Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC2709

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
10/640059-07 en 10/643822-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval met de dood van het slachtoffer tot gevolg, gekwalificeerd als gekwalificeerde doodslag (art. 288 WvSr). Toerekening van de dood van het slachtoffer aan de verdachten. Naast de veroordeling voor dit feit verdachte veroordeeld voor 2 straatroven, 3 inbraken en de diefstal van 2 auto’s.

Verdachte ten tijde van het plegen van de feiten minderjarig. Toepassing van het strafrecht voor meerderjarigen.

Straf en maatregel: 10 jaren gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 288
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2008, 82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/640059-07 en 10/643822-07

Datum uitspraak: 25 januari 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [detentieadres],

raadsman mr. W.L. Catsman, advocaat te Capelle aan den IJssel.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 en 11 januari 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met de parketnummers 10/640059-07 en 10/643822-07. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie, mr. Bos en mr. Bijl, hebben gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder parketnummer 10/640059-07 onder 3 ten laste gelegde feit;

- bewezenverklaring van de onder parketnummer 10/640059-07 onder 1 primair, 2, 4 en 5 en de onder parketnummer 10/643822-07 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;

- toepassing van het sanctierecht voor volwassenen;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 12.824,81, alsmede het opleggen van de maatregel tot schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 6.280,01, alsmede het opleggen van de maatregel tot schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

VRIJSPRAAK

Het onder parketnummer 10/640059-07 onder 3 ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/640059-07 onder 1 primair, 2, 4 en 5 en de onder parketnummer 10/643822-07 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

10/640059-07

1 primair.

hij op 21 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk genoemde [slachtoffer]

- tegen de grond gewerkt en

- meermalen bij de nek/hals beetgepakt en

- meermalen geslagen en

- in de buik geschopt en/of getrapt en

- in het gezicht geslagen en/of gestompt en

- stevig vastgehouden en

- met plakband/tape de voeten vastgebonden en

- de armen vastgebonden met het snoer van een föhn en

- een doek in de mond gestopt en

- plakband/tape om de mond en/of de nek en het hoofd gedaan en

- een hand voor en/of op de mond gehouden en

- naar de kast gesleept en

- in een kast opgesloten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven

doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit,

te weten diefstal van een horloge en een geldbedrag en een kluis en

een auto, Renault Clio gekentekend [kenteken], en welke doodslag werd gepleegd

met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en

gemakkelijk te maken;

2.

hij op 21 januari 2007 te Rotterdam

op de openbare weg, de Papegaaistraat

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een mobiele telefoon en een portemonnee met inhoud (waaronder geld en

een bankpas en een toegangspas van TNT) en/ een horloge en een

sleutelbos,

toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld

tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het

-die [slachtoffer] onverhoeds vastpakken en vasthouden, en

-vervolgens die [slachtoffer] ten val brengen, en

-terwijl die [slachtoffer] op de grond lag schoppen en slaan en/of

stompen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer], en

-doorzoeken van de zakken van die [slachtoffer];

4.

hij op 01 februari 2007 te Rotterdam

op de openbare wegen de Parklaan en/of de Coolsingel, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een portemonnee en een mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld

tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van geld (negenhonderdvijftig euro), toebehorende aan die [slachtoffer],

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

-die [slachtoffer] onverhoeds vastpakken, en

-die [slachtoffer] een hand op de mond leggen, en

-die [slachtoffer] in het gezicht slaan en/of stompen, en

-doorzoeken van de zakken van die [slachtoffer], en

-die [slachtoffer] telkens dwingen naar pinautomaten te lopen,

en

-telkens dicht achter die [slachtoffer] blijven lopen en die [slachtoffer

in de rug duwen, en

-die [slachtoffer] toevoegen van de woorden: "ik heb een

pistool" en "ik heb een mes" en "het is veel te weinig, loop naar een

pinautomaat" ;

5.

hij op 06 maart 2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een restaurant gelegen

aan de Van Vollenhovenstraat heeft weggenomen een slof sigaretten en drie

flessen sterke drank, toebehorende aan Restaurant [restaurant], zijn mededader zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming, te weten

door via een kapot dakkraam voornoemd restaurant binnen te gaan;

10/643822-07

1.

hij op 19 februari 2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan

de Burgemeester van Walsumweg heeft weggenomen een tas en een rijbewijs

en diverse passen en een laptop en een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij zijn mededader zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming, te weten

door op het balkon van voornoemde woning te klimmen en vervolgens

voornoemde woning binnen te gaan;

2.

hij in de periode van 13 februari 2007 tot en met 14 februari

2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan

de Kastanjesingel heeft weggenomen autosleutels, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs hebben verschaft door middel van inklimming, te weten

door via een raam voornoemde woning binnen te gaan;

3.

hij in de periode van 13 februari 2007 tot en met 14 februari

2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

-een auto (Hyundai Atos-Prime, kleur geel, kenteken [kenteken]) en

-een auto (Peugeot 307, kleur blauw, kenteken [kenteken]),

toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 10/640059-07 onder 1 primair bewezen verklaarde feit wordt in het bijzonder het volgende overwogen.

De raadsman heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd – zakelijk weergegeven – dat er geen causaal verband is tussen de in de tenlastelegging opgesomde handelingen en de dood van het slachtoffer. Uit het obductieverslag van dr. R. Visser, arts en patholoog, van 27 september 2007, blijkt dat de bij sectie gebleken letsels ten gevolge van de geweldshandelingen op zich niet dodelijk zijn verlopen. Voorts komt uit het onderzoek naar voren dat het slachtoffer diverse hartkwalen had waaraan het overlijden kan worden toegeschreven.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet van verdachte en zijn medeverdachte niet – ook niet in voorwaardelijke zin – gericht is geweest op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachte het slachtoffer niet opzettelijk van het leven hebben willen beroven. Het door de verdachte en zijn medeverdachte gebruikte geweld is gericht geweest op het onder controle houden van het slachtoffer en op het voorkomen van betrapping. Zij gingen ervan uit dat het slachtoffer de overval zou overleven en zij hebben ook dienovereenkomstig gehandeld. Van opzet op de dood is daarmee geen sprake.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende.

Causaal verband

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan:

Gedragingen van verdachten

Het slachtoffer is rond 6:30 uur, terwijl hij in de bakkerij aan het schoonmaken was, door de verdachten overrompeld. Daarbij is het slachtoffer:

- vastgepakt en tegen de grond gewerkt;

- meermalen geslagen;

- in de buik getrapt;

- een hand op de mond gehouden;

- de armen met een snoer vastgebonden;

- de voeten met tape vastgebonden;

- een doek in de mond gestopt;

- de mond en het hoofd ingetaped;

- naar een kast gesleept en daar in gestopt, waarna een bureau vóór de deur van die kast is geschoven.

De medeverdachte heeft verklaard dat hij en de verdachte aan het slachtoffer de code van de kluis hebben gevraagd en dat, toen het slachtoffer antwoordde dat hij de code niet wist, de verdachte het slachtoffer driemaal op zijn hoofd heeft gestampt, waardoor het slachtoffer buiten bewustzijn is geraakt. Omdat de medeverdachte “het een beetje te agressief vond” heeft hij verdachte nog gevraagd: “Wil je hem dood hebben?”

De medeverdachte heeft voorts verklaard dat de verdachte de tape om de mond van het slachtoffer een beetje strak vast deed en dat diens mond helemaal bedekt was. Het slachtoffer ademde moeilijk, aldus de medeverdachte. Ook heeft de medeverdachte verklaard dat het slachtoffer, toen hij in de meterkast werd gestopt, “flauw” was en hijgde. De verdachten hebben een bureau voor die kast geschoven en het slachtoffer daar achtergelaten. Zij hebben ongeveer een half uur na binnenkomst de bakkerij verlaten.

Nadat de zoon van het slachtoffer zijn vader omstreeks 8:20 uur in de meterkast van de bakkerij had aangetroffen, constateerde korte tijd later een politieagent dat het slachtoffer niet ademde en geen hartslag had. De pogingen van die agent tot beademing en reanimatie hadden geen positief gevolg. Enige minuten later heeft het personeel van de GGD eveneens tevergeefs geprobeerd het slachtoffer te reanimeren.

De doodsoorzaak

Dr. R. Visser, arts en patholoog, heeft op 22 februari 2007, de uit- en inwendige schouwing verricht op het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Zijn bevindingen heeft hij vastgelegd in een obductieverslag van 27 september 2007. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Bij sectie werd een oudere man gezien. Er waren diverse huidletsels. Deze zijn opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch geweld (vallen, stoten en/of slaan). Gelet op de schedelbreuk was(ren) de geweldsinwerking(en) ter plaatse van het hoofd ernstig.

(..)

Het hart was ziek. Delen van de hartspier werden in consult onderzocht door prof. dr. Niessen. Uit dit onderzoek bleek ondermeer dat er sprake was van ontsteking van de hartspier (z.g. myocarditis) vermoedelijk door virusinfectie. Myocarditis op zich kan oorzaak zijn van plots overlijden. Daarnaast bleek recent versterf van (delen van) de hartspier (z.g. “hartinfarct”). Op basis van het microscopische beeld paste dit bij een infarctduur van 6 tot 12 uren.

Ten aanzien van de doodsoorzaak kan worden gesteld:

- De ontsteking van de hartspier (myocarditis) kan op zich – door hartritmestoornissen – oorzaak zijn van het intreden van de dood.

- De recente infarcering van de hartspier (“hartinfarct”) kan op zich – door hartritmestoornissen – oorzaak zijn van het intreden van de dood.

- De combinatie van myocarditis en recente hartinfarcering kan oorzaak zijn van het intreden van de dood; een andere of bijkomende doodsoorzaak is niet gebleken. Het is waarschijnlijker dat de combinatie oorzaak is van het intreden van de dood dan myocarditis of infarct apart.

- Het is niet uitgesloten dat stress van betekenis is geweest (in combinatie met bestaande myocarditis en recente hartinfarcering) ten aanzien van de oorzaak van de hartritmestoornis en/of ten aanzien van het ontstaan van het infarct (en daarmee het intreden van de dood – zie bijgevoegde informatie “Acute emotional stress and the heart”-. Deze stress moet dan wel aanwezig zijn geweest op het moment van het ontstaan van het hartinfarct (circa 6 tot 12 uren voor het intreden van de dood).

