Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC3508

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
06/2417
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BE0011, Overig
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep bestaat een overplaatsing van een ambtenaar zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking.

Als tweede vraag dient beantwoord te worden of verweerder eiseres de functie van beleidsmedewerker gezien haar persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten redelijkerwijs heeft kunnen opdragen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de nieuwe functie tijdelijk aan eiseres is opgedragen. De rechtbank overweegt dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is opgenomen dat het niveauverschil van twee schalen tussen de functies erg groot is, maar dat de opgedragen functie niettemin passend wordt geacht wegens het ontbreken van een andere passende functie. Hierbij heeft de adviescommissie aanbevolen dat verweerder actief dient te bezien of er in de toekomst mogelijk andere passende functies voor eiseres aanwezig zullen zijn, die meer bij haar kennis, kunde, persoonlijkheid en vooruitzichten passen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze motivering innerlijk tegenstrijdig, nu het een definitieve overplaatsing betreft. Het enkele ontbreken van een andere passende functie kan voorts niet als zodanig ten grondslag worden gelegd aan de vraag of de opgedragen functie als passend kan worden aangemerkt. Het besluit komt gelet hierop voor vernietiging in aanmerking.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de aan eiseres opgedragen functie niet als passend is aan te merken. Daartoe wordt allereerst overwogen dat het verschil in salarisniveau twee schalen bedraagt. Dat eiseres feitelijk haar oude salaris heeft behouden, kan daaraan niet afdoen. Ook is de aard en inhoud van de opgedragen functie niet vergelijkbaar met de functie waaruit eiseres is ontheven. Dit klemt temeer nu de opgedragen functie qua opleidingsniveau, gezien de opgedane werkervaring van eiseres, eveneens onder haar niveau ligt. Bovendien is de aan eiseres opgedragen functie geen leidinggevende functie, wat wel het geval was bij haar vorige functie. Door verweerder is voorts niet weersproken dat de opgedragen functie eiseres weinig of geen carrièreperspectief biedt. Gelet op al deze elementen, bezien in hun onderlinge samenhang, acht de rechtbank de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig en is de motivering in het bestreden besluit dat de aan eiseres opgedragen functie passend is, mede hierdoor niet draagkrachtig. Hieruit vloeit eveneens voort dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Het bestreden besluit komt hierom voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. In dit kader herroept de rechtbank het besluit in primo voor zover daarbij aan eiseres de functie van beleidsmedewerker is opgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: Awb 06/2417 AW

Uitspraak

in het geding tussen

A., wonende te B, eiseres,

gemachtigde mr. P.A.R. Dijkers, advocaat te Hellevoetsluis,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hellevoetsluis,

gemachtigde mr. P.R.M. Berends-Schellens.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 23 november 2005 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt haar op grond van artikel 15:1:10, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling (hierna: CAR) in het belang van de dienst een andere betrekking op te dragen, te weten beleidsmedewerker binnen de afdeling Samenlevingszaken, onder handhaving van het huidige salaris.

Bij brief van 30 november 2005 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Op 12 december 2005 is eiseres gehoord omtrent het uitgebrachte voornemen.

Bij besluit van 21 december 2005 heeft verweerder eiseres conform het voornemen in het belang van de dienst een andere betrekking opgedragen met ingang van 22 december 2005.

Bij brief van 25 januari 2006 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 22 april 2006 is eiseres door de commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) op haar bezwaren gehoord. De commissie heeft aan verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 28 april 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het verzoek van eiseres om vergoeding van kosten afgewezen.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 6 juni 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 23 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2007. Ter zitting is eiseres verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als informanten zijn verschenen B. Kap,

Z. Huykman, J.C. Simons, E. Forsch en T.H. van der Stel. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend. De door de gemachtigde van eiseres ingediende stukken, gedateerd 7 december 2007 en ter griffie van de rechtbank ontvangen op 10 december 2007, heeft de rechtbank onder verwijzing naar artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten beschouwing gelaten. Het onderzoek ter zitting is hervat op 13 december 2007. Ter zitting is eiseres verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is als informant verschenen E. Forsch.

