Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4395

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
VBC 08/376-ZWI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Deskundigheids- en betrouwbaarheidstoetsing van een financiële dienstverlener die valt onder het overgangsregime van de Wet financiële dienstverlening/Wet op het financieel toezicht. Niet volstrekt duidelijk is of aan de eisen van vakbekwaamheid wordt voldaan. De antecedenten bestaan uit een transactie met het OM, effectenbemiddeling zonder inschrijving en het onjuist invullen van het betrouwbaarheidsformulier. De beleidsbepaler heeft uit eigen beweging nadere informatie verstrekt aan de AFM. Toewijzing verzoek om schorsing. Geen proceskostenveroordeling wegens het in een laat stadium inbrengen van diploma’s.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 1:107
Wet op het financieel toezicht 2:75
Wet op het financieel toezicht 2:78
Wet op het financieel toezicht 2:80
Wet op het financieel toezicht 2:83
Wet op het financieel toezicht 4:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2008, 41
JE 2008, 168
JOR 2008/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VBC 08/376-ZWI

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

[VDK BV], te [vestigingsplaats], verzoekster,

gemachtigde mr. drs. K.S. Loilargosain, advocaat te Zeist,

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM),

gemachtigde mr. G.J.P. Jong, advocaat in dienstbetrekking van de AFM.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 20 december 2007 heeft de AFM de aanvraag van verzoekster om een vergunning uit hoofde van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening (hierna: de Wfd) afgewezen, onder toepassing van de artikelen 2:78, eerste lid, en 2:83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) afgewezen.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoekster bij brief van 7 januari 2008, aangevuld bij brief van 17 januari 2008 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoekster bij ongedateerde brief (ontvangen op 24 januari 2008) de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit waaronder ongedaanmaking van de doorhaling in het register als bedoeld in artikel 1:107 van de Wft..

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts zijn namens verzoekster verschenen [Y] en [Z]. De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

2 Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Gelet op de artikelen 2:75, eerste lid, 2:78, eerste lid, onderdeel b, 2:80, eerste lid, 2:83, eerste lid, onderdeel b, 4:09 en 4:10 van de Wft is het verboden in Nederland te adviseren of te bemiddelen zonder van de AFM een vergunning te hebben verkregen en verleent de AFM een vergunning indien de aanvrager ondermeer aantoont dat haar werknemers over voldoende vakbekwaamheid beschikken en dat de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van de financiële dienstverlener bepalen of medebepalen buiten twijfel staat .

In hoofdstuk 2 van het mede op artikel 4:09, derde lid, van de Wft gebaseerde Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: BGfo) is neergelegd aan welke diploma-eisen werknemers en feitelijke leidinggevenden moeten voldoen.

In artikel 2 van de Regeling vaststelling inhaalprogramma’s beleggen (Scrt. 2007, 83; hierna; de Regeling) is bepaald dat diplomahouders voldoen aan de eindtermen, opgenomen in de onderdelen 2.5 tot en met 2.7 onderscheidenlijk 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B van het BGfo door het afleggen van een van de inhaalprogramma’s, opgenomen in de bijlage bij deze regeling en aangeboden door de daarbij vermelde aanbieder. In die bijlage staan onder meer de volgende inhaalprogramma’s vermeld:

- Diploma Erkend Hypotheek Adviseur v.a. 01-04-2006;

- SEH PE 2005 / 2006 + SEH 2006 / 2007

- SEH PE 2006 / 2007 + Diploma Erkend Hypotheek Adviseur 2005.

Hoofdstuk 3 van het mede op artikel 4:10, derde lid, van de Wft gebaseerde BGfo bevat bepalingen aan de hand waarvan de AFM ondermeer vaststelt of de betrouwbaarheid van een (mede)beleidsbepaler van een financiële dienstverlener buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

Ingevolge artikel 16 van de BGfo neemt de AFM bij de vaststelling of de betrouwbaarheid van een (mede) beleidsbepaler van een financiële dienstverlener buiten twijfel staat in aanmerking:

a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;

b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en

c. de overige belangen van de financiële dienstverlener en de betrokkene.

