Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC4039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
255286 / HA ZA 06-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht; vragen deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 255286 / HA ZA 06-414

Uitspraak: 19 december 2007

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Makkum, gemeente Wûnseradiel,

eisers,

procureur mr. J.R. Maas,

advocaten mr. M. Jongeneelen en mr. R.H. Kroes te Amsterdam,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WAGNER & PARTNERS B.V., thans genaamd QUALITY PLANNING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. A.A.F. Talitsch te Den Haag.

Eisers worden hierna (in het enkelvoud) aangeduid als "[eisers]". Gedaagde wordt hierna aangeduid als "Wagner & Partners".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding van 3 oktober 2005 en de door [eisers] daarbij overgelegde producties;

- herstelexploot van 13 oktober 2005;

- incidentele conclusie tot verwijzing wegens onbevoegdheid en tot oproeping in vrijwaring van Wagner & Partners B.V.;

- conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring van [eisers];

- conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid tevens in het incident tot oproeping in vrijwaring van [eisers];

- vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden, van 31 januari 2006;

- exploot van 7 februari 2006;

- vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, van 8 maart 2006;

- conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties;

- conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring;

- vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, van 19 juli 2006;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde producties en pleitnotities.

1.2 De bij dagvaarding ingestelde vordering richtte zich zowel tegen Wagner & Partners als tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aegon Financiële Diensten B.V. (hierna: "Aegon Financiële Diensten"). De kantonrechter te Leeuwarden heeft zich in haar vonnis van 31 januari 2006 onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering van [eisers] tegen Wagner & Partners en de zaak in zoverre in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de sector civiel van deze rechtbank.

1.3 Vandaag zal ook vonnis worden gewezen in de bij deze rechtbank aanhangige zaken in vrijwaring:

- met zaak-/rolnummer: 257916 / HA ZA 06-822 tussen Wagner & Partners - inmiddels Quality Planning B.V. geheten - als eiseres en Aegon Financiële Diensten als gedaagde, en

- met zaak-/rolnummer 267404 / HA ZA 06-2345 tussen Wagner & Partners als eiseres en SNS Bank N.V. als gedaagde.

2 Het geschil

Na verwijzing van de zaak van [eisers] tegen Wagner & Partners heeft [eisers] zijn vordering niet aangepast. De volledige vordering is weergegeven in het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden, van 31 januari 2006.

Het tegen Wagner & Partners gerichte onderdeel van de totale vordering luidt - naar de rechtbank begrijpt - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat Wagner & Partners toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eisers] en/of dat zij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld;

- Wagner & Partners te veroordelen tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- Wagner & Partners te veroordelen in de kosten van de procedure.

Wagner & Partners heeft de vordering van [eisers] gemotiveerd betwist en geconcludeerd dat [eisers] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, subsidiair dat deze vordering dient te worden afgewezen, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eisers] in de kosten van het geding, met bepaling dat de wettelijke rente over de proceskosten zal gaan lopen, twee dagen na betekening van het vonnis.

3 De beoordeling

3.1 Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

a. In 1996 heeft [eisers] zich door Wagner & Partners laten adviseren met betrekking tot de financiering van de aankoop van een nieuwbouwhuis. De contacten verliepen destijds schriftelijk en telefonisch door tussenkomst van Van Oosten Administratiekantoor. Door Wagner & Partners werd een financieel advies verstrekt (productie 3 bij conclusie van antwoord). [eisers] heeft in overeenstemming met dat financieel advies gehandeld.

b. In 2000 heeft [eisers] zijn woning verkocht. Hij wenste een nieuw - groter - huis aan te schaffen. [eisers] wendde zich rechtstreeks tot Wagner & Partners voor advies. Op 24 maart 2000 vond een bespreking plaats op het kantoor van Wagner & Partners in Hoofddorp. [eisers] sprak daar met d[X] (hierna: "[X]").

c. Op basis van de door [eisers] verstrekte informatie werd een inventarisatie¬formulier opgesteld (productie 1 bij dagvaarding).

d. De wensen en doelstellingen van [eisers] waren:

- aanschaf van een ander huis, bestaand of nieuwbouw in de prijsklasse van fl. 400.000,00 tot fl. 440.000,00;

- een netto maandlast van fl. 1.400,00;

- Op 55-jarige leeftijd stoppen met werken;

- flexibiliteit en zekerheid.

e. Wagner & Partners heeft vervolgens twee adviezen opgesteld (producties 9 en 10 bij conclusie van antwoord). In een vervolggesprek heeft [X] deze adviezen met [eisers] besproken.

f. Op 6 juli 2000 kocht [eisers] een nieuwe woning (productie 13 bij conclusie van antwoord). Levering was voorzien op 1 april 2001.

g. Na sluiting van de koopovereenkomst heeft opnieuw een bespreking plaatsgevonden tussen [eisers] en [X]. Wagner & Partners heeft op 11 juli 2000 een gewijzigd advies opgesteld (productie 17 bij conclusie van antwoord).

h. Het gewijzigde advies werd stapsgewijs in werking gesteld, deels in de zomer van 2000, deels in het voorjaar van 2001.

i. Bij brief van 16 maart 2001 werd het definitieve advies van 9 februari 2001 door [X] toegezonden aan [eisers] (productie 2 bij dagvaarding; productie 21 bij conclusie van antwoord). De begeleidende brief vermeldt:

"Hierbij ontvangt u het definitieve plan. Hierin is de lagere rente opgenomen en een totale belegging van fl 240.000,-."

j. Het eerste blad van het advies van 9 februari 2001 vermeldt de volgende uitgangspunten:

"Geldlening fl 588.000,- rente 5,9%.

