Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC4213

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
222508 / HA ZA 04-2297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Bewijs dat er sprake is van dwaling en dat overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, is niet geleverd. Uit bewijs volgt wel dat wil en verklaring niet met elkaar overeenstemden. Partijen dienen zich bij akte uit te laten over het gerechtvaardigd vertrouwen nu dat nog geen punt van debat is geweest.

vervolg zie LJN: BC4268

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 222508 / HA ZA 04-2297

Uitspraak: 28 maart 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADT SECURITY SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. H.E. Schweers,

- tegen -

[gedaagde], h.o.d.n. “Shoarmaland & Snacks”,

wonende te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. J. Kneppelhout.

Partijen blijven verder aangeduid als "ADT" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 8 juni 2005 en de daaraan ten grondslag liggende

processtukken;

- de processen-verbaal van getuigenverhoor;

- de door partijen na enquête genomen conclusies.

2. De verdere beoordeling

2.1

Bij voormeld vonnis is [gedaagde] toegelaten tot tegenbewijs ten aanzien van de voorshands bewezen geachte stelling dat:

- [gedaagde] gehouden is de uit het schriftelijk contract voortvloeiende betalingsverplichting te voldoen;

en opgedragen te bewijzen dat:

- hij heeft gedwaald met betrekking tot de inhoud van de met ADT gesloten overeenkomst en dat deze dwaling het gevolg is van namens ADT gegeven inlichtingen;

- de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd.

2.2

[gedaagde] heeft in enquête als getuigen doen horen [getuige[getuige 1] (hierna: [getuige 1]) , [getui[getuige 2] (hierna: [getuige 2]), [get[getuige 3] (hierna: [getuige 3]) en [getui[getuige 4] (hierna: [getuige 4]). ADT heeft geen getuigen in contra-enquête doen horen.

2.3

De rechtbank zal als eerste beoordelen of [gedaagde] geslaagd is in het bewijs dat hij heeft gedwaald met betrekking tot de inhoud van de met ADT gesloten overeenkomst en dat deze dwaling het gevolg is geweest van namens ADT gegeven inlichtingen.

2.4

De rechtbank acht, nu zulks genoegzaam uit de getuigenverklaringen naar voren komt en ondersteund wordt door de gang van zaken waarover alle getuigen min of meer eensluidend verklaren, bewezen dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst een verkeerde voorstelling van zaken had en hem pas op het moment van de plaatsing van de camera duidelijk werd wat de daadwerkelijke inhoud van de overeenkomst was.

Dat [gedaagde] aanvankelijk dacht dat hij slechts eenmalig een bedrag hoefde te betalen in plaats van maandelijks blijkt uit de getuigenverklaring van [getuige 1] die verklaart dat [gedaagde] hem vertelde dat hij een overeenkomst had gesloten over een videocamera en dat hij vijf namen moest geven, eenmalig € 80,= moest betalen en nog een bedrag aan administratiekosten. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat toen hij ten tijde van het monteren van de camera bij [gedaagde] zelf informeerde naar de voorwaarden, dit alles niet bleek te kloppen en [gedaagde] daarvan op de hoogte heeft gebracht. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 3], de monteur van de camera-installatie, die verklaart dat [gedaagde] uiteindelijk, nadat de camera was gemonteerd, over de kosten begon die te hoog waren. Ook [getuige 4], die namens ADT de overeenkomst met [gedaagde] gesloten heeft en aanwezig was nadat de camera gemonteerd was, verklaart: “ik weet niet hoe het ineens kwam maar [gedaagde] vond het ineens te duur”. Ook verklaren [getuige 4] en [getuige 2], welke laatste zelf ook een overeenkomst met ADT heeft gesloten, dat er bij het sluiten van de overeenkomst gesproken werd over het aanbrengen van nieuwe klanten. Gelet op deze omstandigheden in combinatie met het feit dat [gedaagde] de Nederlandse taal niet goed machtig is, zoals ook [getuige 4] heeft verklaard, waaruit voortvloeit dat het aannemelijk is dat hij de voorwaarden van de overeenkomst niet goed begrepen heeft, leveren voldoende bewijs voor het feit dat [gedaagde] heeft gedwaald met betrekking tot de inhoud van de met ADT gesloten overeenkomst.

Niet bewezen echter is dat deze dwaling het gevolg is geweest van namens ADT gegeven inlichtingen. De enige persoon die uit eigen wetenschap hieromtrent heeft verklaard is [getuige 4]. Uit zijn getuigenverklaring volgt dit bewijs niet. Hij verklaart slechts de overeenkomst met [gedaagde] te hebben doorgenomen en wel het idee had, dat [gedaagde] het begreep.

Nu [gedaagde] niet is geslaagd in het bewijs dat de dwaling het gevolg was van namens ADT gegeven inlichtingen, kan het beroep van [gedaagde] op dwaling niet slagen.

2.5

Ook het bewijs dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, is niet geleverd. [gedaagde] stelt de overeenkomst direct nadat de camera bij hem in de zaak was opgehangen beëindigd te hebben en dat degene die namens ADT daar aanwezig waren daarmee hebben ingestemd. Uit de verklaringen van de getuigen is naar voren gekomen dat hierbij aanwezig waren [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4]. Geen van deze drie getuigen verklaren echter dat de overeenkomst inderdaad beëindigd werd. [getuige 1] verklaart dat nadat [gedaagde] te kennen had gegeven dat hij de voorwaarden verkeerd had begrepen en de zaak wilde corrigeren en hij de camera niet wilde, één van de mannen had gezegd dat zij het probleem nu niet konden oplossen in verband met de procedure. [getuige 3] verklaart dat [getuige 4] gezegd heeft dat hij zou kijken of hij iets kon regelen en hij daarvoor contact zou opnemen met zijn meerdere. [getuige 4] zelf verklaart dat hij gezegd heeft dat hij niks voor [gedaagde] kon doen, omdat dat via het hoofdkantoor liep. Nu er voor het overige ook geen bewijs is waaruit volgt dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, moet het ervoor gehouden worden dat zulks niet is gebeurd.

2.6

Tot slot dient beoordeeld te worden of [gedaagde] geslaagd is het tegenbewijs te leveren van de op voorhand bewezen geachte stelling dat [gedaagde] gehouden is de uit het schriftelijk contract voortvloeiende betalingsverplichtingen te voldoen.

Uit hetgeen hierboven onder 2.4 is overwogen volgt dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst een verkeerde voorstelling van zaken had. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt ook dat toen [gedaagde] op de hoogte kwam van de voorwaarden van de overeenkomst, hij deze overeenkomst niet wilde aangaan. Hieruit volgt weer dat de wil (gericht op betaling van een eenmalig bedrag, administratiekosten en het geven van vijf namen) en verklaring (zoals die blijkt uit de getekende overeenkomst) van [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet met elkaar in overeenstemming waren. Dit heeft tot gevolg dat er geen geldige rechtshandeling was zoals bedoeld in artikel 3:33 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat er in beginsel geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen en [gedaagde] dan ook niet gehouden is aan de verplichtingen van het contract te voldoen. Desalniettemin zou toch een geldige overeenkomst tot stand kunnen zijn gekomen als er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van ADT zoals bedoeld in artikel 3:35 BW. Nu dit tussen partijen niet eerder punt van debat is geweest, zal de rechtbank partijen, eerst ADT, in de gelegenheid stellen zich bij akte hieromtrent nader uit te laten op welke akte [gedaagde] vervolgens kan reageren.

2.7

In afwachting hiervan zal de rechtbank alle overige beslissingen aanhouden.

4. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 april 2007 voor het nemen van een akte door ADT.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

544/1694