2.2 Feiten en omstandigheden en standpunten van partijen

In januari 2006 heeft verzoekster een vergunningaanvraag ingediend uit hoofde van de Wfd, zodat op verzoekster het overgangsregime van artikel 102 van de Wfd en vervolgens het overgangsregime als neergelegd in artikel 31 van de Invoerings- en aanpassingswet Wft van toepassing is.

[Y] (hierna: [Y]) heeft als beleidsbepaler van verzoekster een op 9 januari 2006 gedateerd en door hem ondertekend formulier Betrouwbaarheidsonderzoek bij de AFM ingediend. Bij de vraag of betrokkene ooit als verdachte betrokken is geweest bij een strafbaar feit is het hokje nee aangekruist. Ook bij de vraag of een instelling waar de betrokkene ooit (mede)beleidsbepaler was verdacht (geweest) van een strafbaar feit is het hokje nee aangekruist. Bij de vraag of betrokkene een conflict heeft (gehad) met een (financiële) toezichthouder is eveneens het hokje nee aangekruist.

[Y] heeft bij brief van 13 april 2006 aangegeven dat hij er bij het invullen van het formulier Betrouwbaarheidsonderzoek van uit ging dat een ‘zaak’ na vijf jaar verjaard zou zijn en dat hij bij het inwinnen van advies bij deskundigen kreeg te horen dat de termijn van verjaring niet vijf, maar acht jaar is. Dit was voor hem reden thans mee te delen dat:

- hij in oktober 1998 bezoek heeft gehad van medewerkers van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (hierna: STE), de naamvoorganger van de AFM;

- de STE aangifte heeft gedaan van overtreding van artikel 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) door [Y] Beleggingsadviesburo B.V. (hierna: VKB) te Voorthuizen;

- de Economische Controle Dienst vervolgens een onderzoek heeft ingesteld;

- dat de resultaten van dat onderzoek in de vorm van een proces-verbaal naar het arrondissementsparket Amsterdam zijn gezonden;

- hem een transactieaanbod is gedaan van fl. 5.000,-;

- de officier van justitie hem meedeelde dat hij op grond van de aard van de overtreding, de lange duur van de overtreding en de omstandigheden dat [Y] niet eerder met Justitie in aanraking is gekomen, de zaak zonder tussenkomst van de rechter afdoet door voornoemd betalingsaanbod;

- het transactiebedrag is voldaan.

Bij brief van 12 juli 2006 heeft het Functioneel Parket de AFM bericht dat [Y] op 6 april 2001 terzake overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 een transactie van fl. 5.000,- kreeg aangeboden.

Tussen de stukken bevindt zich ondermeer een brief van de STE van 29 december 1998 gericht aan VKB in die brief komt de STE tot de bevindingen dat VKB, waarvan [Y] beleidsbepaler was:

- gedurende 26 februari 1996 tot 7 oktober 1998 een samenwerkingsovereenkomst was aangegaan met Direct Invest B.V. (hierna: Direct Invest) te Gouda op grond waarvan zij als cliëntenremisier optrad voor Direct Invest, terwijl zij zich pas op 28 september 1998 bij de STE als cliëntenremisier heeft aangemeld;

- eind 1998 als cliëntenremisier een samenwerkingsovereenkomst met Indubel Vermogensbeheer B.V. (hierna: Indubel) is aangegaan zonder dit tevoren te melden aan de STE;

- zich blijkbaar tot eind september 1998 profileerde als vermogensbeheerder;

- diverse klachten heeft gehad van cliënten en hij in 1998 voor € 250.0000,- aan schadevergoedingen heeft uitgekeerd;

- een slechte performance had nu veel van haar cliënten nog maar 20% van hun oorspronkelijk in beheer gegeven vermogen over hadden en gemiddeld 2/3 van het beginvermogen is opgegaan aan provisie.

