Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4042

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
284554 / HA ZA 07-1334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Garantieovereenkomst. Tussenpersoon aansprakelijk geacht, aangezien handtekening niet is geverifieerd. Geen eigen schuld verzekeringsmaatschappij, nu deze mocht afgaan op mededeling van de tussenpersoon dat zij de handtekening gecontroleerd had.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 284554 / HA ZA 07-1334

Uitspraak: 19 december 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap

CARDIF SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Oosterhout (NB),

eiser,

procureur mr. H.E. Schweers,

en advocaat mr. V. Kortenbach te Rotterdam,

- tegen -

[gedaagde], h.o.d.n. […] ASSURANTIE & FINANCIERING

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur en advocaat mr. A.S. graaf van Randwijck te Rotterdam

Partijen worden hierna aangeduid als "Cardif" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

- dagvaarding d.d. 4 mei 2007, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 26 september 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- comparitie van partijen d.d. 16 november 2007, waarvan door de griffier aantekening is gehouden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 18 december 2006 heeft Cardif van [gedaagde] toegezonden gekregen een ‘aanvraag t.b.v. garantstelling door Cardif’ en de daarbij behorende ‘contragarantie’ op naam van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), wonende aan de [straat] [huisnummer] te [gemeente]. Hierbij had [gedaagde] tevens gevoegd een door haar ondertekende ‘verklaring t.b.v. garantiestelling door Cardif’.

2.2 Op deze ‘verklaring t.b.v. garantiestelling door Cardif’ is onder de kop ‘verklaring adviseur’ onder andere opgenomen:

Bijgaand doen wij u toekomen:

• de door de relatie voor akkoord ondertekende aanvraag garantiestelling

• de door de relatie voor akkoord ondertekende contragarantie

(…)

Voorts verklaren wij dat wij de contragarantie en de aanvraag garantiestelling in ons bijzijn hebben laten ondertekenen en de handtekening(en) aan de hand van het/de originele legitimatiebewij(s)(zen) hebben geverifieerd.

De verklaring is door [gedaagde] als adviseur ondertekend.

2.3 Cardif heeft op 27 december 2006 een garantiestelling waarborgsom afgegeven en daartoe de volgende schriftelijke verklaring opgesteld

Cardif Schadeverzekeringen N.V., hierna te noemen ‘de verzekeraar’, verklaart zich onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant te stellen voor koper ([betrokkene], toevoeging rechtbank) t.o.v. de verkoper (Rolink Vastgoed Rotterdam B.V., toevoeging rechtbank).

Zulks tot meerdere zekerheid voor de voldoening van de verplichtingen, voortvloeiende uit de koopovereenkomst de dato 17-11-2006 ter zake de aan- en verkoop van de onroerende zaak gelegen aan de [straat] [huisnummer] te [gemeente] waarvan de transportakte zal worden verleden bij van Ravensteyn & van der Wee notariskantoor te Rotterdam.

Het bedrag waarvoor de verzekeraar op grond van deze garantie kan worden aangesproken bedraagt € 13.900,00 (zegge: dertienduizend negenhonderd euro).

De verzekeraar verbindt zich zonder enig bewijs van verschuldigdheid te verlangen op eerste schriftelijke verzoek van (…) notaris aan hem het gevorderde bedrag te voldoen tot maximaal het bedrag van deze garantie.

2.4 Wegens het niet nakomen door [betrokkene] van de verplichtingen uit de koopovereenkomst heeft de betrokken notaris bij brief van 11 januari 2007 een kopie van de ‘akte van non- comparitie’ aan Cardif toegezonden en haar verzocht om tot uitkering van het bedrag ad € 13.900,- over te gaan.

2.5 Op 23 januari 20087 heeft Cardif het bedrag ad € 13.900,- naar de derdengeldrekening van de betrokken notaris overgemaakt.

2.6 [gedaagde] heeft ter zake van de garantiestelling niet zelf met [betrokkene] gesproken en de stukken aan een persoon genaamd De Jager meegegeven, met het verzoek deze getekend retour te zenden. De ‘aanvraag t.b.v. garantstelling door Cardif’ en de daarbij behorende ‘contragarantie’ zijn niet in het bijzijn van [gedaagde] ondertekend. Evenmin heeft zij de handtekeningen op de betreffende documenten geverifieerd aan de hand van het originele legitimatiebewijs.

2.7 Bij brief van 19 maart 2007 heeft Cardif de garantiestellingovereenkomst vernietigd en [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade.

2.8 [betrokkene] heeft bij brief van 19 maart 2007 naar Cardif aangegeven:

Ik heb u gezegd dat ik die documenten niet ken en dat ik die ook niet heb getekend. De op de documenten neergezette handtekeningen zijn vals en lijken ook niet op mijn echte handtekening, zoals ik u heb aangetoond. Ook ken ik de heer of mevrouw D. [gedaagde] niet en heb ik op geen enkel moment met hem/haar of met iemand anders over een garantiestelling gesproken.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 14.049 aan schadevergoeding voortvloeiende uit een thans vernietigde garantieovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrag ad € 13.900,- is uitgekeerd, alsmede een bedrag ad € 149,- aan onverhaalbare afsluitprovisie, te vermeerderen met de contractuele rente over voornoemd bedrag. Tevens vordert Cardif betaling van een bedrag ad € 2.362,34 ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer tegen de vordering gevoerd.

Op de stellingen van partijen zal zo nodig bij de beoordeling nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

In geschil tussen partijen is de vergoeding van door Cardif geleden schade als gevolg van vernietiging van een garantieovereenkomst, waarbij [gedaagde] als professioneel adviseur en bemiddelaar (namens [betrokkene]) is opgetreden.

[gedaagde] heeft erkend dat zij in het onderhavige geval (tenminste) onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaring ten behoeve van de garantiestelling door Cardif te ondertekenen zonder dat de handtekeningen op de aanvraag garantiestelling en de contragarantie in haar bijzijn door [betrokkene] zijn gezet of door [gedaagde] zijn geverifieerd aan de hand van het originele legitimatiebewijs van deze [betrokkene].

Zij betwist echter dat de thans door Cardif gevorderde schade geheel voor haar rekening dient te komen, daar deze schade voor een groot deel te wijten is aan eigen schuld van Cardif. De handtekeningen op de aan Cardif toegezonden bescheiden wijken immers dermate veel van elkaar af dat het Cardif niet had mogen ontgaan dat sprake was van vervalsingen. Indien Cardif de bescheiden goed had bekeken en zich direct op de nietigheid van de gesloten overeenkomst had beroepen, zou het niet tot uitkering aan de notaris zijn gekomen.

De rechtbank is echter van mening dat Cardif niet tegen te werpen valt dat zij de handtekeningen op de betreffende verklaringen niet vergeleken heeft en de overeenkomst met [betrokkene] op grond van de door [gedaagde] overgelegde stukken is aangegaan.

Immers, tussen Cardif als verzekeraar op het gebied van garantiestellingen en [gedaagde] als bemiddelaar/adviseur bij het tot stand komen van financieringen, hypotheken en aanverwante (geld)leningen bestaat sinds langere tijd een professioneel samenwerkings-verband. Reeds uit hoofde van dit samenwerkingsverband dient Cardif te kunnen vertrouwen op de juistheid en professionaliteit van verklaringen van [gedaagde] als tussenpersoon. Een en ander klemt temeer nu in de door Cardif gehanteerde ‘verklaring t.b.v. garantiestelling’ expliciet gevraagd wordt aan de adviseur om te vermelden dat de contragarantie en de aanvraag garantiestelling in haar bijzijn zijn ondertekend en de handtekeningen aan de hand van een origineel legitimatiebewijs zijn gecontroleerd. Uit deze ondubbelzinnige verklaring kan reeds de relevantie van de juistheid van de betreffende vermelding worden afgeleid.

Feit blijft dat [gedaagde] willens en wetens de verklaring heeft ondertekend, terwijl zij wist dat deze in strijd met de waarheid was en waarvan zij als professionele partij tevens wist dat de totstandkoming van de overeenkomst (onder deze voorwaarden) afhankelijk was gesteld. Hierdoor is de garantieovereenkomst tot stand gekomen onder valse voorstelling van zaken, op grond waarvan Cardif de overeenkomst uiteindelijk – eerst na uitkering van de garantie – heeft vernietigd.

Evenmin kan Cardif tegengeworpen worden dat zij op eerste verzoek is overgegaan tot uitkering aan de betreffende notaris. Gelet op het karakter van een garantiestelling als de onderhavige (dat wil zeggen garantie op eerste verzoek) en de functie die dergelijke garantiestellingen in het handelsverkeer vervullen, en gelet op de positie van Cardif die zowel de belangen van degene die de opdracht gaf tot het stellen van de garantie als van degene ten wiens gunste de garantie is gesteld, in het oog moet houden, is een strikte toepassing door Cardif van de in de garantie gestelde voorwaarden geboden.

Gelet op het voorgaande kan dan ook niet gezegd worden dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde, in casu Cardif, geheel of gedeeltelijk kan worden toegerekend, zodat het deel van de hoofdsom groot € 13.900,- voor toewijzing gereed ligt.

Ter comparitie van partijen heeft Cardif haar vordering voor wat betreft de gederfde inkomsten ter zake van de premie ad € 149,- zodanig nader toegelicht, dat dit deel van de hoofdsom thans ook voor toewijzing gereed ligt.

Cardif heeft toen gedaagde haar vordering niet betaalde op goede gronden haar vordering ter incassering uit handen gegeven. Uit het onderhavige procesdossier en de nadere toelichting ter comparitie van partijen is genoegzaam gebleken dat de gemachtigde van Cardif voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking komende buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Zo is [gedaagde] meermalen tot betaling aangemaand en heeft herhaaldelijk juridisch inhoudelijk overleg plaatsgevonden tussen de gemachtigde en [gedaagde]. De werkzaamheden hebben derhalve meer ingehouden dan slechts werkzaamheden ter instructie en voorbereiding van de procedure. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, echter tot een op de voet van artikel 242 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gematigd bedrag van € 1.075,76.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

8 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Cardif te betalen het bedrag van € 15.124,76 (zegge: vijftienduizend honderdvierentwintig euro en zesenzeventig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente ad 2 % over € 14.049,- vanaf de vervaldag van de vorderingen tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres bepaald op € 380,- aan vast recht, op € 84,31 aan overige verschotten en op € 904,- aan salaris voor de procureur.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels.

Uitgesproken in het openbaar.

504/11