Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC7153

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
793452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een administratief medewerker krijgt van haar werkgever een andere functie aangeboden, nadat zij arbeidsongeschikt is geweest en zich, nadat zij weer gedeeltelijk aan het werk was gegaan, opnieuw voor 100% ziek heeft gemeld. De andere functie bestaat uit het invoeren van gegevens. De werkplek was een andere locatie dan de gewone werkplek van werkneemster. De werkneemster achtte de vervangende functie niet passen, zowel wat betreft de inhoud als de plaats van tewerkstelling. De werkgever heeft haar vervolgens een diensopdracht gegeven om alsnog de werkzaamheden in die andere locatie te verrichten. De werkneemster heeft dit geweigerd. Wèl heeft zij zich bereid verklaard om haar "eigen" werkzaamheden te verrichten of een andere passende functie te vervullen. Werkneemster vordert betaling van loon over de periode dat zij de vervangende werkzaamheden had moeten verrichten.

De kantonrechter oordeelt dat de vervangende functie die de werkgever had aangeboden passend was. Nu de werkneemster heeft geweigerd om de werkzaamheden in die functie te verrichten, is er geen grond om werkgever te veroordelen tot betaling van loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

VONNIS IN KORT GEDING VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 30 maart 2007,

gemachtigde: mr. A.E.E. Vollebregt,

tegen

de stichting STICHTING HOGER ONDERWIJS NEDERLAND,

mede optredend onder de naam Inholland,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.J. Wiebosch.

Partijen worden hierna “[eiseres]” en “Inholland” genoemd.

Het verloop van de procedure

[eiseres] heeft overeenkomstig de dagvaarding en onder overlegging van stukken gevorderd,

bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Inholland te veroordelen:

A. tot betaling van het achterstallig salaris ad € 2.253,49 bruto over februari 2007 en het

volledige salaris over toekomstige salaristermijnen, een en ander te verhogen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6:119 e.v. BW,

vanaf de eerste dag van opeisbaarheid tot en met de dag van algehele voldoening;

B. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van Inholland in de kosten van deze procedure.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2007, tegelijkertijd met die in het eveneens bij de sector kanton van deze rechtbank tussen partijen aanhangige verzoek ex artikel 7:685 BW met zaaknummer 793618/07, waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan. Ook de inhoud van de in die zaak gewisselde processtukken moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

De gemachtigden van beide partijen hebben zich bediend van pleitaantekeningen.

De uitspraak is aanvankelijk bepaald op 26 april 2007 en nader op heden.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - voor zover thans van belang - het volgende vast:

1. [eiseres] is op 1 januari 2001 voor bepaalde tijd bij Inholland in dienst getreden als administratief medewerker 2. Per 12 april 2002 is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voortgezet. Het salaris bedraagt laatstelijk € 2.253,49 bruto per maand.

2. Op 11 april 2005 is [eiseres] arbeidsongeschikt geworden. Vanaf mei 2005 zijn pogingen in het werk gesteld om te komen tot re-integratie van [eiseres], waarbij sprake was van een stapsgewijze opbouw van het aantal uren dat zij weer ging werken. Die opbouw is meermalen moeten worden bijgesteld doordat [eiseres] zich weer volledig ziek meldde. Tot volledige werkhervatting is het niet gekomen.

3. [eiseres] heeft op 26 januari 2007 het spreekuur van drs. A. Qureshi, bedrijfsarts van Ardyn arbo & advies, bezocht. Aan diens spreekuurrapportage d.d. 26 januari 2007 wordt het volgende ontleend:

“(…) Ik heb uw medewerkster vandaag op het spreekuur gesproken. Uit het gesprek kan ik de conclusie trekken dat ik uw medewerkster niet medisch arbeidsongeschikt acht voor werkhervatting. Ik kan echter géén werkhervattingsadvies geven door de heersende bedorven arbeidsverhoudingen.

Hiervoor zullen beide partijen, u en uw medewerkster, tot een oplossing moeten werken. Om tot deze oplossing te komen, wil ik u op de mogelijkheid van (exit) mediation wijzen. (…)”.

4. Tijdens een gesprek tussen partijen op 7 februari 2007 heeft Inholland aan [eiseres] aangeboden in het kader van haar re-integratie werkzaamheden, bestaande in het intikken van gegevens in een CRM systeem in Haarlem of Den Haag, te verrichten.

5. In een reactie heeft de gemachtigde van [eiseres] bij schrijven van 8 februari 2007 dit voorstel geduid als slechts een formeel voorstel dat niet kan worden gezien als een serieus voorstel om te komen tot passend werk voor [eiseres].

