Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC1722

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
825968
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een vordering in kort geding tot wedertewerkstelling.. Eiser is kapitein van een schip. Aan het schip, waarop eiser kapitein was, is schade ontstaan. De werkgever -gedaagde- stelt o.a. dat deze schade het gevolg is vam onzorgvuldig handelen van de kapitein, waardoor het schip de bodem heeft geraakt.

De Raad voor de Scheepvaart heeft de zaak onderzocht en heeft geoordeeld dat aan eiser geen maatregel van tucht zal worden opgelegd, maar dat de zaak zal worden gebruikt ter lering, aangezien de Raad van oordeel is dat niet onomstotelijk vaststaat dat de schade veroorzaakt aan het schip een gevolg is van een “gronding”. Gedaagde heeft eiser op non-actief gesteld en is voornemens de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

Tussen partijen is een beschikking in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgesproken, te raadplegen onder LJN: BC1639

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0032b
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis ex artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak van

[eiser],

woonplaats: [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 20 september 2007,

gemachtigde: mr. M.J. den Hollander te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hal Beheer B.V.,

vestigingsplaats: Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.F. van der Stelt en mr. H.L. van der Schaar-van der Horst te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “HAL”.

1. Het verloop van het proces

Het procesverloop blijkt uit de door partijen gewisselde processtukken (of: verrichte proceshandelingen), te weten:

- dagvaarding d.d. 20 september 2007;

- pleitnotities van de raadslieden;

- aantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 2 oktober 2007;

Partijen hebben over en weer producties overgelegd.

[eiser] is in persoon ter zitting verschenen vergezeld door zijn broer [naam broer eiser], de deskundige de heer W. Grooff en de externe advocaat mr. R.J. Wybenga en bijgestaan door de gemachtigde mevrouw mr. M.J. den Hollander. Voor HAL is ter zitting verschenen haar directeur Nautical Operations de heer C. Deelstra, haar hoofd personeelszaken de heer R.S. Leijen en de deskundige de heer W. van Buuren bijgestaan door de gemachtigden mr. J.F. van der Stelt en mr. H.L. van der Schaar-van der Horst.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van de inhoud van de door partijen overgelegde producties, kan in dit kort geding van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1.[eiser] is op 5 november 1981 in dienst getreden bij HAL, en is laatstelijk

werkzaam in de functie van kapitein/gezagvoerder. [eiser] is momenteel [leeftijd] oud.

Zijn gage bedraagt laatstelijk bij een vaar/verlofschema van drie maanden op/drie maanden

af €.5.662,00 bruto per maand inclusief toeslagen waaronder vakantietoeslag.

2.2. [eiser] is op 29 september 2006 aan boord gegaan van het ms [naam schip]. Op

5 december 2006 is dit schip van Tasmanië naar Melbourne, Australië, vertrokken. Bij het aanlopen van de haven van Melbourne de volgende ochtend om ongeveer 5:00 uur, zijn problemen ontstaan met de bakboordstabilizer. Deze is door de duikers in de haven van Melbourne onderzocht. [eiser] heeft de agent van HAL van het incident op de hoogte gesteld en hem verzocht de betrokken instanties te waarschuwen. Ook het hoofdkantoor van HAL te Seatle is op de hoogte gesteld. Vervolgens is een inspectieteam van de lokale Australische autoriteiten aan boord gekomen. Dit inspectieteam heeft verklaringen opgenomen.

2.3. De reis is onder gezag van [eiser] voortgezet. Op 10 december 2006 is de heer Karnik, de Deputy Director Nautical Operations van HAL, aan boord gekomen. Hij onderzocht de gebeurtenis namens HAL. Tevens volgde er een vervolgbezoek van de Australische autoriteiten. Bij brief van 15 december 2006 van de heer Grausz, jurist bij HAL, is [eiser] per 22 december 2006 geschorst (“suspended”) hangende een onderzoek naar de gebeurtenissen op 6 december 2006. [eiser] is op 22 december 2006 te Auckland, Nieuw Zeeland, afgelost.