De bij sectie gebleken letsels zijn op zich niet dodelijk verlopend; er was weliswaar breuk van de schedel maar dit is niet apert dodelijk verlopend letsel. De letsels zullen wel tot stress aanleiding hebben gegeven.

Conclusie:

Bij [slachtoffer], oud 69 jaren, werden bij sectie diverse recente letsels vastgelegd, opgelopen door (meerdere keren) inwerking van uitwendig mechanisch geweld. Het intreden van de dood kan worden verklaard door bij sectie en microscopisch onderzoek gebleken hartziekte. Het is niet uitgesloten dat stress van betekenis is geweest ten aanzien van de oorzaak van het intreden van de dood.”

Ter terechtzitting heeft dr. Visser als getuige-deskundige onder meer het volgende ter aanvulling op en ter verduidelijking van het obductieverslag verklaard:

“Bij sectie heb ik een aantal letsels geconstateerd en in het obductierapport beschreven. Indien de heer [slachtoffer] het toebrengen van dit letsel bewust heeft meegemaakt, kan hieruit worden herleid dat die omstandigheden stressvol zijn geweest.

Met de zinsnede “deze stress moet dan wel aanwezig zijn geweest op het moment van het ontstaan van het hartinfarct (circa 6 tot 12 uren voor het intreden van de dood)” bedoel ik stress die heeft kunnen leiden tot het infarct. Als daar dan later weer stress bij komt, kan dat leiden tot verergering van de klachten. Het is voorstelbaar dat het incident heel stressvol is geweest en heeft kunnen leiden tot het overlijden. Het is niet aan te geven in welke mate die stress daartoe heeft bijgedragen.

Ik kan niet met zekerheid zeggen of hartritmestoornis of de stress de dood heeft veroorzaakt. Ik kan als patholoog stress niet vaststellen. Daarom heb ik het algemeen gehouden dat stress van invloed kan zijn. Ik kan niet vaststellen dat het geleid moet hebben tot een hartritmestoornis. Dat is de reden dat ik het wetenschappelijke artikel heb meegestuurd waarin wordt uitgelegd dat mensen met hartproblemen onder stress risico’s lopen.”

Causaal verband tussen gedragingen verdachten en de dood van het slachtoffer

De rechtbank is van oordeel dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs is toe te rekenen aan de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte. Daarbij is van belang dat het slachtoffer kort na de overval waarbij ernstig geweld op hem is uitgeoefend, is overleden. Het slachtoffer is ongeveer anderhalf uur nadat de verdachte en zijn mededader hem gekneveld en in hulpeloze toestand in de meterkast hadden achtergelaten, aldaar dood aangetroffen. Het behoeft geen betoog dat het zeer gewelddadige optreden van de beide verdachten tot hevige emoties en stress bij het slachtoffer heeft geleid. Het slachtoffer is een oudere man met een geschiedenis van hartklachten. Het is een feit van algemene bekendheid dat het blootstellen van een dergelijk kwetsbaar persoon aan hoge stress en hevige emoties fatale gevolgen kan hebben. De getuige-deskundige Visser heeft ter terechtzitting bevestigd dat het incident voor het slachtoffer stressvol moet zijn geweest, hetgeen heeft kunnen leiden tot het overlijden. Voorts heeft hij benadrukt dat hartpatiënten onder stress risico’s lopen, met verwijzing naar een wetenschappelijke publicatie uit The Journal of the American Medical Association, “Acute Emotional Stress and the Heart” (July 18, 2007-Vol 298, No. 3).

Bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de gedragingen van de verdachten de dood van het slachtoffer teweeg hebben gebracht.

Daaraan doet niet af dat het slachtoffer, zoals blijkt uit het obductierapport, reeds leed aan diverse hartkwalen, welke op zich of in combinatie met elkaar dodelijk kunnen zijn. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat zonder het gewelddadig handelen van de daders, het slachtoffer eveneens op dat moment zou zijn komen te overlijden aan de bij hem reeds bestaande hartklachten. Immers, het slachtoffer voelde zich kennelijk goed genoeg om ondanks zijn bestaande hartklachten in de ochtend van de overval aan het werk te gaan.

De dood van het slachtoffer kan redelijkerwijs aan de gedragingen van de verdachten worden toegerekend.

Opzet

Nu de dood van het slachtoffer redelijkerwijs is toe te rekenen aan de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte, resteert de vraag of het opzet van verdachten ook op de dood gericht is geweest.

De rechtbank beantwoordt op basis van het bovenbeschreven feitencomplex en op grond van de navolgende overwegingen deze vraag bevestigend.

De verdachten hebben bij een overval op een al ouder slachtoffer hevig geweld uitgeoefend.

Dat de verdachte zich bewust was dat dit geweld fatale gevolgen voor het slachtoffer zou kunnen hebben, maakt de rechtbank op uit de vraag van de medeverdachte aan de verdachte: “wil je hem dood hebben”, toen de verdachte meermalen op het gezicht van het slachtoffer trapte. De verdachte heeft hierop blijkens de verklaring van de medeverdachte onverschillig gereageerd.

Voorts heeft geen van de verdachten op enig moment geprobeerd een eind te maken aan het geweld dat door de ander werd uitgeoefend. Integendeel, zij hebben het slachtoffer gekneveld, bloedend, gedeeltelijk buiten bewustzijn en moeilijk ademend in een kast achtergelaten. De verdachten hebben de telefooninstallatie onklaar gemaakt en bij het verlaten van de bakkerij de deur op slot gedaan. Hierdoor hebben zij ervoor gezorgd dat het slachtoffer geen hulp zou kunnen inroepen. Door zo te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van hun handelingen zou komen te overlijden.

Hieraan doet niet af dat het slachtoffer mogelijk nog leefde toen de verdachte en zijn medeverdachte de bakkerij verlieten, nadat zij handelingen hadden verricht die erop gericht waren dat het slachtoffer derden niet kon waarschuwen. Uit deze omstandigheden kan immers niet worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte niet (langer) de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van hun handelingen zou komen te overlijden.

Ten aanzien van het onder parketnummer 10/640059-07 onder 4 en 5 en de onder parketnummer 10/643822-07 onder 1, 2 en 3 (de zaken Parklaan, Van Vollenhovenstraat, Van Walsumweg en Kastanjesingel) bewezen verklaarde feiten wordt in het bijzonder het volgende overwogen.

De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij die feiten zowel bij zijn verhoren door de politie als gedurende het onderzoek ter terechtzitting, steeds ontkend.

Naar het oordeel van de rechtbank evenwel, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Tegenover de ontkenning van de verdachte staan de voor hem belastende verklaringen van de medeverdachte. Deze heeft in iedere zaak afzonderlijk, gedetailleerd verklaard omtrent de rol die hijzelf en anderen bij het plegen van deze feiten hebben gehad. Hierbij heeft de medeverdachte zonder terughoudendheid over zijn eigen rol verklaard. In een aantal, maar niet in alle zaken waarbij, naast hijzelf ook één of meer anderen betrokken waren, heeft hij de verdachte als mededader aangewezen en over diens rol verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de verklaringen van de medeverdachte te twijfelen, nu hij geen enkel voordeel heeft bij het onjuist verklaren over de betrokkenheid van de verdachte bij de aan deze ten laste gelegde feiten. Daarbij komt dat de aan de verdachte ten laste gelegde feiten gepleegd zijn in een betrekkelijke korte periode gedurende welke de medeverdachte met de verdachte bevriend was en verdachte in die periode – met anderen – op pad pleegde te gaan om “geld te maken”.

De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de diefstal met geweld op 21 januari 2007 (Papegaaistraat) bekend. Verder heeft hij - eerst na herhaaldelijk ontkennen - zijn betrokkenheid bij de overval op de bakkerij toegegeven. Hij heeft – net zoals zijn medeverdachte – verklaard dat zij deze feiten hebben gepleegd omdat beiden geld nodig hadden.

De belastende verklaring van de medeverdachte in de zaak Parklaan vindt steun in de door de aangever opgegeven signalementen van de twee daders. Ter terechtzitting is gebleken dat de medeverdachte goed past in het signalement van ‘dader 2’ en dat de verdachte eveneens goed past in het signalement van ‘dader 1’.

Voorts toont de modus operandi van de door de verdachte ontkende feiten overeenkomsten met de overige - door de verdachte bekende - bewezen verklaarde feiten.

Vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de belastende verklaringen van de medeverdachte betrouwbaar zijn en dat aan de ontkenning van de verdachte geen geloof moet worden gehecht.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

10/640059-07

1 primair.

Medeplegen van doodslag, gevolgd en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

2.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

4.

De voortgezette handeling van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

5.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

10/643822-07

1.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

2.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

3.

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

TOEPASSING STRAFRECHT VOOR MEERDERJARIGEN

Ten tijde van het plegen van de thans bewezen verklaarde feiten was verdachte 17 jaar oud. In beginsel dient ten aanzien van hem het minderjarigenstrafrecht te worden toegepast. Op grond van het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht kan in de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, aanleiding worden gevonden het minderjarigenstrafrecht buiten toepassing te laten en het meerderjarigenstrafrecht toe te passen.

De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding om het sanctierecht voor volwassenen toe te passen. Hiertoe is het volgende van belang.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een serie ernstige delicten, waarbij het op de dagvaarding met parketnummer 10/640059-07 onder 1 bewezen verklaarde medeplegen van de gekwalificeerde doodslag in het bijzonder als een zeer ernstig delict wordt beschouwd. Het sanctiestelsel voor minderjarigen met een tot twee jaren beperkte duur van jeugddetentie en de tot zes jaren gemaximeerde PIJ-maatregel biedt een, uit oogpunt van vergelding en gezien de noodzaak van een, naar te verwachten is, langdurige behandeling van de verdachte, ontoereikende reactie. In zoverre bestaat reeds aanleiding het sanctierecht voor volwassenen toe te passen.

Ten aanzien van de persoonlijkheid van de verdachte wordt overwogen dat de verdachte imponeert als een meerderjarige. Hierbij heeft de rechtbank - naast het beeld dat de rechtbank ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen - in aanmerking genomen dat de verdachte tijdens zijn minderjarigheid een grote mate van zelfstandigheid bezat, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat de verdachte in afwezigheid van zijn ouders gedurende een periode van twee jaren gezorgd heeft voor zijn zusje en in hun beider levensonderhoud heeft voorzien. Ook in de daarna gelegen periode waarin de verdachte bij zijn oom respectievelijk zijn tante verbleef, gedroeg de verdachte zich ouder dan zijn kalenderleeftijd aangaf. Hij hield zich in deze periode veelal afzijdig van het gezinsleven en ging zijn eigen gang.

Ook in de persoonlijkheid van de verdachte ziet de rechtbank derhalve aanleiding het meerderjarigenstrafrecht toe te passen.

Overigens onderschrijft de rechtbank wel de hierna te noemen bevindingen van de deskundigen omtrent de bij de verdachte bestaande problematiek en de noodzaak tot behandeling daarvan. Dit neemt niet weg dat, zoals de rechtbank eerder overwoog, niet te verwachten is dat deze problematiek binnen de grenzen van het jeugdstrafrecht behandeld kan worden.

De omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd geven eveneens aanleiding het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. De verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten 17 jaren oud en heeft deze feiten gepleegd met één of meer meerderjarige medeverdachten. Ten opzichte van zijn meerderjarige medeverdachten heeft de verdachte geenszins een ondergeschikte rol vervuld maar een wezenlijke bijdrage geleverd aan het plegen van de feiten.

Genoemde omstandigheden, de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, leiden de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van de verdachte het meerderjarigenstrafrecht moet worden toegepast .

MOTIVERING STRAF EN MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag, één van de zwaarste delicten die de Nederlandse samenleving kent en dat in het Wetboek van Strafrecht wordt bedreigd met levenslange gevangenisstraf. Het slachtoffer, een man van 69 jaar, is in de vroege ochtend, terwijl hij bezig was met schoonmaakwerkzaamheden in zijn banketbakkerij, door de verdachte en zijn medeverdachte overvallen, waarbij het slachtoffer zeer ernstig is mishandeld. De beide verdachten hebben tenslotte hun slachtoffer, gewond en gekneveld, in hulpeloze toestand in een kast in de winkel achtergelaten. Kort na de overval is het slachtoffer overleden.

Met het plegen van dit feit hebben de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Aan hun zucht naar geld werd het leven van een ander welbewust opgeofferd. Zij hebben daardoor de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht.

Dit feit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaakt daarnaast, zoals de beroering die de overval heeft gewekt heeft aangetoond, gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving. Deze gevoelens worden nog eens versterkt doordat uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het strafdossier ten aanzien van de verdachte en zijn medeverdachte een beeld oprijst van twee meedogenloze jongemannen die, rondlopend in de stad, doelbewust op zoek waren naar een makkelijke en zwakke prooi.

In dit beeld passen de twee gewelddadige straatroven, waaraan de verdachte zich, samen met dezelfde medeverdachte, eveneens heeft schuldig gemaakt. De slachtoffers van deze berovingen werden door de verdachte en zijn medeverdachte onverhoeds vastgepakt, geslagen en geschopt.

De verdachten kozen - al dan niet bewust - minder weerbare personen als slachtoffer. Het slachtoffer van de overval in de banketbakkerij was een oudere man terwijl de slachtoffers van deze straatroven ’s-nachts alleen over straat liepen, één van hen bovendien in enigszins beschonken toestand.

Tenslotte hebben de verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal inbraken, één in een restaurant en één in een woning en aan de diefstal van twee personenauto’s, waarvan zij de sleutels uit die woning hadden weggenomen.

Met dit soort feiten wordt materiële schade toegebracht aan de benadeelden. Door woninginbraken wordt bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van burgers, hetgeen bij veel mensen een groot gevoel van onveiligheid veroorzaakt.

Op deze zeer ernstige feiten dient in ieder geval te worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur.

Uit het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 1 november 2007 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Deze omstandigheid en de jeugdige leeftijd van de verdachte worden door de rechtbank ten voordele van verdachte bij de afdoening van deze zaak betrokken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet met het opleggen van een gevangenisstraf kan worden volstaan. Voorkomen moet worden dat de verdachte, als hij weer op vrije voeten komt, zijn leven zoals hij dat in de periode waarin de thans bewezen verklaarde reeks delicten plaatsvond leidde, weer ongewijzigd oppakt. Dat de verdachte moet worden behandeld wordt door de deskundigen die over hem hebben gerapporteerd, unaniem geadviseerd.

Omtrent de verdachte zijn de navolgende rapporten uitgebracht:

- een tweetal rapporten opgemaakt door de GZ-psycholoog drs. K.T.E. Zászlós d.d. 10 september 2007 en 19 november 2007;

- een tweetal rapporten opgemaakt door de kinder- en jeugdpsychiater dr. M.J.M. Reusens d.d. 11 september 2007 en 19 november 2007;

- een voorlichtingsrapport namens Reclassering Nederland, opgemaakt door mevrouw W. Kuipers, reclasseringswerker, d.d. 14 november 2007;

- een drietal rapporten namens de Raad voor de Kinderbescherming, opgemaakt door de raadsonderzoeker mevrouw G. van Heusden, d.d. 23 maart 2007, 4 april 2007 en 8 januari 2008;

De rapporten van de GZ-psycholoog Zászlós houden, zakelijk weergegeven, in dat er bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis en een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Hiermee samenhangend vertoont de verdachte agressieregulatieproblemen, een egocentrische houding en een onrijp functionerend geweten. Aldus is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, ook ten tijde de thans bewezen verklaarde feiten. Deze gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

De verdachte kan ten tijde van de zaken Van der Heijden en Papegaaistraat, zaken die door de verdachte deels werden bekend, als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Wat betreft de kans op herhaling van nieuwe strafbare feiten laat de verdachte individuele risicofactoren zien, zoals zijn agressieregulatieproblemen, zijn egocentrisme en zijn lacunair functionerend geweten. Spijt en schuldgevoelens worden nauwelijks waargenomen. Voor zover deze worden aangetroffen, lijken dergelijke gevoelens samen te hangen met de negatieve gevolgen die het delictgedrag voor hemzelf hebben gehad. Sociale en contextuele risicofactoren zijn zijn omgang met delinquente jongeren, gebrek aan steun van volwassenen, zijn verblijf in een achterstandsbuurt, ervaren stress en geringe copingvaardigheden. Wat betreft historische risicofactoren is er sprake van vroege verstoringen in de verzorgingssituatie van de verdachte en crimineel gedrag van zijn moeder. Alle factoren overziend wordt de kans op herhaling van nieuwe strafbare feiten als groot geschat indien de verdachte geen behandeling krijgt geboden. Gezien de ernst van de delicten, de aard van de problematiek van de verdachte en het daarmee samenhangend gevaarsaspect voor de maatschappij en de grote kans op herhaling van soortgelijke of nieuwe strafbare feiten is het noodzakelijk - en wordt geadviseerd - om de verdachte te behandelen in een klinische instelling. De behandeling zou kunnen geschieden in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Gezien de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte wordt geadviseerd om het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

De rapporten van de kinder- en jeugdpsychiater Reusens houden, zakelijk weergegeven, in dat de verdachte een ernstige gedragsstoornis vertoont. Er zijn voorts aanwijzingen van een ontwikkeling van persoonlijkheidsproblematiek met antisociale kenmerken.

Er is, gezien de gedragsstoornis, sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Bij bewezenverklaring van de feiten dienen deze aan de verdachte in verminderde mate te worden toegerekend. De oordeels- en kritiekfuncties dienen immers als onvoldoende te worden aangemerkt als gevolg van de persoonlijkheidsproblematiek en het feit dat de verdachte chronisch overvraagd lijkt te zijn.

Het recidiverisico dient als groot te worden ingeschat. De verdachte komt naar voren als een jongen die emotioneel lijkt te verharden, een verstoorde agressieregulatie heeft, lacunaire gewetensfuncties vertoont, zich te weinig inleeft in anderen, nog teveel behoeftebevredigend te werk gaat en zich hierin teveel laat beïnvloeden door anderen.

Behandeling voor de verdachte is zeker geïndiceerd vanwege de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek, maar ook vanwege het grote recidiverisico en daarmee samenhangend het gevaar voor de maatschappelijke orde. Gezien de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek, het grote recidiverisico voor delicten met een agressief karakter en het feit dat er een causaal verband is tussen de persoonlijkheidsproblematiek en het plegen van delicten, wordt geadviseerd om de behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Geadviseerd wordt om de verdachte volgens minderjarigenstrafrecht te beoordelen.

Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 januari 2007 houdt, zakelijk weergegeven, in dat de kans op recidive als groot wordt ingeschat gezien de ontwikkelingsachterstand van de verdachte op sociaal-emotioneel, cognitief en fysiek gebied, zijn agressieproblematiek, het ontbreken van dagbesteding, het gebrek aan steun door volwassenen en zijn omgang met delinquente jongeren.

De verdachte zal een langdurige residentiële behandeling nodig hebben voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. Hierdoor is een PIJ-maatregel noodzakelijk, omdat deze de gelegenheid biedt een intensieve en lange termijnbehandeling te waarborgen, die zich kan richten op de problematiek van de verdachte. De verdachte heeft zeer dringend behandeling nodig.

Ook de reclasseringsmedewerker concludeert in haar rapport dat gezien het agressieve karakter van de strafbare feiten en de ernst van de gestelde persoonlijkheidsproblematiek een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geïndiceerd is.

Zoals eerder overwogen zal de rechtbank de deskundigen niet volgen in hun advies om het sanctierecht voor jeugdigen toe te passen zodat het advies tot het opleggen van een PIJ-maatregel evenmin zal worden gevolgd. Voor het overige neemt de rechtbank de bevindingen en conclusies met betrekking tot de geestvermogens, de persoonlijkheidsstructuur, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico uit de rapporten over en maakt die tot de hare.

Nu de thans bewezen verklaarde feiten behoren tot de in artikel 37a, eerste lid onder 1, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege vereisen, is de rechtbank, gezien de deskundigenrapporten en hetgeen de rechtbank omtrent die rapporten heeft overwogen, van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld met het bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank adviseert, gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte en de noodzaak van een zo snel mogelijk begin van de behandeling, en mede gelet op artikel 42, eerste lid, van de Penitentiaire Maatregel, om niet later dan nadat de verdachte een derde deel van de hem opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling een aanvang te doen nemen.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN

Vordering van [[benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], ter zake van feit 1 primair onder parketnummer 10/640035-07. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 12.824,81.

De bij de vordering als bijlage gevoegde factuur, welke factuur aan de vordering ten grondslag ligt, betreft een factuur begrafeniskosten van [begrafenisonderneming] d.d. 5 april 2007, gericht aan mevrouw [echtgenote slachtoffer]. [echtgenote slachtoffer] moet dus aangemerkt worden als de benadeelde partij in de zin van de wet.

Niet gebleken is dat de heer [benadeelde partij 1] gemachtigd is om de onderhavige vordering namens mevrouw [echtgenote slachtoffer] in te dienen zodat de vordering niet door of - met machtiging - namens de benadeelde zelf is ingediend. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de vordering, ondanks bijstand van Slachtofferhulp Nederland, formeel onjuist is ingediend, hetgeen de rechtbank belet de vordering toe te kunnen wijzen.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] zal dan ook moeten worden afgewezen.

Vordering [benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2], wonende te Rotterdam, ter zake van feit 2 onder parketnummer 10/640035-07. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 5.630,01.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 onder parketnummer 10/640035-07 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding, voor zover dit betreft de posten ‘tijdelijke vervanging voortand’ ad € 311,10 en ‘begroting voor implantaat’ ad € 3.961,06, de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering ten aanzien van die posten, een totaalbedrag van € 4.272,16, worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de overige posten is niet van zo eenvoudige aard, dat dit deel van de vordering zich leent voor behande¬ling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aange¬bracht.

De raadsman heeft ten aanzien van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht bepleit dat toepassing van die maatregel als onwenselijke moet worden gezien, nu vaststaat dat de verdachte niet binnen de termijn van artikel 561, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal kunnen voldoen aan zijn betalingsverplichting.

De gestelde (on)mogelijkheid tot executie van de toegewezen vordering maakt de beslissing van de rechtbank niet anders. De oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt dan ook passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 37a, 37b, 47, 57, 287, 288, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/640059-07 onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/640059-07 onder 1 primair, 2, 4 en 5 en de onder parketnummer 10/643822-07 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien (10) jaren;

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

- adviseert de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te doen aanvangen niet later dan nadat de veroordeelde een derde deel van de hem opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 4.272,16 (zegge: VIERDUIZEND TWEEHONDERDTWEEËNZEVENTIG EURO EN ZESTIEN EUROCENT) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwij¬ting aan [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], te betalen;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het overig gevorderde en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] te betalen € 4.272,16 (zegge: VIERDUIZEND TWEEHONDERDTWEEËNZEVENTIG EURO EN ZESTIEN EUROCENT), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfentachtig (85) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Klaveren, voorzitter,

en mrs. Soffers en Frankruijter, rechters,

in tegenwoordigheid van Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari 2008.

Bijlage bij vonnis van 25 januari 2008.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

10/640059-07

1.

(zaak Van der Heijden)

hij op of omstreeks 21 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of

meer van) zijn mededader(s) opzettelijk genoemde [slachtoffer]

- tegen de grond gewerkt en/of

- meermalen, althans eenmaal, bij de nek/hals beetgepakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, geslagen en/of

- in de buik, althans tegen het lichaam, geschopt en/of getrapt en/of

- in het gezicht geslagen en/of gestompt en/of

- (stevig) vastgehouden en/of

- (met plakband/tape) de voeten en/of de handen vastgebonden en/of

- een arm/de armen vastgebonden (met het snoer van een föhn) en/of

- een doek in de mond gestopt en/of gedrukt en/of

- plakband/tape om de mond en/of de nek en/of het hoofd gedaan en/of

- een hand voor en/of op de mond gehouden en/of

- naar de kast gesleept en/of

- in een kast heeft opgesloten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven

doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten diefstal van een horloge en/of een geldbedrag en/of een kluis en/of

een auto, Renault Clio gekentekend [kenteken], en welke doodslag werd gepleegd

met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of

aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het

wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

[SR 47/288]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een horloge en/of een geldbedrag en/of een kluis

en/of een auto, Renault Clio gekentekend [kenteken], in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen genoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad

aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tegen de grond werken en/of

- meermalen, althans eenmaal, bij de nek/hals beetpakken en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan en/of

- in de buik, althans tegen het lichaam, schoppen en/of trappen en/of

- in het gezicht slaan en/of stompen en/of

- (stevig) vasthouden en/of

- (met plakband/tape) de voeten en/of de handen vastbinden en/of

- een arm/de armen vastbinden (met het snoer van een föhn) en/of

- een doek in de mond stoppen en/of drukken en/of

- plakband/tape om de mond en/of de nek en/of het hoofd doen en/of

- een hand voor en/of op de mond houden en/of

- naar de kast slepen en/of

- in de kast opsluiten,

ten gevolge van welk feit genoemde [slachtoffer] is overleden;

[SR 47/312/3]

2.

