Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BD0048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
VORHEF 06/496-KRD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kop:

Ondanks het ontbreken van differentiatie in de forfaitaire systematiek van de verontreinigingsheffing is er geen sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing.

Samenvatting:

Artikel 18 van de Verordening verontreinigingsheffing, waarin is bepaald dat de vervuilingswaarde van een woning op ten hoogste 3 vervuilingseenheden en die van een woonruimte die door één persoon wordt gebruikt op aanvraag van de gebruiker, op 1 vervuilingseenheid wordt vastgesteld, is gebaseerd op artikel 21, eerste lid, van de Wet.

De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis om verschillende redenen - waaronder de hoge uitvoeringskosten - afgezien van een heffing op basis van de feitelijke woningbezetting.

Niet kan worden gezegd dat de gemeentelijke regelgever met artikel 18 van de Verordening zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. Aan de in die bepaling neergelegde forfaitaire systematiek van de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren voor woonruimten ligt een redelijke en objectieve rechtvaardiging ten grondslag. Er is geen sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector bestuursrecht

meervoudige kamer

Reg.nr.: VORHEF 06/496-KRD

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

H. Teekens, wonende te Waddinxveen, eiser,

en

de heffingsambtenaar van het waterschap Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verweerder.

06496 06496

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 met dagtekening 29 april 2005 een aanslag (aanslagnummer 50069585) verontreinigingsheffing oppervlaktewaterenoppervlaktewateren opgelegd ter zake van de onroerende zaak De Visserhoeve 6 te Waddinxveen.

Tegen deze aanslag heeft eiser bij brief van 5 mei 2005 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 december 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen door middel van een op 9 januari 2006 ingevuld formulier bezwaar gemaakt bij verweerder.

Verweerder heeft bij brief van 24 januari 2006 de aanslag gehandhaafd.

Tegen deze brief heeft eiser bij brief van 2 februari 2006, ontvangen op 3 februari 2006, beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen M.H. Koster.

2 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 110 van de Waterschapswet besluit het algemeen bestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Ingevolge artikel 123, tweede lid, van de Waterschapswet, voor zover hier van belang, geschieden de heffing en invordering van waterschapsbelastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet op de Verontreinigingsheffing oppervlaktewateren (hierna: Wet) is een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan of voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Wet wordt, in afwijking van artikel 20, eerste lid, de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op een gelijk aantal vervuilingseenheden per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal ten hoogste drie bedraagt. De vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één vervuilingseenheid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening verontreinigingsheffing Schieland en Krimpenerwaad 2005 (hierna: Verordening) wordt onder de naam “verontreinigingheffing”, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreinigingen van oppervlaktewateren, een directe belasting geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor het waterschap bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij het waterschap in beheer is.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Verordening is de vervuilingswaarde van een woning ten hoogste 3 vervuilingseenheden, met dien verstande dat voor een woonruimte die door één persoon wordt gebruikt op aanvraag van de gebruiker, de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 20 van de Verordening bedraagt het tarief per vervuilingseenheid € 52,07.

3 Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Eiser bewoont samen met één andere persoon het pand aan De Visserhoeve 6 te Waddinxveen. Met betrekking tot het jaar 2005 is eiser voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren aangeslagen naar een forfaitaire vervuilingswaarde van drie vervuilingseenheden.

4 Het geschil en de standpunten van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag verontreinigingsheffing naar een juiste grondslag is opgelegd.

Eiser heeft primair betoogd dat verweerder niet is ingegaan op punt 2 en 3 van zijn bezwaarschrift. Voorts is eiser van opvatting dat de aanslag niet op rechtvaardige wijze is vastgesteld omdat hij voor drie vervuilingseenheden in plaats van twee vervuilingseenheden is aangeslagen. Volgens eiser is sprake van een kennelijke onredelijkheid omdat eenpersoonshuishoudens wel voor één vervuilingseenheid worden aangeslagen, maar tweepersoonshuishoudens niet voor twee vervuilingseenheden, dit terwijl het waterverbruik van tweepersoonshuishoudens aantoonbaar lager is dan dat van huishoudens met drie of meer personen. Eiser bepleit dan ook een heffing naar rato van het waterverbruik, omdat zo het meeste recht wordt gedaan aan het beginsel dat de grootste vervuiler het meeste dient te betalen.

Verweerder stelt daartegenover dat artikel 21, eerste lid, van de Wet een imperatief karakter heeft en dat het de regionale kwaliteitsbeheerder niet is toegestaan om in een eigen Verordening een andere regeling op te nemen. Door deze wettelijke regeling kan derhalve niet meer worden toegekomen aan de discussie of het redelijk is dat voor een woonruimte die wordt bewoond door twee personen evenveel moet worden betaald als voor een woonruimte die wordt bewoond door drie of meer personen. De forfaitaire benadering zoals die door de wetgever is gekozen kan nu eenmaal tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen ongelijke gevallen gelijk worden behandeld.

5 Beoordeling

De rechtbank overweegt dat het beroep van eiser is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 31 december 2005.

Artikel 18 van de Verordening is gebaseerd op artikel 21, eerste lid, van de Wet, waarin als uitgangspunt is neergelegd dat voor woonruimten de vervuilingswaarde wordt gesteld op een gelijk aantal vervuilingseenheden per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal ten hoogste drie bedraagt. Met ingang van 1 januari 1989 is dit uitgangspunt in zoverre genuanceerd dat voor een woonruimte die wordt bewoond door één persoon, de vervuilingswaarde wordt gesteld op één vervuilingseenheid. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor dit forfaitaire systeem gekozen uit doelmatigheidsoverwegingen. Om die reden heeft de wetgever afgezien van een verdere differentiatie of een heffing op basis van meting en bemonstering van het afvalwater. Voorts heeft de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis om verschillende redenen - waaronder de hoge uitvoeringskosten - afgezien van een heffing naar het waterverbruik dan wel op basis van de feitelijke woningbezetting.

Naar het oordeel van de rechtbank spoort artikel 18 van de Verordening, gelet op de tekst van deze bepaling, geheel met artikel 21, eerste lid, van de Wet. Derhalve kan niet worden gezegd dat de betrokken gemeentelijke regelgever met die bepaling zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er, gelet op het hiervoor overwogene, een redelijke en objectieve rechtvaardiging ten grondslag ligt aan de in die bepaling neergelegde forfaitaire systematiek van de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren voor woonruimten.

Ondanks het ontbreken van de door eiser bepleite differentiatie is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Van een motiveringsgebrek is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake, nu eiser zijn ‘bezwaarschrift’ van 9 januari 2006 eerst na de uitspraak op bezwaar heeft opgsteld. Verweerder kon uit de aard van de zaak met die bezwaren geen rekening meer houden.

Voor zover in artikel 18 van de Verordening is vermeld dat de vervuilingswaarde van een woonruimte ten hoogste drie bedraagt, heeft de gemachtigde van verweerder genoegzaam aangetoond dat dit een kennelijke verschrijving betreft, en dat beoogd is te bepalen dat indien en voorzover de woonruimte door meer dan één persoon wordt bewoond, het forfait altijd drie vervuilingseenheden bedraagt.

Niet in geschil is dat het pand De Visserhoeve 6 te Waddinxveenåå een woonruimte is, die door meer dan één persoon wordt gebruikt. Gelet hierop is de aanslag terecht naar een vervuilingswaarde van drie vervuilingseenheden opgelegd. Dat het waterverbruik in de woning beperkt blijft tot 81 m3 per jaar kan in dit kader geen rol spelen.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank,

rechtdoende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R. Kruisdijk, voorzitter, en mr. A.W. Schep en mr. J. Bergen, leden, en door de voorzitter en mr. M.C. Woudstra, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

De griffier is verhinderd te tekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 7 augustus 2007.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.