2.4. Op 4 januari 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en vier personen van HAL, waaronder de heer Grausz. [eiser] heeft bij brief van 16 januari 2007 geprotesteerd tegen de op non-actiefstelling bij de heer Leijen, directeur personeelszaken van HAL, en heeft zich beschikbaar gesteld voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

2.5. HAL heeft de zaak doorgestuurd naar de Divisie Scheepvaart. De Divisie Scheepvaart heeft de zaak doorgezonden aan de Raad voor de Scheepvaart, hierna de Raad. [eiser] heeft op 24 april 2007 een brief ontvangen van de heer Grausz waarin wordt aangegeven dat verwacht wordt dat de Raad de zaak binnen enkele weken in behandeling zal nemen en dat [eiser] op non-actief zal blijven in afwachting van de uitspraak van de Raad.

2.6. Bij beschikking van 23 april 2007 heeft de Raad beslist dat door de Raad geen onderzoek naar het incident van 6 december 2006 zal worden ingesteld. Hierop heeft de gemachtigde van [eiser] de heer Leijen van HAL verzocht om wedertewerkstelling van [eiser] en om verstrekking van het interne onderzoeksrapport.

2.7. Bij faxbericht van 30 mei 2007 heeft de gemachtigde van HAL [eiser] medegedeeld dat de zaak toch door de Raad in behandeling wordt genomen. Volgens de verwachtingen heeft de Raad de eerste stuurman P. Cordfunke gehoord op 5 oktober 2007. De tweede stuurman en [eiser] zullen op 26 november 2007 worden gehoord. Naar verwachting doet de Raad diezelfde dag mondeling uitspraak.

2.8. HAL heeft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de sector kanton. De behandeling van dit verzoek was voorzien op dinsdag 23 oktober 2007 maar is op verzoek van partijen uitgesteld in afwachting van de beslissing van de Raad en het rapport van de Australische autoriteiten.

3. De vordering en stellingen van [eiser]

3.1. [eiser] heeft op de in de dagvaarding omschreven gronden, bij wege van voorlopige voorziening, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, HAL te veroordelen tot:

- primair: tewerkstelling van [eiser] bij HAL in zijn functie van gezagvoerder op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met ingang van veertien dagen na de uitspraak;

- subsidiair: inroostering van [eiser] bij HAL in zijn functie van gezagvoerder op zodanige wijze dat [eiser] zijn werkzaamheden zal kunnen hervatten uiterlijk per 1 november 2007 op straffe van € 1.000,00 per dag ingeval [eiser] alsdan niet daadwerkelijk per 1 november 2007 bij HAL tewerk mocht zijn gesteld in zijn functie van gezagvoerder;

met veroordeling van HAL in de kosten van het geding.

[eiser] heeft - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

Spoedeisendheid

3.2. De belangen van [eiser] hebben uit de aard van de zaak een spoedeisend karakter. Voortduring van de op non-actiefstelling draagt bij aan (verder) reputatieverlies, terwijl opheffing daarvan bijdraagt aan herstel van [eiser]’s reputatie. Eerst sinds enkele weken is duidelijk dat HAL [eiser] definitief niet weder tewerk zal stellen ongeacht de uitkomst van de tuchtrechtelijke uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart.

Ten aanzien van het incident d.d. 6 december 2006

3.3. Aangezien er sprake was van enige deining bij het aanlopen van de haven van Melbourne, op 6 december 2006, zijn de beide stabilizers in gebruik gesteld. Hoewel de reis zonder problemen leek te zijn verlopen, bleek later dat de bakboordstabilizer niet meer ingetrokken kon worden. Duikers hebben in de haven van Melbourne de stabilizer onderzocht. Volgens het duikschaderapport was er geen teken van “impact of damage”. Het enige dat te zien was, waren enige krassen en afgeschraapte verf. Aan de voorzijde van de stabilizervin waren duidelijk twee krassen/inkepingen te zien. Deze, alsmede de afgeschraapte verf aan de onderzijde van de vin, zouden heel goed kunnen duiden op het raken van de kabels van een “crabpot” die onder de druk van de voorwaarts bewegende vin uiteindelijk onder de vin worden doorgetrokken. De schadeomvang wordt door HAL “opgeblazen” en de superlatieven “scheepsramp” en “gronding” welke HAL hanteert, staan in geen verhouding tot de daadwerkelijk geleden schade.