(zaak Papegaaistraat)

hij op of omstreeks 21 januari 2007 te Rotterdam

op de openbare weg, de Papegaaistraat

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een mobiele telefoon en/of een portemonnee met inhoud (waaronder geld en/of

een bankpas en/of een toegangspas van TNT) en/of een horloge en/of een

sleutelbos, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

-die [slachtoffer] (onverhoeds) vastpakken en/of vasthouden, en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer] ten val brengen, en/of

-(terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of

stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer], en/of

-doorzoeken van de/een zak(ken) van die [slachtoffer], en/of

-pakken van de portemonnee en/of mobiele telefoon en/of sleutelbos uit de/een

zak(ken) van die [slachtoffer], en/of

-pakken van het horloge van een arm van die [slachtoffer];

(artikel 312 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

(zaak Westerstraat)

hij op of omstreeks 13 januari 2007 te Rotterdam

op de openbare weg, de Westerstraat, in elk geval op een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

portemonnee met inhoud (waaronder een rijbewijs en/of identiteitspapieren

en/of bankbescheiden) en/of een mobiele telefoon en/of huissleutels en/of

autosleutels en/of een auto (merk BMW, type 3ER, kenteken [kenteken]), in elk

geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij/slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

-(onverhoeds) (met kracht) die [slachtoffer] op/tegen het (achter)hoofd slaan

en/of stompen, en/of

-die [slachtoffer] ten val brengen, en/of

-die [slachtoffer] (met kracht) met het hoofd op/tegen de grond duwen, en/of

-doorzoeken van de/een zak(ken) van die [slachtoffer], en/of

-pakken van de portemonnee en/of mobiele telefoon en/of huissleutels en/of

autosleutels uit de zak(ken) van die [slachtoffer];

[SR 47/312]

4.

(zaak Parklaan)

hij op of omstreeks 01 februari 2007 te Rotterdam

op de openbare weg(en) de Parklaan en/of de Coolsingel, in elk geval op een

openbare weg, meermalen, althans eenmaal (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een portemonnee en/of een mobiele telefoon en/of geld (negenhonderdvijftig

euro of daaromtrent), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van geld (negenhonderdvijftig euro of daaromtrent), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

-die [slachtoffer (onverhoeds) vastpakken, en/of

-die [slachtoffer] een hand op de mond leggen, en/of

-die [slachtoffer] in het gezicht slaan en/of stompen, en/of

-doorzoeken van de zakken van die [slachtoffer], en/of

-pakken van de portemonnee en/of mobiele telefoon uit de zakken van die

[slachtoffer], en/of

-die [slachtoffer] (telkens) dwingen naar (een) pinautoma(a)t(en) te lopen/gaan,

en/of

-(telkens dicht) achter die [slachtoffer] gaan/blijven lopen en/of die [slachtoffer]

(telkens) in de rug duwen, en/of

-(telkens daarbij) die [slachtoffer] toevoegen van de woorden: "ik heb een

pistool" en/of "ik heb een mes" en/of "het is veel te weinig, loop naar een

pinautomaat" en/of "je kan je spullen terugkrijgen als je voor ons gaat

pinnen";

[SR 47/312/317]

5.

(zaak Van Vollenhovenstraat)

hij op of omstreeks 06 maart 2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een restaurant gelegen

aan de Van Vollenhovenstraat heeft weggenomen een slof sigaretten en/of drie

flessen (sterke) drank, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Restaurant [restaurant], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming, te weten

door via een (kapot) dakkraam voornoemd restaurant binnen te gaan;

[SR 310/311]

10/643822-07

1.

(zaak Van Walsumweg)

hij op of omstreeks 19 februari 2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan

de Burgemeester van Walsumweg heeft weggenomen een tas en/of een rijbewijs

en/of diverse passen en/of een laptop en/of een portemonnee, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming, te weten

door op/over het balkon van voornoemde woning te klimmen en/of (vervolgens)

voornoemde woning binnen te gaan;

[SR 311]

2.

(zaak Kastanjesingel)

hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2007 tot en met 14 februari

2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan

de Kastanjesingel heeft weggenomen autosleutels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming, te weten

door via een raam voornoemde woning binnen te gaan;

[SR 311]

3.

(zaak Kastanjesingel)

hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2007 tot en met 14 februari

2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

-een auto (Hyundai Atos-Prime, kleur geel, kenteken [kenteken]) en/of

-een auto (Peugeot 307, kleur blauw, kenteken [kenteken]),

in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te

weten door die auto('s) (telkens) met een sleutel, tot het gebruik waartoe

hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtig was/waren, in elk geval

een valse sleutel, te starten.

[SR 311]