De STE concludeert in deze brief dat VKB gedurende langere periode willens en wetens wet- en regelgeving heeft overtreden en dat door haar toedoen diverse mensen aanzienlijke geldbedragen hebben verloren.

Tussen de stukken bevindt zich een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2004 (rolnummer H 99.0539) strekkende tot afwijzing van een vordering van één van de beleggers tegen [Y] en Direct Invest. In dat vonnis is onder meer overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat [Y] als vermogensbeheerder optrad en dat voorts niet bewezen is dat [Y] risicovolle transacties heeft verricht zonder daartoe opdracht te hebben gekregen.

Bij brief van 30 oktober 2007 heeft de AFM verzoekster bericht voornemens te zijn de vergunningaanvraag af te wijzen. In dit verband is overwogen dat de betrouwbaarheid van [Y] niet buiten twijfel staat nu hij het Betrouwbaarheidsformulier niet naar waarheid had ingevuld, hem een transactie is aangeboden wegens overtreding van artikel 7 van de Wte 1995 en de AFM zelf ook heeft geconstateerd dat [Y] in de periode 1996-1998 als cliëntenremisier en vermogensbeheerder actief was en dat dit heeft geleid tot diverse klachten van benadeelde cliënten. Een afweging van de belangen die de Wft beoogt te beschermen tegenover de belangen van verzoekster haar advies- en bemiddelingsactiviteiten voort te zetten moet in het nadeel van verzoekster vallen.

Voorts is in die brief aangegeven dat nu de AFM eerst na 30 september 2007 zal beslissen op de vergunningaanvraag, zij onverkort zal dienen te toetsen of verzoekster voldoet aan artikel 4:9 van de Wft. Om die reden heeft de AFM verzoekster eerder verzocht een kopie in te sturen van het behaalde diploma voor de activiteit consumptief krediet. De AFM heeft echter tot op heden nog geen kopie van een diploma of een meldingsformulier ontbrekende vakbekwaamheid ontvangen, zodat zij niet in staat is te beoordelen of verzoekster voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid.

Tijdens het zienswijzengesprek bij de AFM heeft [Y] - samengevat - het volgende aangevoerd:

- de transactie met het Openbaar Ministerie (hierna: OM) ziet [Y] als het krijgen van een bekeuring wegens door een rood stoplicht rijden;

- het ging om cliënten die handelden in opties en futures, die bekend staan als risicovol;

- [Y] reeds in een lease-auto van Direct Invest, de accountant vond ook dat eerder sprake was van werkzaamheden in loondienst dan van ondernemingsschap, ook Theodoor Gilissen Bankiers N.V. meende dat sprake was van een soort sub-agentschap;

- na het bezoek van de STE is [Y] gestaakt met de werkzaamheden, maar dienden de cliënten elders te worden ondergebracht, dat werd Indubel;

- [Y] heeft geheel vrijwillig een aantal cliënten schadeloos gesteld voor een totaalbedrag van fl. 250.000,-

- uit de Barneveldse Courant van 23 mei 1998 zou blijken dat [Y] zich als vermogensbeheerder zou hebben geprofileerd, maar die berichtgeving is onjuist;

- na het onderzoek van de STE is [Y] een aantal jaren niet actief geweest;

- eind maart 2006 heeft [Y] de firma Trisco Partners in de arm genomen om te kijken of verzoekster ‘Wfd-proof’ was. Toen kwam naar voren dat de verklaring op het betrouwbaarheidsformulier moest worden aangevuld;

- een diploma inzake consumptief krediet is reeds per fax toegezonden;

- een afwijzing van de vergunningaanvraag zou rampzalig zijn, ook voor de cliënten. [Y], thans 61 jaar, hoopt nog enkele jaren werkzaam te zijn, waarna zijn zoon de zaak zal overnemen. Zoon en dochter zijn thans ook werkzaam bij verzoekster.