Ten aanzien van de op non-actiefstelling en de onderzoeken naar het incident

3.4. [eiser] heeft na het incident op 6 december 2006 tien dagen lang zonder enige beperking of voorwaarden zijn reis als gezagvoerder vervolgd. Blijkbaar had HAL nog alle vertrouwen in hem. De op non-actiefstelling van [eiser] - gedurende de gehele onderzoeksperiode - die per 22 december 2006 op het incident volgde, is een te ingrijpende maatregel en er waren bovendien geen zwaarwegende en noodzakelijke redenen om de op non-actiefstelling in stand te houden. [eiser] heeft dit aan de heer Leijen medegedeeld in zijn brief van 16 januari 2007, heeft voorts om informatie verzocht over het interne HAL onderzoek en vragen gesteld over de doorzending van het onderzoeksrapport aan de Divisie Scheepvaart. [eiser] ging er van uit dat hij tijdens de verdere duur van onderzoek voldoende gelegenheid zou krijgen om zijn visie op diverse onderzoeksresultaten te geven, hetgeen ook was toegezegd door de heer Grausz in zijn email van 15 december 2006. Dit is niet gebeurd. HAL heeft [eiser] niet naar behoren geïnformeerd en hem niet betrokken bij het verdere onderzoek. [eiser] werd geconfronteerd met een intern eindrapport in plaats van een conceptrapportage.

3.5. Op een conferentie in Amerika, waarvoor [eiser] niet werd uitgenodigd, is het incident van 6 december 2006 besproken. Daarbij is aangegeven dat het interne HAL onderzoek was afgerond en dat hieruit was gebleken dat de eerste stuurman niets te verwijten viel en dat [eiser] op non-actief was gesteld. [eiser] had als direct betrokkene als eerste op de hoogte dienen te worden gesteld door HAL van de inhoud en uitkomsten van het onderzoek. Hij verkeerde al lange tijd in onzekerheid en vroeg regelmatig – tevergeefs – om informatie. Door aldus te handelen heeft HAL de jegens [eiser] in acht te nemen zorgvuldigheid geschonden.

3.6. Op 2 april 2007 heeft de heer Grausz [eiser] telefonisch medegedeeld dat het rapport was doorgestuurd naar de Divisie Scheepvaart en inmiddels doorgezonden naar de Raad en dat HAL veel waarde zou hechten aan de uitkomst van het onderzoek door de Raad hetgeen bepalend voor de positie van [eiser] zou zijn. [eiser] hoorde toen voor het eerst dat HAL zou overwegen het dienstverband met hem te beëindigen terwijl hem in januari nog was verteld dat HAL hem niet kwijt wilde. HAL zou de arbeidsrechtelijke beoordeling van de zaak laten afhangen van de uitkomsten van het Raadsonderzoek terwijl zij thans reeds heeft besloten om [eiser] niet meer te laten terugkeren op de vloot.

3.6. Na de beschikking van de Raad op 23 april 2007 waarbij zij besliste geen onderzoek te verrichten, was [eiser] opgelucht. HAL ging echter niet over tot wedertewerkstelling van [eiser]. HAL bleek contact opgenomen te hebben met de Divisie Scheepvaart met het verzoek om te bevorderen dat de Raad haar eerdere beslissing herzag. Volgens HAL heeft haar contact met de Divisie niet tot heropening van de zaak geleid, maar de tijdsvolgorde van de brief van HAL van 9 mei 2007 en de daaropvolgende beslissing van de Raad van 22 mei 2007 om alsnog de zaak in behandeling te nemen doet dit wel vermoeden .

3.7. Het is onjuist dat de onderzoeksresultaten van HAL maken dat [eiser] niet langer in zijn functie gehandhaafd kan blijven. Het zou in de rede hebben gelegen dat HAL samen met [eiser] zou hebben bezien hoe uit het incident van 6 december 2006 lering kon worden getrokken. Bij andere vergelijkbare “HAL incidenten” is dit wel gebeurd en werd als “maatregel” jegens de gezagvoerders slechts “counseling” met de Director Nautical Operations opgelegd. Er is sprake van strijd met het proportionaliteitsbeginsel.

Ten aanzien van de scheepsverklaring

3.8. Wat de scheepsverklaring betreft. [eiser] heeft zich hiervoor tot het Nederlandse consulaat in Sydney gewend, maar de consul was niet in de gelegenheid om tijdig voor het vertrek van het schip aanwezig te zijn. Derhalve heeft [eiser] het consulaat in Sydney verzocht om het consulaat in Melbourne te verzoeken een scheepsverklaring op te maken. De agent is hiervan op de hoogte gesteld.

