Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4112

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
278542 / HA ZA 07-466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

executiegeschil in bodemprocedure; kracht van gewijsde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 278542 / HA ZA 07-466

Uitspraak: 16 januari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.G.M. Roijers,

advocaat mr. H. Goedegebure te Zierikzee,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALBANK B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. J.N. van der Pouw Kraan te Alphen aan den Rijn.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "Albank".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 8 februari 2007 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 23 mei 1007, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 2 augustus 2007;

- met het oog op deze comparitie door partijen toegezonden stukken bij brieven d.d. 6 juni 2007 van mr. Goedegebure en d.d. 1 augustus 2007 van mr. Duijm;

- akte aan de zijde van [eiser];

- akte aan de zijde van Albank.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Bij vonnis van 22 januari 1998 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter te Zierikzee [eiser] veroordeeld aan Albank te betalen een bedrag van f. 9.591,19 vermeerderd met de overeengekomen rente ad 1,5% per maand over f. 7.765,29 vanaf 11 februari 1992 tot de dag der voldoening alsmede vermeerderd met proceskosten. Er is geen hoger beroep van het vonnis ingesteld.

2.2 Het vonnis is op 29 januari 1998 aan [eiser] betekend.

2.3 Albank heeft op 17 augustus 2005 executoriaal beslag laten leggen onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) GAK op de wao- en zw-uitkering van [eiser] voor de volgende bedragen:

- hoofdsom € 12.867,17

- rente conform titel tot 16 augustus 2005 € 59,08

- rente conform titel vanaf 16 augustus 2005 € p.m.

- geliquideerde kosten € 358,36

- betekening en bevel € 46,84

- executiekosten € 57,75

- kosten van betekening derdenbeslag € 72,47

- kosten derdenbeslag € 127,71.

2.4 Het beslag heeft doel getroffen.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – te verklaren voor recht dat het namens Albank gelegde beslag onrechtmatig is. [eiser] vordert verder dat het beslag wordt opgeheven en dat Albank wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [eiser] van de door [eiser] aan Albank betaalde bedragen die het bedrag van € 4.352,29 (f. 9.591,19) te boven gaan vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Albank heeft 7,5 jaar gewacht met de executie van het vonnis. Daardoor is de oorspronkelijke vordering van Albank substantieel verhoogd. Door plotseling, zonder nadere aanmaning, executoriaal beslag te leggen is sprake van strijd met redelijkheid en billijkheid dan wel misbruik van procesrecht. Het gelegde executoriale derdenbeslag is daarom onrechtmatig en dient te worden opgeheven.

3.2 Albank heeft slechts recht op de oorspronkelijke hoofdsom van f. 9.591,19 (€ 4.532,29). [eiser] heeft inmiddels meer betaald dan de oorspronkelijke hoofdsom. Het meerdere is onverschuldigd betaald en dient door Albank aan [eiser] te worden terugbetaald.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding en met bepaling dat [eiser] wettelijke rente over de proceskosten alsmede nakosten verschuldigd wordt bij gebreke van voldoening aan het in dezen te wijzen vonnis binnen veertien dagen na dagtekening daarvan.

Albank heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Uitgangspunt is dat Albank bevoegd is tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Het feit dat [eiser] jarenlang niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, is een omstandigheid die voor zijn rekening dient te blijven. Enkel tijdsverloop is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Er is daarom geen aanleiding het beslag onrechtmatig te achten. De vordering tot opheffing van het beslag dient eveneens te worden afgewezen. Van misbruik van procesrecht is geen sprake.

4.2 Het beslag heeft nog niet tot integrale voldoening van de vordering van Albank geleid. Albank maakt aanspraak op wat haar rechtens toekomt; van onverschuldigde betaling is geen sprake.

5 De beoordeling

5.1 Het vonnis van 22 januari 1998 is in kracht van gewijsde gegaan. Aan de orde is de vraag of Albank gerechtigd is tot executie van het vonnis over te gaan.

Uitgangspunt van het wettelijke stelsel is dat de tenuitvoerlegging van een executoriale titel zo min mogelijk moet worden belemmerd. In het algemeen geldt dat slechts kan worden ingegrepen, indien door de geëxecuteerde wordt aangetoond dat hij al aan het te executeren vonnis heeft voldaan of indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid (procesrecht).

5.2 De rechtbank leidt uit wat ter comparitie is verklaard af dat sinds de datum van beslaglegging, 17 augustus 2005, een deel van de uitkering van [eiser] door Albank wordt ontvangen. Uit het wet vloeit voort dat een beslag als opgeheven dient te worden beschouwd, zodra de vordering waarvoor beslag is gelegd, geheel is voldaan door de schuldenaar. Dit betekent dat zodra [eiser] de vordering van Albank zoals toegewezen bij het vonnis heeft voldaan, het beslag van rechtswege eindigt.

5.3 Er is sprake van misbruik van bevoegdheid tot executie ingeval het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust ofwel ingeval de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Vast staat dat het vonnis niet op een feitelijke of juridische misslag berust. [eiser] heeft de vordering van Albank ter terechtzitting van de kantonrechter erkend en is om die reden niet in hoger beroep gekomen van dit vonnis.

Voorts heeft [eiser] geen na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten gesteld, waardoor de executie van het vonnis bij hem klaarblijkelijk een noodtoestand heeft doen ontstaan.

Op grond van het bovenstaande kan geen misbruik van bevoegdheid door Albank door de executie van het vonnis worden aangenomen.

Onder omstandigheden, in zeer bijzondere gevallen, kan niettemin toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid. In deze zaak is echter niet een dergelijk bijzonder geval aan de orde. Zo heeft Albank de executie van het vonnis ter hand genomen door het vonnis op 29 januari 1998 aan [eiser] te laten betekenen. Vervolgens is tussen Albank en [eiser] een minnelijke regeling tot stand gekomen. Nadat er iets mis was gegaan met de girale betaling van [eiser] aan Albank – daarover heeft [eiser] zelfs nog contact gehad met de deurwaarder – heeft [eiser] die fout niet hersteld. Dat was zijn eigen keuze. De regeling is toen komen te vervallen. [eiser] heeft daarmee de kans voorbij laten gaan om voor f. 5.500,= van de schuld aan Albank af te zijn. Hij kon toen al weten dat Albank de gehele vordering op hem zou gaan verhalen. Er is daarna niets gebeurd, waaruit [eiser] heeft kunnen opmaken de Albank afstand van haar vordering op [eiser] heeft gedaan. Het enkele stilzitten van Albank leidt immers niet tot rechtsverwerking. Dat de vordering van Albank inmiddels hoog is opgelopen komt door de rentecomponent in de vordering van Albank. Het gaat om contractuele rente van 1,5% per maand. In het vonnis is die rente toegewezen vanaf 11 februari 1992 over een hoofdsom van f. 7.765,29; in het toegewezen bedrag van f. 9.591,19 (€ 4.532,29) zat dientengevolge al ruim f. 1.800,= aan rente. Dat de vordering van Albank enorm in omvang is toegenomen, is daarom aan [eiser] zelf te wijten en komt voor zijn rekening. Albank heeft in 1998 [eiser] aangemaand; tot een nadere aanmaning in 2005 was zij niet verplicht. Dat [eiser] enig rechtens te respecteren belang zou hebben bij een – nieuwe – aanmaning is ook niet gesteld.

Aldus is geen sprake van misbruik van bevoegdheid door Albank. Het ten behoeve van Albank gelegde executoriale beslag is daardoor niet als onrechtmatig aan te merken. Voor opheffing ervan is dan ook geen aanleiding.

5.4 In verband met misbruik van bevoegdheid vordert [eiser] terugbetaling van al hetgeen hij aan Albank heeft betaald dat het bedrag van € 4.532,29 (f. 9.591,19) te boven gaat. Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, dient deze vordering reeds om die reden te worden afgewezen.

5.5 De slotsom is dat het door [eiser] gevorderde zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de aan de zijde van Albank gevallen proceskosten.

Voor dit geval heeft Albank de rechtbank een bevelschrift inzake nakosten verzocht. Volgens Albank is [eiser] nakosten verschuldigd bij gebreke van voldoening aan het te dezen te wijzen vonnis binnen veertien dagen na dagtekening daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de regeling van artikel 237 lid 4 Rv ziet op proceskosten die ten tijde van vonniswijzing niet bepaald kunnen worden, omdat niet bekend is welke incassowerkzaamheden verricht dienen te worden. Nakosten zijn immers kosten die gemoeid zijn met de pogingen van de winnende partij om in der minne, dus zonder executiemaatregelen, betaling van het haar toegewezen bedrag te verkrijgen. Daarvan is vooralsnog geen sprake. De vordering terzake van deze kosten dient als prematuur en derhalve ongegrond te worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Albank bepaald op € 251,= aan vast recht en € 1.130,= aan salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels.

Uitgesproken in het openbaar.

1954/106