6. Bij brief, eveneens van 8 februari 2007, heeft Inholland aan Wijck het volgende bericht:

“(…) Refererend aan de afspraken gemaakt op woensdag 7 februari jl. in bijzijn van uw raadsman hebben wij helaas moeten constateren dat u vandaag niet bent verschenen op het werk om te hervatten zonder gegronde redenen. Hierdoor maakt u zich schuldig aan plichtsverzuim ondanks de afspraken die zijn gemaakt en de mogelijkheden en faciliteiten die worden geboden voor werkhervatting.

Derhalve sommeren wij u voor een laatste keer in de vorm van een dienstopdracht om maandag 12 februari a.s. uw werkzaamheden te hervatten in Den Haag. (…)

Indien u niet aan deze dienstopdracht gehoor geeft gaat de werkgever over tot stopzetten van de salarisuitbetaling conform het principe geen arbeid geen loon zoals opgenomen in het arbeidsrecht. (…)”.

7. Bij brief van 12 februari 2007 bericht Inholland de gemachtigde van [eiseres] onder meer

het volgende:

“(…) In uw schrijven geeft u aan dat ons voorstel tot werkhervatting niet gezien kan worden als een serieus voorstel om te komen tot passend werk voor mevrouw [eiseres]. Voor de goede orde wil ik aangeven dat mevrouw [eiseres] een aanstelling heeft als administratief medewerkster 2. De voorgestelde werkzaamheden passen volledig binnen het functieprofiel van mevrouw [eiseres]. (…) In mijn mail d.d. 7 februari 2007 heb ik aangegeven dat re-integratie kan plaatsvinden op onze locatie Den Haag met een vaste werkplek en duidelijke omschrijving van haar werkzaamheden. Daarbij is ook aangegeven dat er wekelijks een voortgangsgesprek zal plaatsvinden met de heer Van den Bosch. Bij het vaststellen van de werktijden is rekening gehouden met mogelijk extra reistijd en een werkweek van 32 uur. Nu volledig herstel aan de orde is, zou dit uiteindelijk maximaal 5 dagen van 8 uur moeten zijn. (…) Op 12 februari 2007 is het deskundigenoordeel uitgebracht. Zonder verder in te willen gaan op de uiteindelijke conclusie meen ik wel te kunnen stellen dat het in het belang van mevrouw [eiseres] is, indien u haar zou adviseren om de werkzaamheden conform mijn vorstel te hervatten. Indien daarna mediation noodzakelijk mocht zijn om tot een, in de ogen van mevrouw [eiseres], betere arbeidsverhouding te komen, dan zullen wij daaraan onze medewerking verlenen. (…)”.

8. Op 12 februari 2007 heeft [eiseres] de werkzaamheden niet hervat, waarna Inholland is overgegaan tot het stopzetten van het betalen van het loon aan [eiseres], hetgeen bij brief van 15 februari 2007 door Inholland is bericht aan de gemachtigde van [eiseres].

9. Naar aanleiding van een verzoek van [eiseres] om een deskundigenoordeel omtrent de

re-integratieinspanningen van Inholland heeft een deskundige van het UWV op 7 februari 2007 het volgende geoordeeld:

“Op grond van de resultaten van ons onderzoek zijn wij van oordeel dat uw werkgever ten behoeve van u niet voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht”.

10. Het UWV heeft op 20 februari 2007 naar aanleiding van een verzoek van [eiseres] om een deskundigenoordeel omtrent haar ongeschiktheid tot werken op 25 januari 2007 het volgende geoordeeld:

“Op grond van de resultaten van ons onderzoek zijn wij van oordeel dat U volledig arbeidsgeschikt bent voor het verrichten van het eigen werk als studiebegeleider, maar bij een andere werkgever”.

De stellingen van partijen:

Aan de vordering heeft [eiseres] naast de genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

Het re-integratietraject is vanaf het begin stroef verlopen. Veel was onduidelijk of niet goed geregeld. [eiseres] had onder meer geen vaste werkplek. Op 13 juli 2006 heeft Inholland [eiseres] een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedaan, inhoudende dat [eiseres] gedurende zes maanden een outplacementtraject zal volgen, waarna de arbeids-overeenkomst op basis van wederzijds goedvinden beëindigd zou worden, ongeacht de vraag of [eiseres] ook daadwerkelijk een nieuw betrekking zou hebben gevonden. Dit voorstel, dat voor [eiseres] niet aanvaardbaar is omdat zij geen aanspraak zou kunnen maken op een werkloos-heidsuitkering indien zij geen andere baan zou vinden, wordt tijdens de gesprekken op 18 december 2006 en 7 februari 2007 herhaald.