Ten aanzien van het deskundigenrapport van de heer Van Buuren

3.9. [eiser] voert verweer tegen de inhoud van het rapport van Van Buuren. Het rapport is selectief te noemen en kan niet overtuigen. Uit het duikschaderapport en de bevindingen van de heer Sarton blijkt dat de handelingen van [eiser] niet als ernstige fouten zijn aan te merken en dat een gronding niet bewezen is gelet op de hoeveelheid water onder de kiel.

Ten aanzien van de niet-nautische zwaarwegende feiten

3.10. [eiser] voert verweer tegen de door HAL aangevoerde niet-nautische feiten en stelt in dit verband onder andere dat hij al vóór zijn promotie werd ingezet als kapitein maar op een promotieplek moest wachten, dat de oil spill slechts de omvang van een theelepeltje had en diezelfde dag nog is gerapporteerd door [eiser], dat hij bezwaar maakt tegen het gebruik van zijn medische gegevens en dat hij in verband met de virusmelding heeft gehandeld na overleg met en advies van de Hotelmanager en de medische afdeling.

Voor het overige

3.11. Een op non-actiefstelling mag slechts worden opgelegd en in stand worden gehouden in geval van zwaarwegende redenen. Voorts brengt goed werkgeverschap met zich mee dat een werkgever een werknemer duidelijkheid moet verschaffen over zijn positie en de werknemer niet in het ongewisse mag laten. HAL is te dien aanzien ten opzichte van [eiser] ernstig tekort geschoten. [eiser] heeft altijd goed gefunctioneerd. Het incident van 6 december 2006 staat niet aan een verdere goede voortzetting van het dienstverband in de weg. [eiser] is nooit eerder betrokken geweest bij schade aan een schip. Hij is zonder meer in staat om de aan het functioneren als gezagvoerder verbonden verantwoordelijkheden te blijven dragen.

4. De stellingen van HAL

HAL heeft - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het incident d.d. 6 december 2006

4.1. Uit het door deskundige Van Buuren ingestelde onderzoek blijkt dat op 6 december 2006 [eiser] ernstig in strijd heeft gehandeld met:

- de eisen van “goed zeemanschap”;

- de verplichtingen aan de kapitein opgelegd door artikel 61.1 Schepenbesluit 2004 (in samenhang met het Solas-Verdrag en de IMO Guidelines);

- de op grond van de ISM-Code opgestelde interne regels.

4.2. Er is geen sprake geweest van een deugdelijke reisvoorbereiding, hetgeen wel noodzakelijk is. In de kaart staan zogenaamde “no-go area’s” gemarkeerd. Bij deze gemarkeerde gebieden blijkt dat er een dieptelijn van 10 meter is gemarkeerd als criterium, dit om aan te geven waar de “[naam schip]” zich onder geen beding mag bevinden. Door de navigatieofficier is deze 10 meter dieptelijn echter niet consequent gevolgd. Met andere woorden: er blijkt dus uit dat een groot deel van het ondiepe water, waarbinnen de [naam schip] zich niet mag begeven, als veilig wordt gemarkeerd.

Daarnaast is er geen gebruik gemaakt van de reeds in de kaart voorgedrukte indicatoren zoals sectorlichten en lichtenlijnen en is er geen acht geslagen op de waarschuwingen die zijn voorgedrukt in de kaart. De “Break-off Position” is vastgesteld op 2.0 NM vanaf Pont Lonsdale. Nergens blijkt uit op basis waarvan dit is gedaan en welke criteria dienden te worden gehanteerd om te beslissen de manoeuvre af te breken en de aanloop opnieuw aan te vangen. Voorts was de komst van de loods niet voorbereid en heeft men nagelaten om voor te bereiden hoeveel meter men mag afwijken van de uitgestippelde en geplande koers om te waarborgen dat het aanlopen nog steeds binnen veilige marges gebeurt. Tevens is gebleken dat de scheepsdieptemeter niet op een alarmdiepte was ingesteld, hetgeen noodzaak is indien men de reis zorgvuldig en adequaat heeft voorbereid en zeker als men (te) ondiep water nadert.