Inkomen fl 52.500,-.

Huurwaardeforfait gesteld op fl 3.000,-.

Huidige Aegonpolis voortzetten ( box III ).

Lineair dalende risicoverzekering fl 300.000,- op beide levens.

Activering fl 240.000.- in depot met 9% rekenrente minus 0,5% aankoop/verkoopkosten.

Box + Beleggen met fl 40.000,- inleg op basis van 8% rendement en 2% dividend.

Betalingsbeschermingsverzekering Cardif: uitkering fl 1.500,- per maand gedurende 15 jaar bij arbeidsongeschiktheid.

Inbreng eigen middelen fl 90.000,-.

Uit koopsompolis HH fl 80.000,- overgeheveld naar depot.

Berekening op basis van tarieven van IB/VRH 2001.

Aan deze berekening kunnen geen rechten worden ontleend."

k. Bij brief van 2 augustus 2005 van zijn advocaat heeft [eisers] Wagner & Partners aansprakelijk gesteld voor de schade die hij zijns inziens lijdt als gevolg van het aangaan van de door Wagner & Partners geadviseerde financiële constructie (productie 10 bij dagvaarding).

3.2 [eisers] heeft aan zijn vordering jegens Wagner & Partners B.V. in essentie ten grondslag gelegd dat Wagner & Partners B.V. is tekortgeschoten in verplichtingen die voor haar voortvloeiden uit de tussen partijen tot stand overeenkomst van opdracht. De door [eisers] gestelde tekortkomingen van Wagner & Partners B.V. betreffen in het bijzonder (1) het onbevoegd geven van beleggingsadvies, (2) het geven van ondeugdelijk advies en (3) het onvoldoende waarschuwen voor aan het advies verbonden risico's. Voor zover [eisers] zijn vordering grondt op onrechtmatige daad, heeft hij daaraan dezelfde stellingen ten grondslag gelegd.

3.3 Tussen [eisers] en Wagner & Partners is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Artikel 7:401 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Dit brengt mee dat dient te worden getoetst of de opdrachtnemer heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend financieel adviseur mag worden verwacht dat hij een advies geeft dat past bij het profiel van de klant en dat hij de klant op voldoende indringende wijze waarschuwt voor de specifieke risico's die aan het advies zijn verbonden. Dat geldt ook als juist zou zijn de stelling van [eisers] dat Wagner & Partners niet bevoegd was tot de advisering omdat zij niet over de vereiste vergunning ex artikel 7 Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (Wte) beschikte. De wijze waarop de financieel adviseur de klant dient te waarschuwen voor de risico's en de mate van indringendheid van de te verstrekken waarschuwingen is mede afhankelijk van de complexiteit van het verstrekte advies, de aard en de grootte van de risico's, de persoonlijke (financiële) omstandigheden van de klant en de kennis en ervaring van de klant.

3.4 De rechtbank heeft behoefte aan voorlichting door een deskundige op het gebied van de financiële planning omtrent de volgende (voorlopige) vraagpunten:

1. Was de financiële advisering door Wagner & Partners, uitmondend in het ten uitvoer gelegde financiële advies van 9 februari 2001 (productie 2 bij dagvaarding), passend bij het profiel van [eisers], zoals dit mede tot uitdrukking komt in het inventarisatieformulier (productie 1 bij dagvaarding) en de onder 3.1 sub d van het vonnis van de rechtbank van 19 december 2007 genoemde wensen en doelstellingen?

U wordt verzocht uw antwoord uitgebreid te motiveren en voor zover nodig te differentiëren tussen verschillende onderdelen van het financiële advies.

Voor zover u van oordeel bent dat het antwoord op de vraag of de advisering passend was afhankelijk is van bepaalde omstandigheden, wordt u verzocht zo concreet mogelijk aan te geven welke omstandigheden dat zijn.

2. Wat is uw oordeel omtrent de mate van complexiteit van het verstrekte advies?

3. Kunt u aangeven wat de aard en de grootte was van de risico's die voor [eisers] waren verbonden aan het door Wagner & Partners verstrekte financiële advies?

4. Wat waren ten tijde van de advisering naar uw oordeel passende waarschuwingen die een redelijk bekwaam en redelijk handelend financieel adviseur aan klanten zoals [eisers] zou hebben behoren te verstrekken bij een financieel advies zoals het onderhavige?

5. Kunt u overigens nog iets opmerken dat van belang zou kunnen zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissing?

3.5 De rechtbank zal de procedure naar de rol verwijzen, opdat partijen - [eisers] als eerste - zich kunnen uitlaten omtrent het aantal deskundigen, het deskundigheidsgebied, de persoon of personen van de deskundige(n), de vraagstelling en de kosten. Het verdient uiteraard de voorkeur dat partijen hieromtrent met elkaar in overleg treden, zodat zij de rechtbank een zoveel mogelijk eenparig voorstel kunnen doen.

3.6 Ter zake van de kosten van de deskundige(n) zal een voorschot worden bepaald. [eisers] zal ingevolge artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat voorschot ter griffie dienen te deponeren.

3.7 Partijen dienen rekening te houden met de mogelijkheid dat de rechtbank nadat deskundige voorlichting heeft plaatsgevonden nog bewijsvoering noodzakelijk zal achten.

3.8 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 16 januari 2008 voor het nemen van een akte door - eerst - [eisers], waarbij [eisers] zich kan uitlaten als bedoeld onder 3.5 hiervoor.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729/10/106