Hetgeen van de zijde van verzoekster is aangevoerd heeft de AFM niet van haar voornemen afgebracht. De AFM acht de antecedenten van [Y] zodanig ernstig dat zijn betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat. Daarbij heeft de AFM zwaar laten wegen dat [Y] de vergelijking heeft gemaakt met door rood rijden. Voorts is nog immer geen kopie van de feitelijk leidinggevende [Z] met betrekking tot adviseren en bemiddelen in levensverzekeringen dan wel een kopie waaruit blijkt dat [Y] naast zijn diploma Assurantie B beschikt over een certificaat beleggen A. Zowel [Z] als [Y] voldoen aldus niet aan de eisen van vakbekwaamheid.

Van de zijde van verzoekster is aangevoerd dat zij een spoedeisend belang heeft omdat het niet schorsen van het bestreden besluit de continuïteit van de onderneming van verzoekster in gevaar brengt. Een aantal banken verzekeraars heeft al te kennen gegeven de samenwerking met verzoekster op te zullen zeggen en de kans is groot dat ook de overige ondernemingen de ‘rechtstreekse aanstelling’ van verzoekster zullen beëindigen, zodat liquidatie van verzoeksters onderneming onontkoombaar zal zijn.

In het bezwaarschrift is in aanvulling op het vorenstaande ten aanzien van de betrouwbaarheid nog het volgende aangevoerd:

- de AFM heeft nagelaten aan te geven welke feiten strafbare feiten opleveren in het kader van de betrouwbaarheidstoets;

- de AFM houdt in haar afweging geen of onvoldoende rekening met het feit dat [Y] uit eigen beweging in een aanvullende brief de transactie en de eerdere contacten met de STE heeft gemeld;

- dat [Y] eerst na derdenadvies tot die melding kwam heeft te maken met de onduidelijkheid van het betrouwbaarheidsformulier;

- de vergelijking die [Y] maakte ter zake rijden door rood is een ongelukkige. Daaruit kan niet worden afgeleid dat hij de betreffende overtreding bagatelliseert;

- [Y] meende dat hij destijds mocht afgaan op de toezegging van de voorzitter van de Vereniging van Remisiers dat geen vergunning was vereist;

- diverse gerenommeerde banken en verzekeraars hebben verzoekster ‘rechtstreeks aangesteld’. Blijkbaar hebben zij wel vertrouwen in verzoekster.

Met betrekking tot de deskundigheid is aangevoerd dat [Z] als feitelijk leidinggevende voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid terzake consumptief krediet; hypothecair krediet en levensverzekeringen (bij hypothecair krediet). Voorts beschikt hij over een SEH-diploma dat hij op 27 januari 2006 heeft behaald. De vakbekwaamheid voor beleggen A is daarmee binnen de onderneming van verzoekster gewaarborgd. Voorts heeft hij op 18 januari 2008 een examen behaald inzake levensverzekeringen. [Y] zelf voldoet volgens het bezwaarschrift aan de eisen van vakbewaamheid terzake schadeverzekeringen.

2.3 Beoordeling

De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat het onthouden van de beoogde vergunning aan verzoekster zal leiden tot bedrijfsbeëindiging, zodat spoedeisendheid wordt aangenomen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding tot een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te komen.

De afwijzing van de vergunningaanvraag voor advisering en bemiddeling stoelt op twee zelfstandige afwijzingsgronden, te weten een zogenoemd negatief betrouwbaarheidsoordeel en op het niet kunnen vaststellen of (per 1 oktober 2007) wordt voldaan aan de eisen van vakbekwaamheid.