2. Overwegingen

2.1. Regelgeving

In artikel 15:1:10, eerste lid, van de CAR is bepaald dat de ambtenaar verplicht is een andere betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

2.2. Standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat gelet op de toelichting van eiseres bij de ziekmelding van 1 juli 2005 en het verschil van mening tussen eiseres en de heer Simons over inhoudelijke aangelegenheden, zoals het zogenaamde SZW-net, de problemen die tussen partijen zijn ontstaan naar aanleiding van personele aangelegenheden, zoals de herbenoeming van de heer Baijens en het vertrek van mevrouw Beket en het gebrek aan vertrouwen dat eiseres ervaart, kan worden gesteld dat de verhouding tussen partijen ernstig is geschaad. Hiermee is voldoende onderbouwd dat er sprake is van een wederzijds gebrek aan vertrouwen dat aan de terugkeer van eiseres in de functie van hoofd van de afdeling Sociale Zaken in de weg staat, zodat gebruik gemaakt kon worden van de bevoegdheid om op grond van het dienstbelang eiseres uit haar functie te ontheffen.

Met betrekking tot de passendheid van de nieuw opgedragen functie stelt verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt dat deze gezien de opleiding en ervaring van eiseres als passend kan worden aangemerkt. Hoewel het niveauverschil tussen de functie van hoofd van de afdeling Sociale Zaken, gewaardeerd op schaalniveau 11, en die van beleidsmedewerker binnen de afdeling Samenlevingszaken, gewaardeerd op schaalniveau 9, wel erg groot is, kan de opgedragen functie passend worden genoemd, nu verweerder geen andere passende functie voor eiseres beschikbaar heeft.

2.3. Standpunt van eiseres

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe het volgende aan. Eiseres betwist de verwijten die betrekking hebben op haar functioneren als afdelingshoofd, welke hebben geleid tot ontheffing uit deze functie. Voorts acht eiseres de haar opgedragen functie als beleidsmedewerker niet passend. De taken die zij in dat kader dient uit te oefenen betreffen taken op MBO-niveau. Weliswaar is eiseres eerder beleidsmedewerker geweest, maar na die tijd (1998) heeft zij alleen nog functies bekleed die inhoudelijk van een hoger niveau waren. Voorts biedt de functie haar geen enkel carrièreperspectief. De commissie heeft de functie ook enkel en alleen passend geacht, omdat er geen andere functie voorhanden was.

2.4. Beoordeling

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer in de uitspraak van 23 september 2004, LJN AR2726) bestaat een overplaatsing zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking. In verband daarmee kan de motivering van een overplaatsingsbesluit van uiteenlopende aard zijn, al naar gelang het accent valt op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een ambtenaar uit een betrekking te ontheffen dan wel op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een andere betrekking door die ambtenaar te laten vervullen. In beide gevallen moet worden voldaan aan de eis, dat de nieuwe betrekking passend is.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ontstane vertrouwensbreuk tussen eiseres en de heer Simons, verweerder redelijkerwijs heeft kunnen oordelen dat het dienstbelang ontheffing van eiseres uit haar functie van afdelingshoofd vorderde. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder het bestaan van de vertrouwensbreuk in het bestreden besluit voldoende heeft geconcretiseerd. Bovendien wordt deze vertrouwensbreuk als zodanig door eiseres niet betwist. Dat eiseres de feiten betwist die aan de vertrouwensbreuk ten grondslag liggen, kan aan de vertrouwensbreuk als zodanig niet afdoen. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat haar geen verwijt valt te maken van deze vertrouwensbreuk en dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat deze niet oplosbaar was, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat eiseres door haar opstelling (mede) een verwijt valt te maken van de ontstane vertrouwensbreuk. De rechtbank verwijst daarvoor naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd en acht de daarin opgenomen motivering voldoende draagkrachtig. Ook ten aanzien van de oplosbaarheid van de vertrouwensbreuk heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende inspanningen getroost door tweemaal een poging tot mediation te ondernemen. Dat dit niet tot een vergelijk is gekomen, doet aan de inspanningen van verweerder niet af.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of verweerder eiseres de functie van beleidsmedewerker gezien haar persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten redelijkerwijs heeft kunnen opdragen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de nieuwe functie tijdelijk aan eiseres is opgedragen. De rechtbank overweegt dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is opgenomen dat het niveauverschil van twee schalen tussen de functies erg groot is, maar dat de opgedragen functie niettemin passend wordt geacht wegens het ontbreken van een andere passende functie. Hierbij heeft de adviescommissie aanbevolen dat verweerder actief dient te bezien of er in de toekomst mogelijk andere passende functies voor eiseres aanwezig zullen zijn, die meer bij haar kennis, kunde, persoonlijkheid en vooruitzichten passen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze motivering innerlijk tegenstrijdig, nu het een definitieve overplaatsing betreft. Het enkele ontbreken van een andere passende functie kan voorts niet als zodanig ten grondslag worden gelegd aan de vraag of de opgedragen functie als passend kan worden aangemerkt. Het besluit komt gelet hierop voor vernietiging in aanmerking.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de aan eiseres opgedragen functie niet als passend is aan te merken. Daartoe wordt allereerst overwogen dat het verschil in salarisniveau twee schalen bedraagt. Dat eiseres feitelijk haar oude salaris heeft behouden, kan daaraan niet afdoen. Ook is de aard en inhoud van de opgedragen functie niet vergelijkbaar met de functie waaruit eiseres is ontheven. Dit klemt temeer nu de opgedragen functie qua opleidingsniveau, gezien de opgedane werkervaring van eiseres, eveneens onder haar niveau ligt. Bovendien is de aan eiseres opgedragen functie geen leidinggevende functie, wat wel het geval was bij haar vorige functie. Door verweerder is voorts niet weersproken dat de opgedragen functie eiseres weinig of geen carrièreperspectief biedt. Gelet op al deze elementen, bezien in hun onderlinge samenhang, acht de rechtbank de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig en is de motivering in het bestreden besluit dat de aan eiseres opgedragen functie passend is, mede hierdoor niet draagkrachtig. Hieruit vloeit eveneens voort dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Het bestreden besluit komt hierom voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit vernietigd te worden voor zover daarbij aan eiseres de functie van beleidsmedewerker is opgedragen en voor zover daarin afwijzend is gereageerd op het verzoek om vergoeding van de kosten voor juridische bijstand in bezwaar.

Nu bovengenoemde gebreken die kleven aan het bestreden besluit eveneens kleven aan het besluit in primo en deze niet kunnen worden hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. In dit kader herroept de rechtbank het besluit in primo voor zover daarbij aan eiseres de functie van beleidsmedewerker is opgedragen. Voorts kent de rechtbank aan eiseres een vergoeding toe voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar met toepassing van artikel 7:15, tweede lid van de Awb, die verweerder aan eiseres dient te vergoeden. Deze kosten zijn vastgesteld op € 644 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting inzake het bezwaar, met een waarde per punt van € 322 en wegingsfactor 1).

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb oordeelt de rechtbank dat daartoe geen aanleiding is en overweegt daartoe het volgende. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van materiële schade nu voor eiseres haar oude salarisniveau is gehandhaafd. Ten aanzien van immateriële schade overweegt de rechtbank dat deze schade niet is onderbouwd. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 805 (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting inzake het beroep, met een waarde per punt van € 322 en wegingsfactor 1).

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed door verweerder.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres de functie van beleidsmedewerker is opgedragen en voor zover daarin afwijzend is gereageerd op het verzoek om vergoeding van de kosten voor juridische bijstand in bezwaar;

3. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het gedeeltelijk vernietigde besluit;

4. herroept het besluit in primo voor zover daarbij aan eiseres de functie van beleidsmedewerker is opgedragen;

5. kent ten laste van verweerder aan eiseres een vergoeding toe voor de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken tot een bedrag van € 644;

6. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

7. veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 805 en wijst de gemeente Hellevoetsluis aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden;

8. bepaalt dat de gemeente Hellevoetsluis aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 141,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A. van ’t Laar als voorzitter en mr. C. Laukens en

mr. H. van den Heuvel als leden, en door de voorzitter en mr. J. van Dort, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.