Na de werkhervatting op 2 januari 2007 blijkt wederom dat door Inholland veel zaken niet worden nagekomen. Uiteindelijk is op 17 januari 2007 voor [eiseres] de koek op en meldt zij zich weer volledig arbeidsongeschikt. Nog voor [eiseres] zich tot de bedrijfsarts kan wenden, zendt Inholland haar een aangetekende brief met de sommatie de werkzaamheden te hervatten. Op 25 januari 2007, nog voor het advies van de bedrijfsarts daags nadien, moet [eiseres] bij Inholland op gesprek komen.

Blijkens de brief van Inholland van 8 februari 2007, verzonden naar aanleiding van het gesprek dat daags tevoren plaats had, stuurt Inholland, in plaats van te zoeken naar een oplossing als geadviseerd door de bedrijfsarts (mediation en geen werkhervatting) aan op gedwongen werkhervatting. Ondanks het oordeel van het UWV over de re-integratieinspanningen van Inholland en het oordeel van de bedrijfsarts blijft Inholland halsstarrig vasthouden aan een gedwongen werkhervatting door [eiseres] in de door haar als niet passend gekwalificeerde werkzaamheden. Niet alleen niet passend qua inhoud maar ook qua plaats van tewerkstelling (Haarlem of Den Haag in plaats van Rotterdam), terwijl mediation eerst na werkhervatting zou kunnen plaatsvinden.

Over februari 2007 heeft [eiseres] geen salaris meer van Inholland mogen ontvangen. [eiseres] gaat ervan uit dat Inholland de betaling van het salaris heeft stopgezet onder het motto “geen arbeid, geen loon”, maar [eiseres] betwist de validiteit van dit argument. Krachtens artikel 7:628 BW behoudt een werknemer ook bij het niet verrichten van de arbeid het recht op loon indien het niet verrichten van de arbeid voor risico van de werkgever komt. Van dit laatste is hier sprake, want het is Inholland die de werkhervatting en re-integratie van [eiseres] frustreert.

Inholland heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd:

Vanaf mei 2005 zijn pogingen in het werk gesteld om te komen tot re-integratie van [eiseres], waarbij sprake was van een stapsgewijze opbouw van het aantal uren dat zij weer ging werken. Die opbouw is meermalen bijgesteld doordat [eiseres] zich weer volledig ziek meldde. Op 24 mei 2006 is [eiseres] met ingang van 30 juni 2006 volledig hersteld verklaard. Zij heeft haar werkzaamheden op 30 juni 2006 wederom niet volledig hervat. Per 23 augustus 2006 heeft [eiseres] zich in overleg met de bedrijfsarts voor 50% ziek gemeld onder de gelijktijdige start van een nieuw reïntegratieschema. In een gesprek op 18 december 2006 gaf [eiseres] te kennen niet meer bij Inholland te willen werken. Naar aanleiding hiervan heeft Inholland haar nogmaals de optie van outplacement voorgehouden. [eiseres] wenste hierop echter niet in te gaan. Inholland heeft vervolgens te kennen gegeven [eiseres] in dat geval per 2 januari 2007 voor

0,6 fte met werkzaamheden te zullen belasten. Op 15 januari 2007 is [eiseres] zonder opgave van redenen naar huis vertrokken en zij is nadien niet meer op het werk teruggekeerd. In plaats daarvan heeft zij zich op 17 januari 2007 wederom ziek gemeld, welke ziekmelding Inholland niet heeft willen accepteren nu [eiseres] al zeer geruime tijd arbeidsgeschikt moest worden geacht. Tijdens een gesprek op 25 januari 2007 heeft Inholland aan [eiseres] te kennen gegeven haar

- impliciete - weigering haar werkzaamheden vanaf 17 januari 2007 te verrichten te zullen aanmerken als grond voor salarisopschorting vanaf diezelfde datum. In een gesprek op 7 februari 2007 heeft Inholland nogmaals getracht door overleg te geraken tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en toen dit niet lukte aan [eiseres] voorgesteld haar werkzaamheden te hervatten in aangepaste werkzaamheden en op een andere locatie. Nadat [eiseres] niet op de voorgestelde werkplek was verschenen heeft Inholland haar bij brief van 8 februari 2007 een dienstopdracht verstrekt om op 12 februari 2007 op het werk op de voorgestelde locatie te verschijnen met de aankondiging van weigering als plichtsverzuim zou worden aangemerkt. [eiseres] gaf echter te kennen de voorgestelde werkzaamheden niet te beschouwen als een serieus voorstel voor het verrichten van passende werkzaamheden. Omdat [eiseres] de aangeboden of de eigen werkzaamheden ook nadien niet heeft willen hervatten, heeft Inholland de loonbetaling gestaakt per 15 februari 2007.

De beoordeling van het geschil

In dit kort geding staat uitsluitend ter beoordeling of Inholland gehouden is aan [eiseres] het loon door te betalen vanaf februari 2007 dan wel gerechtigd is de loonbetalingen te staken.