Met betrekking tot dit laatste overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ter zitting zijn door verzoekster een aantal diploma’s overgelegd, waaronder een Diploma Erkend Hypotheek Adviseur dat [Z] op 27 januari 2006 heeft behaald. In de bijlage van de Regeling wordt echter vereist dat het gaat om aan diploma vanaf 1 april 2006. Hij voldoet daarmee niet naar de eisen van de Regeling.

Wel heeft [Z] blijkens de ter zitting overgelegde stukken onder meer op 6 november 2007 de Workshop PE-punten Erkend Hypotheekadviseur gevolgd bij REAAL College. De vraag doet zich aldus voor of voornoemde diploma van de SEH in combinatie met de workshop van REAAL College gelijkgesteld kan worden aan de in de bijlage van de regeling vermelde alternatieve eis: SEH PE 2006 / 2007 + Diploma Erkend Hypotheek Adviseur 2005. Voorts is onduidelijk welke waarde toekomt aan het overgelegde Certificaat Wft Inhaalprogramma Consumptief Krediet wegens deelname door [Z] op 10 september 2007 en aan het Examenverslag waaruit blijkt dat [Z] op 18 januari 2008 is geslaagd voor het examen Levensverzekeringen - Algemeen.

Ter zitting is geen eenduidig antwoord gegeven op de vraag of de overgelegde stukken tezamen naar het oordeel van de AFM voldoen. Daar van de zijde van verzoekster voor de zitting stukken naar de AFM zijn gezonden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding eventuele onduidelijkheid omtrent de vraag of aan de diploma-eisen is voldaan op voorhand aan verzoekster tegen te werpen. De voorzieningenrechter is verder niet op voorhand gebleken dat niet wordt voldaan aan de eisen van vakbekwaamheid, mede in het licht van de bevoegdheid die de AFM heeft om zonodig op grond van artikel 4:9, vierde lid, van de Wft ontheffing te verlenen.

De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om in te gaan op de vraag of het betrouwbaarheidsoordeel van de AFM naar verwachting in stand zal kunnen blijven.

In het voorliggende geval staat voldoende vast dat VKB in de periode gedurende 26 februari 1996 tot 28 september 1998 actief was als cliëntenremisier zonder als zodanig te zijn geregistreerd. Voorts staat vast dat een aantal participanten via tussenkomst door VKB aanzienlijke bedragen hebben verloren. Dit antecedent is [Y] als beleidsbepaler van destijds VKB toe te rekenen. Anders dan de AFM blijkbaar meent kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de stukken niet worden afgeleid dat VKB zich als vermogensbeheerder heeft geprofileerd. Niet in geschil is dat VKB (uit eigen beweging) een aantal participanten schadeloos heeft gesteld en dat hij zich uit eigen beweging bij de AFM als remisier heeft aangemeld op 28 september 1998.

Hoewel het actief zijn als cliëntenremisier zonder daartoe te zijn ingeschreven in het register van destijds de STE een ernstig financieel antecedent vormt is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit [Y] als beleidsbepaler bij destijds VKB niet tot in lengte van dagen onverkort kan worden tegengeworpen. In dit verband neemt de voorzieningenrechter in ogenschouw dat die gedragingen zich meer dan negen jaar geleden hebben voorgedaan. Hoewel bij de betrouwbaarheidstoetsing niet voorbij kan worden gegaan aan dit antecedent zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet enkel op dit oude antecedent een negatief betrouwbaarheidsoordeel kunnen worden gebaseerd.

De AFM heeft zich daar ook niet toe beperkt. De AFM heeft namelijk het op het formulier Betrouwbaarheidsonderzoek niet melden van de eerdere contacten met de STE en de transactie met het OM als zeer ernstig opgevat. Weliswaar heeft [Y] nadien alsnog melding gemaakt van deze antecedenten, maar dit heeft de AFM niet tot een ander oordeel gebracht.

