dat is neergelegd in het Handboek SoZaWe, Hoofdstuk C/8000.

Dit beleid houdt in dat, indien in de afgelopen 5 jaar sprake is geweest van misbruik of fraude waardoor de klant teveel uitkering heeft ontvangen, er geen recht bestaat op de langdurigheidstoeslag, alsmede dat in geval het misbruik of de fraude te maken heeft met het niet doorgeven van werkzaamheden, er om die reden al geen recht bestaat.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat dit beleid niet voortvloeit uit één van de vier toekenningsgronden als genoemd in artikel 36 van de WWB, maar dat dit meer een algemene bepaling is op grond van artikel 36 van de WWB.

Naar het oordeel van de rechtbank behelst artikel 36 van de WWB geen bevoegdheid voor verweerder, maar een dwingendrechtelijke bepaling om over te gaan tot verstrekking van een langdurigheidstoeslag indien de aanvrager aan de in artikel 36 genoemde voorwaarden voldoet. Het beleid dat verweerder heeft met betrekking tot de in sub b en c genoemde voorwaarden, kunnen niet worden aangemerkt als beleidsregels op basis van een bevoegd-heid, maar als uitleg van de in die voorwaarden neergelegde beoordelingsruimte voor verweerder. Het hier aangehaalde beleid heeft echter noch betrekking op de feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief, noch op de beoordeling van de vraag of de betrokkene in voldoende mate heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden sub a en d geen beoordelingsruimte voor verweerder.

Nu vaststaat dat de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond (fraude of misbruik) voldoende wettelijke grondslag ontbeert, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en is dus in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep van eiseres is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Ter voorlichting van eiseres wijst de rechtbank er op dat deze vernietiging niet zonder meer betekent dat verweerder haar alsnog een langdurigheidstoeslag zal toekennen. Verweerder dient opnieuw een beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres, waarbij het hiervoor overwogene betrokken moet worden. De rechtbank ziet wel aanleiding te bepalen dat verweerder binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres neemt.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten ma¬ken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,- aan kosten van door een derde be¬roeps¬matig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe be¬slis¬sing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan eiseres het betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechts¬persoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, en door deze en J. van Mazijk, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2008.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: