Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4137

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
07/440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wegens ontbreken verblijfstitel is de bijstand terecht ingetrokken. De intrekking met terugwerkende kracht is echter in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: WWB 07/440-BRG

Uitspraak in het geding tussen

[Belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 7 juli 2006 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de uitkering die hij ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) met ingang van 31 mei 2006 wordt ingetrokken.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 14 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 januari 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 5 februari 2007 beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn aangevuld bij brief van 8 maart 2007.

Verweerder heeft bij brief van 24 mei 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2007. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P. van der Pols.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is het onderzoek ter zitting geschorst. Eiser is in de gelegenheid gesteld nadere stukken in het geding te brengen.

Bij brief van 19 november 2007 heeft eiser nadere stukken overgelegd en daarop een toelichting gegeven.

Verweerder heeft hierop bij brief van 4 december 2007 gereageerd.

Beide partijen hebben ermee ingestemd dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 Overwegingen

Ter beoordeling staat het bestreden besluit. Daarin heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het primaire besluit terecht is besloten om eisers Wwb-uitkering per 31 mei 2006 in te trekken. Verweerder stelt zich op het standpunt – kort weergegeven en voor zover thans van belang – dat eiser per 31 mei 2006 niet (meer) over een verblijfsvergunning be¬schikt, dat er geen sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van de Vreemde¬lingenwet 2000 (hierna: Vw) en dat eiser, hoewel er door het gewijzigd beleid een bijzon¬dere situatie met betrekking tot het toegestane voortgezette verblijf in Nederland bestaat, daarom per (in elk geval) 31 mei 2006 niet (meer) tot de kring van Wwb-recht¬hebben¬den behoort als bedoeld in artikel 11 van de Wwb. Uitbreiding van deze kring van rechthebben¬den op grond van artikel 16 van de Wwb is uitgesloten in het tweede lid van dat artikel.

Eiser heeft – eveneens kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij valt onder de groep uitgeprocedeerde asielzoekers en dat hij in de huidige opvang in Spijkenisse mag blijven in afwachting van de instroom in het ‘Project Terugkeer 26.000’, waarbij past dat hem de gevraagde Wwb-uitkering wordt toegekend. Eiser valt in het project schrijnende gevallen en gezien het nieuwe beleid valt niet uit te sluiten dat hij in Nederland mag blijven; in afwachting van die beslissing is het niet gepast dat de uitkering wordt stopgezet. Eiser is in die zin geen uitgeprocedeerde asielzoeker, dat hij nog in afwachting is van een beslissing op een eerste aanvraag uit 1998. Nu de overheid geen enkele stap zet om eiser te verwijde¬ren, eiser nog altijd geen bericht heeft ontvangen dat hij Nederland moet verlaten en eisers registratiekaart nog steeds maandelijks wordt afgestempeld, getuigt het van onrechtmatige hardheid eisers Wwb-uitkering te beëindigen; er moet toepassing worden gegeven aan artikel 11 of 16 van de Wwb.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Artikel 11 van de Wwb luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

‘1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandig¬heden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodza¬kelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woon¬achtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder¬de¬len a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (…).

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemde¬lingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Neder¬lander worden gelijkgesteld:

(…)

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de VW 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.’

De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ, WVG en WWIK (hierna: het Besluit). Artikel 1, eerste lid, daarvan luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

‘Voor de toepassing van de Wet werk en bijstand (…) wordt met een Nederlander gelijk¬gesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6.11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.’

Artikel 8 van de Vw luidt voor zover hier van belang:

‘De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

(…)

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergun¬ning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergun¬ning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.’

Artikel 16, van de Wwb luidt als volgt.

‘1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstan¬dig¬heden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.’

Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken is aan eiser op 22 juni 1994 een voor¬waar¬delijke vergunning tot verblijf verleend, die geldig was tot 22 juni 1995. Op 17 juni 1998 is een verblijfsvergunning verleend voor bepaalde tijd tot 10 januari 1999. De aanvraag tot verlenging van deze laatste verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aange¬merkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, welke aanvraag bij beslissing van 2 januari 2002 is afgewezen. Het beroep tegen deze beslissing is op 8 februari 2005 door de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 maart 2005 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uit deze gang van zaken maakt de rechtbank op dat de procedure met betrekking tot de verlenging van de in 1998 verleende verblijfsvergunning – en derhalve rechtmatig verblijf in verband daarmee – is geëindigd op 18 maart 2005.

Uit de rapportage van verweerders klantmanager M. Broekhuisen van 4 mei 2005 blijkt dat

eiser sinds 18 maart 2005 geregistreerd is met ‘code 98’, inhoudende ‘geen verblijfstitel’. De klantmanager heeft naar aanleiding hiervan contact opgenomen met een medewerker van de IND, die mededeelde dat eiser volledig is uitgeprocedeerd, maar dat hij mag blijven in de huidige opvang in afwachting van de instroom in het ‘Project Terugkeer 26.000’. Het recht op uitkering blijft volgens de klantmanager daarom voorlopig bestaan. Deze heeft eiser toen in een gesprek medegedeeld dat hij de procedure in de gaten moest houden, omdat zijn recht op uitkering daarmee in verband staat. Ook is eiser toen medegedeeld dat wanneer er een melding van de IND zou komen dat eiser niet in Nederland zou mogen blijven, ook zijn recht op uitkering zou vervallen. Blijkens een rappor¬tage van 29 juni 2006 van dezelfde klantmanager heeft eiser met ingang van 31 mei 2006 geen recht (meer) op bijstand, aangezien hij per die datum geregistreerd is met ‘code 32’, hetgeen betekent dat eiser weer in de asielprocedure zit en, aldus de klantmanager, dus geen recht op bijstand heeft. Eiser is hierover door zijn klantmanager ingelicht in een gesprek op 7 juli 2006.

Vluchtelingenwerk Rijnmond heeft bij brief van 23 maart 2005 aan de Minister voor Vreem¬de¬lingenzaken en Integratie (hierna: de Minister) verzocht gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid en aan eiser, rekening houdende met de lange looptijd van de verlengingsprocedure en met zijn ziekte, een verblijfsvergunning toe te kennen. Bij beschik¬king van 13 december 2006 heeft de Minister besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw en het beroep op schrijnende omstandigheden afgewezen. Tegen deze beslissing heeft eiser op 8 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Zoals reeds overwogen is de procedure met betrekking tot het verzoek tot verlenging van de in 1998 verleende verblijfsvergunning geëindigd. De asielaanvraag die kennelijk op of omstreeks 31 mei 2006 is gedaan en in verband waarmee aan eiser een ‘code 32’ is toege¬kend betreft een aanvraag als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw. De beschikking van de Minister van 13 december 2006 betreft een ambtshalve beoordeling met betrekking tot een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw, zodat eisers verblijf in verband met deze aanvraag rechtmatig wordt geacht op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw.

Ofschoon derhalve aangenomen moet worden dat eiser in de periode in geding – aanvan¬gende op 31 mei 2006 – op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw rechtmatig in Nederland verbleef, viel hij in die periode niet onder de categorieën vreemdelingen als bedoeld in het artikel 11, tweede lid en derde lid, van de Wwb, het laatst¬genoemde lid gelezen in verband met artikel 1 van het Besluit, zodat hij ingevolge deze wetsbepalingen geen recht had op een bijstandsuitkering. Anders dan namens eiser lijkt te worden betoogd is niet elk eerder of bestaand rechtmatig verblijf in Nederland op zichzelf al voldoende grondslag voor een bijstands¬uitkering.

Het beroep op artikel 16 van de Wwb moet, gelet op hetgeen in het tweede lid van dit artikel is bepaald en het hiervoor overwogene, eveneens worden verworpen.

Voor zover eiser zich met de stelling dat het van ongekende hardheid getuigt zijn uitkering te beëindigen beroept op artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), over¬weegt de rechtbank dat, nu de hierboven vermelde bepalingen van de Wwb, het Besluit en de Vw van dwingend recht zijn, verweerder geen beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van de vraag of eiser recht op bijstand heeft, zodat er voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb geen ruimte bestaat.

Verweerder heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat eiser met ingang van 31 mei 2006 geen recht (meer) had op een Wwb-uitkering. Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de Wwb was verweerder dan ook bevoegd het recht op bijstand in te trekken: de bijstand is tot een te hoog bedrag verleend.

Ten aanzien van de intrekking van de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht over¬weegt de rechtbank het volgende. In de Memorie van Toelichting bij artikel 54 van de Wwb (kamerstukken II, 2002-2003, 28 870) is overwogen dat op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een besluit tot toekenning van bijstand slechts kan worden herzien of ingetrokken indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel of ten onrechte bijstand ontving. Aangezien de omstandigheid dat eiser reeds in 2005 was uitgeprocedeerd en in het ‘Project Terugkeer 26.000’ viel voor verweerder in 2005 – na contact daarover met de IND – (nog) geen aanleiding was het recht op bijstandsuitkering te beëindigen, eiser daarover toen is geïnformeerd, en niet is gebleken dat eiser op de hoogte was van de wijziging van de GBA-code met ingang van 31 mei 2006, noch dat hij bericht heeft ontvangen dat hij Nederland diende te verlaten, kan niet gesteld worden dat eiser voor 7 juli 2006 redelijkerwijs kon begrijpen dat hij met ingang van 31 mei 2006 teveel of ten onrechte bijstand ontving. In het licht van hetgeen in de Memorie van Toelichting is overwogen, is de rechtbank dan ook van oor¬deel dat het bij besluit van 7 juli 2006 intrekken van het recht op bijstand met terug¬werken¬de kracht vanaf 31 mei 2006, in strijd is met de rechtszekerheid. Eiser is tijdens het gesprek op 7 juli 2006 ingelicht over het voornemen van verweerder zijn recht op bijstand in te trekken, zodat intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van die datum niet meer in strijd is met de rechtszekerheid.

Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd. Nu er gezien bovenstaande overwegingen rechtens maar één beslissing op het bezwaar mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien zoals hierna bepaald.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten ma¬ken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,00 aan kosten van door een derde be¬roeps¬ma¬tig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit wordt herroepen en dat eisers bijstandsuitkering wordt ingetrokken met ingang van 7 juli 2006,

bepaalt dat de gemeente Spijkenisse aan eiser het betaalde griffierecht van € 38,00 vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,00 en wijst de gemeente Spijkenisse aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, en door deze en mr. E.G.M. Jenniskens, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2008.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: