Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BD0059

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
RIOOLR 06/3073-KRD
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6103, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De stacaravans en het toiletgebouw terecht afzonderlijk in de heffing van het rioolaansluitingsrecht betrokken.

De gemeente Dirksland heeft een differentiatie aangebracht in het tarief voor de rioolaansluiting, door voor rioolaansluitingen op kampeerterreinen een lager tarief te hanteren dan voor alle andere aansluitingen. Hiertoe heeft de gemeente redengevend geacht dat het genot van de rioolaansluiting op kampeerterreinen wettelijk wordt beperkt door de Wet op de Openluchtrecreatie, die de recreatieperiode beperkt van 15 maart tot en met 31 oktober. Het tarief voor aansluitingen op kampeerterreinen bedraagt omgerekend 7,5/12 van het tarief dat geldt voor alle andere aansluitingen, waar wel het gehele jaar gebruik van mag worden gemaakt. Niet kan worden gezegd dat de door de gemeente gekozen heffingsmaatstaven en de wijze waarop zij gebruik heeft gemaakt van de vrijheid het tarief van het rioolrecht te differentiëren, in strijd is met algemene rechtsbeginselen of leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en op het gelijkheidbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector bestuursrecht

meervoudige kamer

Reg.nr.: RIOOLR 06/3073-KRD

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

J.W. Kardux, wonende te Melissant, eiser,

gemachtigde mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dirksland, verweerder.

061073 061073

1 Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 10 maart 2006 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag rioolrechten (aanslagnummer 2006000003366.01) opgelegd ter zake van de aansluiting op de gemeentelijke riolering van 76 stacaravans en één toiletgebouw op het kampeerterrein X Elizabeth Hoeve te Melissant ten bedrage van in totaal € 11.111,87.

Tegen deze aanslag heeft eiser bij brief van 19 april 2006 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 juni 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 26 juli 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen

drs. H.T. van Oostenbrugge, heffingsambtenaar van de gemeente Dirksland.

2 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 216 van de Gemeentewet besluit de raad tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Ingevolge artikel 219, eerste lid, van de Gemeentewet, worden behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, van dit artikel kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar de in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

Ingevolge artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van:

het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn;

het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden onder de in het eerste lid bedoelde lasten mede verstaan:

a. bijdragen aan de bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;

b. de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

De raad van de gemeente Dirksland heeft bij besluit van 23 februari 2006 de Verordening op de heffing en invordering van rioolrechten (hierna: de Verordening) vastgesteld.

De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt:

(..);

c. onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak.

(..).

Artikel 2

Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam “rioolrechten” worden geheven:

a. een recht van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens

eigendom, bezit of beperkt recht van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten

op de gemeentelijke riolering;

b. een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op

de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerst lid onderdeel a, wordt, ingeval het

eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt

recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de

kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende

krachtens eigendom bezit of beperkt recht is.

Artikel 3

Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de rechten geheven terzake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt.

Artikel 4

Maatstaf van heffing

1. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt geheven per eigendom.

2. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven naar het aantal m3

afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd.

Artikel 5

Belastingtarieven

1. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdeel a, bedraagt:

a. voor aansluitingen op een kampeerterrein als bedoeld in de Wet Openluchtrecreatie per

eigendom € 144,31;

b. voor alle andere aansluitingen per eigendom € 230,90.

2. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdeel b, bedraagt voor elke volle eenheid

van 500 m3 afvalwater € 397,99.

3 Feiten welke als vaststaand worden aangenomen.

Eiser had gedurende het belastingjaar 2006 het genot krachtens eigendom van kampeerterrein X Elizabeth Hoeve aan de Noorddijk 8b te Melissant. Het kampeerterrein bestaat uit 76 standplaatsen voor stacaravans en een toiletgebouw en beschikt daarnaast over diverse toeristische kampeerplaatsen. De stacaravans en het toiletgebouw zijn indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering. Voor het jaar 2006 heeft verweerder aan eiser een aanslag rioolrechten opgelegd ter zake van de aansluiting op de gemeentelijke riolering van

76 stacaravans en één toiletgebouw ten bedrage van € 11.111,87. Verweerder heeft hierbij het tarief gehanteerd dat geldt voor aansluitingen op een kampeerterrein als bedoeld in de Wet Openluchtrecreatie, te weten € 144,31 per aansluiting.

4 Omschrijving van het geschil en de standpunten van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderwerpelijke aanslag terecht aan eiser is opgelegd.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de aanslag in geen verhouding staat tot het feitelijk gebruik van de gemeentelijke riolering en dat de aanslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door het verzorgingstehuis Geldershof - anders dan het kampeerterrein X Elizabeth Hoeve - wel te belasten als één grootverbruiker in plaats van alle individuele bewoners afzonderlijk te belasten, terwijl in beide gevallen het afvalwater binnen de inrichting naar één verzamelput wordt getransponeerd en vervolgens vandaar met behulp van een leiding in het gemeentelijke rioolstelsel wordt geloosd.

Eiser heeft er in dit verband nog op gewezen dat nutsbedrijf Delta N.V. hem wel als grootverbruiker beschouwt. Concluderend is eiser van opvatting dat de bepalingen in de Verordening waarop de bestreden aanslag is gebaseerd, in zoverre onverbindend zijn.

Verweerder heeft aangevoerd dat het belastbare feit is het hebben van een directe of indirecte aansluiting op de gemeentelijke riolering en dat de mate van gebruik van het gemeentelijke rioolstelsel derhalve niet terzake doet. Het waterverbruik is alleen leidend bij zogeheten grootverbruikers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening, die zowel een eigenarenheffing per eigendom betalen ten bedrage van € 230,90 (of € 144,31), als voor elke volle eenheid van 500 m3 afvalwater € 397,99. In eisers geval is echter sprake van een verzameling zelfstandige, afzonderlijk afsluitbare gehelen, die ieder apart in de heffing zijn betrokken. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat het verzorgingstehuis Geldershof geen gelijk geval betreft, aangezien dit één bijzonder woonobject is, waarbij de zorgtaak voorop staat. Het zorgcentrum wordt bewoond door personen die verzorging nodig hebben en niet zelfstandig zijn. Het verplegend personeel moet dan ook te allen tijde bij de bewoners op de kamers kunnen komen. Deze kamers zijn derhalve niet bestemd om als afzonderlijke gehelen te worden gebruikt. Ten slotte heeft verweerder er op gewezen dat de stacaravans op het kampeerterrein Y Johanna Hoeve wel vergelijkbaar zijn met die van eiser, en dat de eigenaar hiervan op dezelfde wijze is belast als eiser.

4 Beoordeling

Zoals de Hoge Raad in zijn arresten van 25 oktober 2002, LJN: AD8499, BNB 2003/8, en van 23 december 2005, LJN: AR7771, BB 2006/97, heeft overwogen, kunnen gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet en de daarop door de wetgever gegeven toelichting, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingsverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hen vrij die heffingsmaatstaven op nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing. Daarbij gelden als randvoorwaarden dat de gemaakte keuze niet in strijd mag komen met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, en dat de heffing niet mag leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot het instellen van de desbetreffende heffing niet voor ogen kan hebben geacht.

In het onderhavige geval heeft de gemeente Dirksland toegelicht dat het bij het rioolaansluitingsrecht gaat om het in de heffing betrekken van het genot dat de zakelijk gerechtigde tot een onroerende zaak ontleent aan de aanwezigheid van een aansluiting op de gemeentelijke riolering doordat die aansluiting de gebruikswaarde van de onroerende zaak verhoogt. Het strookt met het karakter van een dergelijke retributie dat geheven wordt naar een vast bedrag per onroerende zaak en zelfs per gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, nu ten aanzien van elk zodanig gedeelte geldt dat de gebruikswaarde ervan wordt verhoogd door de aanwezigheid van een aansluiting op de riolering. De gemeente heeft een differentiatie aangebracht in het tarief voor de rioolaansluiting, door voor rioolaansluitingen op kampeerterreinen een lager tarief te hanteren dan voor alle andere aansluitingen.

Hiertoe heeft de gemeente redengevend geacht dat het genot van de rioolaansluiting op kampeerterreinen wettelijk wordt beperkt door de Wet op de Openluchtrecreatie, die de recreatieperiode beperkt van 15 maart tot en met 31 oktober. Het tarief voor aansluitingen op kampeerterreinen bedraagt omgerekend 7,5/12 van het tarief dat geldt voor alle andere aansluitingen, waar wel het gehele jaar gebruik van mag worden gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de door de gemeente Dirksland gekozen heffingsmaatstaven en de wijze waarop zij gebruik heeft gemaakt van de vrijheid het tarief van het rioolrecht te differentiëren, in strijd is met algemene rechtsbeginselen of leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

Nu de feiten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toelaten dan dat de stacaravans en het toiletgebouw moeten worden aangemerkt als gedeelten van een eigendom die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de Verordening, heeft verweerder de stacaravans en het toiletgebouw terecht afzonderlijk in de heffing betrokken.

Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt reeds omdat de gestelde onevenredigheid ziet op het feitelijk gebruik van de gemeentelijke riolering, terwijl dit niet de maatstaf is waarnaar de eigenarenheffing wordt geheven. Het stond de gemeente vrij om de hoogte van deze heffing te baseren op een vast bedrag per eigendom.

Eisers beroep op het gelijkheidbeginsel faalt eveneens omdat afzonderlijke stacaravans op een kampeerterrein en afzonderlijke kamers in een verzorgingstehuis niet als feitelijk en rechtens gelijke gevallen in de zin van de Verordening kunnen worden aangemerkt.

Het verzorgingstehuis is immers één eigendom, met achter de gezamenlijke voordeur diverse kamers, die worden bewoond door personen die niet langer zelfstandig kunnen wonen omdat ze allen verzorging nodig hebben. In verband met deze zorgtaak heeft het verzorgend personeel dan ook te allen tijde toegang tot deze kamers. Gelet hierop zijn de kamers in het verzorgingstehuis blijkens hun indeling niet bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onderwerpelijke aanslag terecht aan eiser is opgelegd.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5 Beslissing

De rechtbank,

rechtdoende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R. Kruisdijk als voorzitter en mr. A.W. Schep en mr. J. Bergen als leden, en door de voorzitter en mr. M.C. Woudstra als griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

de griffier is verhinderd te tekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 7 augustus 2007.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.