4.3. De navigatie in de zin van de uitvoering van het plan liep in het geheel niet volgens de “ondeugdelijke” planning en zulks al voordat er daadwerkelijk met de aanloop van Port Philip Heads was begonnen. Voorts is de opgegeven positie einde zeereis (ESV) niet juist. Volgens de opgegeven ESV zou de [naam schip] tussen 04.42 en 04.44 achteruit hebben gevaren. De juiste ESV bepaling is van cruciaal belang omdat dit de ultieme plaatsbepaling is om met een hoge graad van betrouwbaarheid de beginpositie van de geplande track vast te stellen, zodat er accuraat met de aanloop van de haven kan worden begonnen. [eiser] heeft tussen het moment dat de loods aan boord kwam en deze op de brug van het schip arriveerde bovendien een onduidelijk commando gegeven aan de roerganger. Een en ander is gecorrigeerd door de loods na zijn aankomst op de brug. Onduidelijk is wie de navigatie voerde, terwijl op grond van regelgeving uitdrukkelijk had dienen te worden aangegeven wie de leiding over de navigatie had. Tussen 05.07 en 05.09 is de snelheid van het schip teruggelopen. Deze plotselinge en drastische vaartafname wordt veroorzaakt door het squat-effect, het feit dat men zich op ondiep water bevindt waardoor het schip dieper inzinkt, zichzelf als het ware naar beneden zuigt door de eigen snelheid.

4.4. Uit de stukken blijkt en staat vast dat de [naam schip] in de draai die werd gemaakt vanaf circa 05.04 in een poging om een zeker gronden van het gehele schip te voorkomen een slagzij over bakboord heeft gemaakt van ongeveer 3 graden. Aan de hand daarvan stelt de deskundige met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat de [naam schip] als gevolg van die slagzij in combinatie met het getijde en met de squat een gronding heeft gehad met de bakboordstabilisator vin, waardoor grote schade aan de [naam schip] is ontstaan, maar bovenal het schip, de passagiers en bemanning in ernstig gevaar werd gebracht. De schade aan de vin werd begroot op circa USD 523.600 inclusief transportkosten van de vervangende onderdelen, de aanvullende kosten van de reparatie worden begroot op USD 417.000. Dat de [naam schip] in aanraking zou zijn geweest met een “crabpot” is onjuist en ongeloofwaardig.

Uit het vorenstaande blijkt dat [eiser] als gezagvoerder van de [naam schip] en eindverantwoordelijke van het navigatieteam zeer ernstig in zijn taak tekort is geschoten.

De slagzij van de [naam schip] en de daaruit voortvloeiende gronding is een logisch gevolg van het falen van [eiser], hetgeen hem ernstig moet worden aangerekend.

Ten aanzien van de op non-actiefstelling en de onderzoeken naar het incident

4.5. HAL heeft volkomen gerechtvaardigd [eiser] geschorst. Gezien de uitkomsten van de rapportages, nu versterkt maar bovenal bevestigd door het onafhankelijke deskundigenonderzoek, was en is het alleszins gerechtvaardigd dat [eiser] zijn functie niet uitoefent. De noodzaak van schorsing is voorts gelegen in de aard van de functie. Als gezagvoerder van een passagiersschip heeft [eiser] de ultieme verantwoordelijkheid over een schip met een waarde van maximaal EUR 750.000.000 en afhankelijk van het type schip, tot maximaal 3.400 opvarenden. HAL heeft in deze zaak zorgvuldig gehandeld en rekening gehouden met de belangen van [eiser].

4.6. Namens HAL is nimmer aan [eiser] toegezegd hem niet kwijt te willen. De brief van 15 december 2006 laat geen twijfel bestaan over de eventueel mogelijke afloop voor [eiser]. HAL heeft getracht met [eiser] in discussie te komen over het incident op 4 januari 2007, in het kader van de VDR opnamen, de verklaringen en de schadeomvang. [eiser] liet zich hier niet over uit. Hij gaf eerder te kennen dat er niets aan de hand was, dan dat hij liet blijken iets fout te hebben gedaan. [eiser] heeft wel inspraak gehad in het interne rapport. De bevindingen zijn, zoals hiervoor genoemd, met [eiser] besproken begin januari 2007. Voorts is [eiser] uitdrukkelijk verzocht om commentaar te leveren naar aanleiding van het rapport. Dit blijkt uit de begeleidende brief.

4.7. De door [eiser] genoemde conferenties hebben juist ten doel jaarlijks de voorgevallen zaken te bespreken en analyseren. Op de betreffende conferentie is geen uitdrukkelijk oordeel gegeven over de rol van [eiser]. De eerste stuurman is vooraf gevraagd of hij bezwaar had tegen de presentatie. Hij had geen bezwaar.