Het beginsel “geen arbeid, geen loon” is verankerd in artikel 7:627 BW, dat bepaalt dat geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. Dit artikel moet hier in samenhang worden gelezen met de artikelen 7:628 en 7:629 BW. Laatstgenoemd artikel geeft de werknemer aanspraak op loon tijdens ziekte. Dit artikel mist hier toepassing nu [eiseres] door de bedrijfsarts én door het UWV volledig arbeidsgeschikt is geoordeeld. Artikel 7:628 BW geeft de werknemer aanspraak op loon indien hij de overeen-gekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Dit artikel ziet niet alleen op de bereidheid om de bedongen werkzaamheden te verrichten, maar ook op het verrichten van andere, passende arbeid (vgl. bijv. de toelichting door mr. J.M. van Slooten in Tekst en Commentaar Arbeidsrecht, 4e dr., blz. 35).

Op dit punt spitst het debat tussen partijen zich toe: [eiseres] heeft zich wel bereid verklaard om de eigen en om andere, passende arbeid te verrichten, maar meent dat de haar laatstelijk aangeboden arbeid niet als passend kan worden aangemerkt, qua inhoud en qua plaats van tewerkstelling.

[eiseres] is niet heel duidelijk in haar kritiek op de inhoud van de haar laatstelijk aangeboden werkzaamheden. Aangenomen al dat het eenvoudige administratieve werkzaamheden betreft van een lager niveau dan de werkzaamheden waarmee zij voorheen belast was (de “overeen-gekomen arbeid”), gaat het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter tegen de achter-grond van de langdurige (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [eiseres], de eerdere

re-integratiepogingen, de verwachting dat het de bedoeling is geweest om [eiseres] slechts tijdelijk met bedoelde werkzaamheden te belasten en de omstandigheid dat een werkgever er niet mee hoeft in te stemmen dat een volledig arbeidsgeschikte werknemer in het geheel geen werkzaamheden verricht, niet om werkzaamheden die in de gegeven omstandigheden qua inhoud zonder meer niet als passend kunnen worden aangemerkt, enkel en alleen omdat zij van een lager niveau zijn.

Ook beoordeeld naar de overige facetten, zoals afstand van de woonplaats of de standplaats en reistijd, is er geen aanleiding de aangeboden werkzaamheden zonder meer als niet-passend aan te merken, omdat met de nadelen van het verder weg van de woonplaats werken door Inholland in voldoende mate rekening is gehouden door een aanpassing van de werktijden.

Aan dit voorlopig oordeel doet niet af, dat de deskundige van het UWV heeft geoordeeld dat [eiseres] volledig arbeidsgeschikt is te achten voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden bij een andere werkgever dan Inholland, omdat [eiseres] op een andere locatie dan die waar zij voorheen werkte de kans kreeg om met een schone lei te beginnen, hetgeen het bezwaar van de deskundige van het UWV en van de bedrijfsarts tegen werkhervatting toch in elk geval in potentie elimineerde of minimaliseerde. Daarnaast behelsde het voorstel van Inholland tevens de toezegging dat [eiseres] in Den Haag een vaste werkplek en duidelijke werkafspraken kon verwachten, waarmee de bezwaren van [eiseres], daarin gesteund door de deskundige van het UWV, tegen de wijze waarop Inholland zich voordien van haar re-integratieverplichtingen jegens [eiseres] had gekweten, naar verwachting zouden worden weggenomen.

Het voorlopig oordeel van de kantonrechter luidt op vorenstaande gronden dan ook dat [eiseres] het voorstel van Inholland in redelijkheid niet had mogen weigeren. Dat zij zulks wel heeft gedaan en geen arbeid heeft verricht betreft in de gegeven omstandigheden een omstandigheid die niet voor rekening van Inholland behoort te komen. Het stond Inholland dan ook vrij de betaling van het loon te staken met ingang van 15 februari 2007, de dag waartegen [eiseres] is gesommeerd om haar werkzaamheden te hervatten.

Niet aannemelijk is dat een met de thans gevraagde voorlopige voorziening overeenstemmende vordering van [eiseres], voor zover betrekking hebbend op doorbetaling van loon vanaf 15 februari 2007, in een bodemgeschil zal worden toegewezen. De gevraagde voorzieningen worden in zoverre dan ook geweigerd. Wel zal Inholland thans worden veroordeeld tot betaling van het loon over de periode van 1 tot 15 februari 2007, alsmede tot betaling van buiten-gerechtelijke kosten ad € 150,--.

[eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt Inholland om aan [eiseres] te betalen het salaris over het tijdvak van 1 tot 15 februari 2007, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan die van de algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 150,-- aan buitengerechtelijke kosten;

weigert voor het overige de gevraagde voorlopige voorzieningen;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van Inholland vastgesteld op € 200,-- aan salaris van de gemachtigde;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.