Met de AFM is de voorzieningenrechter van oordeel dat het onjuist invullen van het formulier Betrouwbaarheidsonderzoek op zichzelf in het algemeen kwalificeert als een ernstig toezichtsantecedent. Dit neemt niet weg dat indien sprake is van dwaling het toezichtsantecedent als minder ernstig moet worden gekwalificeerd, zo kan ook worden afgeleid uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2007 (LJN: BB4633; JOR 2007/303). In dit verband wijst de voorzieningenrechter voorts op de periodiek Inzicht van de AFM van 2008, nr. 16, p. 9, waarin is vermeld:

”Opvallend was het aantal betrouwbaarheidsformulieren (als onderdeel van de vergunningaanvraag) dat niet correct was ingevuld. Dit kwam met name doordat men de vragen niet goed las, althans verkeerd interpreteerde. Bewuste misleiding is slechts in een zeer beperkt aantal gevallen boven tafel gekomen. Ook dacht men dat antecedenten ouder dan 5 of 8 jaar niet gemeld hoefden te worden . Helaas is weinig gebruik gemaakt van aangegeven mogelijkheid om vooraf contact met de AFM op te nemen (…)”.

De voorzieningenrechter ziet voorts onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [Y] dat hij aanvankelijk meende dat de zaak ‘verjaard’ was, zodat mag worden aangenomen dat er geen sprake is van opzettelijke misleiding. Anders dan de AFM meent, moet naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit verband voorts wel grote waarde worden toegekend aan het feit dat [Y] uit eigener beweging en zo spoedig mogelijk, althans ruim voordat de AFM over de aanvraag heeft beslist, alsnog de eerdere contacten met de STE en het OM heeft gemeld. Dat [Y] tot dit nieuwe inzicht kwam na overleg met zijn adviseur maakt dit niet anders. Dat [Y] zonder tussenkomst van de toezichthouder tot een aanvulling van de eerder door hem verstrekte inlichtingen is gekomen maakt dat aan het toezichtsantecedent geen dan wel nagenoeg geen waarde dient te worden gehecht.

De AFM heeft ook zwaar gewicht toegekend aan de opmerking van [Y] dat hij de transactie met het OM vergelijkt als met door rood licht rijden. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat die opmerking, hoewel die zeker onverstandig is, niet zonder meer tot de gevolgtrekking kan lijden dat [Y] zijn gedragingen heeft willen bagatelliseren. Die opmerking lijkt namelijk vooral te zien op het transactieaanbod van het OM als zodanig en niet op de overtreding van artikel 7 van de Wte 1995.

De onomkeerbaarheid van de gevolgen van de afwijzing van de vergunning en de daarmee gepaard gaande doorhaling, die eruit bestaan dat verzoekster haar activiteiten zal moeten beëindigen, afgezet tegen het feit dat verzoekster zelf vanaf 1998 advies- en bemiddelingswerkzaamheden verricht, dat zij na invoering van de Wfd nog lange tijd haar werkzaamheden heeft mogen voortzetten ook na invulling van het formulier betrouwbaarheidsonderzoek, dat de illegale remisieractiviteiten ruime tijd geleden hebben plaatsgehad, dat [Y] alsnog uit beweging openheid van zaken heeft gegeven en dat gelet op het grote belang van verzoekster tot continuering van het bedrijf de kans op recidive gering zal zijn, geven de voorzieningenrechter voldoende grond het bestreden besluit te schorsen en de AFM op te dragen de doorhaling in het register als bedoeld in artikel 1:107 van de Wft teniet te doen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding nu verzoekster eerst in deze procedure documentatie heeft verschaft inzake de benodigde vakbekwaamheid. Om diezelfde reden zal de voorzieningenrechter ervan afzien te bepalen dat de AFM het griffierecht aan verzoekster voldoet.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst,

draagt de AFM op de doorhaling in het register als bedoeld in artikel 1:107 van de Wft teniet te doen tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.

Aldus gedaan door mr. P. van Zwieten, voorzieningenrechter, en door deze en mr. drs. R. Stijnen, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008.

Afschrift verzonden op: