Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4268

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
222508 / HA ZA 04-2297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen gerechtvaardigd vertrouwen, zodat geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen. Derhalve geslaagd in het tegenbewijs van de op voorhand bewezen geachte stelling dat aan de betalingsverplichting uit het schriftelijke contract diende te worden voldaan. Vordering afgewezen.

vervolg op LJN: BC4213

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 222508 / HA ZA 04-2297

Uitspraak: 30 januari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADT SECURITY SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. H.E. Schweers,

- tegen -

[gedaagde], h.o.d.n. “Shoarmaland & Snacks”,

wonende te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. J. Kneppelhout.

Partijen blijven verder aangeduid als "ADT" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 maart 2007 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- akte na tussenvonnis aan de zijde van ADT d.d. 13 juni 2007;

- akte aan de zijde van [gedaagde] d.d. 11 juli 2007.

2. De verdere beoordeling

2.1 In het tussenvonnis heeft de rechtbank in overweging 2.6 beslist dat er in beginsel geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen en [gedaagde] dan ook niet gehouden is aan de verplichtingen van het contract te voldoen. Dat kan anders zijn, aldus de rechtbank in het tussenvonnis, als er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van ADT zoals bedoeld in artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.

2.2 De rechtbank stelt bij de beoordeling van het resterende geschilpunt het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag wanneer sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in artikel 3:35 BW, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Ingevolge artikel 3:11 BW in samenhang met artikel 3:35 BW wordt bescherming onthouden aan degene die wist dat de verklaring niet overeenstemde met de wil van de persoon die haar aflegde, en ook aan degene die dit, gelet op alle omstandigheden van het geval, had behoren te weten of daarover twijfelde of behoorde te twijfelen. Er kan daarom een onderzoeksplicht bestaan voor degene die zich op het intreden van het rechtsgevolg wil beroepen. Aan de hand van dit kader zal de rechtbank in het navolgende beoordelen of ADT er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde] instemde met de bepalingen van de overeenkomst zoals deze schriftelijk zijn vastgelegd.

2.3 ADT heeft bij akte gesteld dat er bij haar gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt door de verklaringen van [gedaagde] zelf tijdens het verkoopgesprek op 10 september 2002 met [getuige 4], de verkoper van ADT. Daarbij heeft ADT allereerst verwezen naar de tekst van de overeenkomst, waarin volgens haar op drie plaatsen een bedrag van € 89,- per maand wordt genoemd als abonnementsprijs voor het onderhoud van de videobeveiligingsinstallatie gedurende een periode van 48 maanden. Verder heeft ADT verwezen naar de getuigenverklaring van [verk[getuige 4]. Volgens ADT kan uit deze verklaring worden afgeleid dat de contractsvoorwaarden door getuige [verk[getuige 4] met [gedaagde] zijn besproken en dat het [verk[getuige 4] was gebleken dat [gedaagde], ondanks diens matige kennis van de Nederlandse taal, alles had begrepen en wist welke verplichtingen hij met ADT zou aangaan. Volgens ADT heeft zij aldus tevens aan de op haar rustende onderzoeksverplichting voldaan. Tenslotte heeft ADT betoogd dat het standpunt van [gedaagde] (dat ADT hem voor het eenmalige bedrag van € 80,-, administratiekosten en het noemen van vijf namen gedurende een periode van 48 maanden een beveiligingssysteem in bruikleen zou verstrekken, met installatie en onderhoud daarvan) niet reëel is.

2.4 Ter betwisting van het standpunt van ADT heeft [gedaagde] zich gebaseerd op dezelfde getuigenverklaring van [verk[getuige 4]. Volgens [gedaagde] volgt uit die verklaring dat [verk[getuige 4] wist dat [gedaagde] het Nederlands niet machtig was en desondanks heeft nagelaten om te controleren of [gedaagde] de inhoud van de overeenkomst had begrepen. Volgens [gedaagde] had [verk[getuige 4] nader moeten onderzoeken of de inhoud daarvan daadwerkelijk begrepen werd. Nu [verk[getuige 4] dat niet heeft gedaan kan er geen sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van ADT, aldus [gedaagde].

2.5 Uitgangspunt is, zoals de rechtbank al in haar tussenvonnis van 28 maart 2007 heeft overwogen, dat [gedaagde] de Nederlandse taal niet goed machtig is. Uit de verklaring van [verk[getuige 4] volgt dat hij zich daarvan bewust was, [verk[getuige 4] heeft immers verklaard: “[gedaagde] sprak gebrekkig Nederlands, althans niet erg goed.” Onder deze omstandigheden kan ADT niet volstaan met een beroep op de tekst van de overeenkomst ter onderbouwing van haar stelling dat zij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat [gedaagde] zich daaraan dus wilde verbinden. Het gaat erom, of ADT (in de persoon van [verk[getuige 4]), wetende dat [gedaagde] het Nederlands maar beperkt machtig was, voldoende heeft gedaan om zich ervan te vergewissen dat [gedaagde] de kern van de overeenkomst begreep. Tot die kern behoort ten minste de totale omvang van de financiële verplichtingen die uit de overeenkomst voort zouden vloeien, te weten de betaling van 48 maandelijkse termijnen van € 89,- met bijkomende kosten, in totaal een bedrag van ruim € 4.000,-. Uit de verklaring van [verk[getuige 4] kan niet worden afgeleid dat hij dit aspect aan [gedaagde] heeft voorgehouden. [verk[getuige 4] heeft weliswaar verklaard dat hij de prijs van € 80,- per maand heeft genoemd, maar hij heeft niet verklaard dat hij daarbij duidelijk heeft gemaakt om welk totaalbedrag het zou gaan. Ook heeft [verk[getuige 4] verklaard dat hij de looptijd van de overeenkomst heeft besproken, maar ook in dat kader blijkt niet dat [verk[getuige 4] uitdrukkelijk heeft gemaakt welke financiële consequenties daar in totaal aan verbonden waren. [verk[getuige 4] heeft weliswaar verklaard dat [gedaagde] verschillende keren “ja” heeft gezegd, maar daaraan mocht hij, gelet op de gebrekkige beheersing van het Nederlands door [gedaagde], niet zonder meer de conclusie verbinden dat deze de financiële consequenties van de overeenkomst had begrepen, nog daargelaten dat niet is aangegeven waarmee [gedaagde] dan zou hebben ingestemd. Dat [verk[getuige 4] niet heeft gecontroleerd of [gedaagde] die strekking had begrepen, blijkt uit het gedeelte van [verk[getuige 4]s’ verklaring waarin hij zegt: “Ik heb hem niet gevraagd om mij te herhalen om te checken of hij mij wel goed begreep.” Aldus heeft ADT onvoldoende gedaan om zich ervan te vergewissen dat [gedaagde] de kern van de overeenkomst begreep en hetgeen hij ondertekende ook in overeenstemming met zijn wil was.

2.6 ADT heeft nog gesteld dat de installatie en bruikleen van een camera voor (eenmalig) € 80,- en administratiekosten irreëel zou zijn. Voor zover ADT hiermee heeft willen betogen dat [gedaagde] wist dat dit niet de inhoud van de overeenkomst was, gaat de rechtbank hieraan voorbij nu in het tussenvonnis onder 2.4 reeds is geoordeeld dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst de voorwaarden daarvan niet goed heeft begrepen en dat hij ter zake heeft gedwaald. Verder geldt dat als [gedaagde] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de installatie en de bruikleen voor € 80,- en administratiekosten irreëel zou zijn (hetgeen niet is gesteld), daaruit nog niet de conclusie getrokken kan worden dat [gedaagde] had moeten begrijpen dat met de overeenkomst een bedrag van ruim € 4.000,- gemoeid zou zijn.

2.7 Op grond van het voorgaande kan ADT zich niet met vrucht beroepen op artikel 3:35 BW. Aldus is [gedaagde] geslaagd in het tegenbewijs van de op voorhand bewezen geachte stelling dat [gedaagde] gehouden is de uit het schriftelijke contract voortvloeiende betalingsverplichtingen te voldoen. Daaruit volgt, aansluitend op overweging 2.6 in het tussenvonnis van 28 maart 2007, dat tussen ADT en [gedaagde] geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen en [gedaagde] niet gehouden is aan de verplichtingen van het contract te voldoen. De vordering van ADT moet daarom in het geheel worden afgewezen.

2.8 ADT zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van ADT;

veroordeelt ADT in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 288,- aan vast recht, op € 475,= aan overige verschotten en op € 1.728,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk.

Uitgesproken in het openbaar.

544