4.8. HAL heeft geen invloed kunnen uitoefenen op de Raad voor de Scheepvaart of op de Scheepvaartinspectie. HAL heeft na de eerste beslissing van de Raad om niet tot onderzoek over te gaan, haar verwondering uitgesproken over het feit dat de Australische autoriteiten wel menen dat een onderzoek gerechtvaardigd is, maar de eigen vlaggenstaat niet. HAL is niet bekend op grond waarvan de Raad haar beslissing in heroverweging heeft genomen. HAL heeft immer richting [eiser] openheid betracht en hem nimmer in het ongewisse gelaten.

4.9. Voor wat betreft het beroep van [eiser] op het proportionaliteitsbeginsel voert Hal het volgende aan. De genoemde gevallen zijn niet gelijk. Waar de vergelijking tussen deze zaken en de scheepsramp met de [naam schip] mank gaat, is waar in de beide door [eiser] aangehaalde zaken de betreffende gezagvoerders hun “fouten” hadden ingezien en positief hebben gehandeld. Dit in tegenstelling tot [eiser].

Ten aanzien van de scheepsverklaring

4.10. De kapitein is verplicht, indien een schip schade heeft opgelopen, om binnen 48 uur na aankomst in de plaats van aankomst een scheepsverklaring te doen opmaken. Hieraan wordt zeer zwaar getild. [eiser] heeft - ondanks de wettelijke en gesanctioneerde verplichting - geen scheepsverklaring op doen maken en heeft daarmee gehandeld in strijd met de uitdrukkelijke instructie van HAL. De scheepsverklaring is uiteindelijk door kapitein Bos opgemaakt.

Ten aanzien van de door [eiser] overgelegde verklaringen

4.11. De verklaringen van de heren Sarton en Grooff kunnen niet als onpartijdig worden beschouwd. De gemachtigde van [eiser] is advocaat van Nautilus NL, de vakbond van [eiser]. De deskundigen die een volstrekt onvolledige verklaring afleggen zijn of waren eveneens in dienst van Nautilus NL en diens voorganger. De heer Krijgman is voormalig werknemer van HAL en woont net als [eiser] in [plaats]. De verklaringen zijn in geen geval op voorhand als onpartijdig te beschouwen.

Ten aanzien van de niet-nautische zwaarwegende feiten

4.12. De carrière van [eiser] wordt gekenmerkt door vallen en opstaan. Er zijn herhaaldelijk problemen gerezen met betrekking tot zijn negatieve instelling, zijn houding en alcoholgebruik. [eiser] heeft – in vergelijking tot zijn collega-werknemers – een aanzienlijk langere weg moeten gaan alvorens hij tot kapitein werd bevorderd. Dit had niet te maken met het wachten op een promotieplek. [eiser] heeft in november 2002 twee keer geen melding gemaakt van een “small hydraulic oil spill” aan boord van het schip [naam schip II]. In november 2006 zijn meerdere opvarenden op het schip [naam schip] ziek geworden als gevolg van het noro-virus. De director medical services adviseerde op

17 november 2006 “code red” uit te geven. [eiser] ging eerst op 20 november 2006 over tot de implementatie van dit hoogste alarm niveau.

Voor het overige

[eiser] dient niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, althans zijn vordering dient te worden afgewezen, hangende een behandeling van het ontbindingsverzoek, althans hangende de behandeling van de zaak door de Raad voor de Scheepvaart. [eiser] heeft bovendien geen spoedeisend belang en het belang van weder tewerkstelling van [eiser] is niet gerechtvaardigd.

5. De beoordeling van de vordering

Naar aanleiding van het tussen partijen gerezen geschil overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ten aanzien van de spoedeisendheid

5.1. De spoedeisendheid van de zaak ligt besloten in de aard van de vordering alsmede in de omstandigheid dat HAL thans - ongeacht de uitkomst van het onderzoek door de Raad - het dienstverband met [eiser] - gelet op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst - wil beëindigen. [eiser] is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

Ten aanzien van de standpunten van partijen

5.2. Partijen houdt verdeeld wat er precies is gebeurd met de “[naam schip]” op

6 december 2006 (gronding of schade mogelijk als gevolg van “crabpots”) alsmede welke rol [eiser] daarin heeft gespeeld en in hoeverre [eiser] in zijn taken als gezagvoerder nalatig is geweest waardoor voortduring van de op non-actiefstelling al dan niet gerechtvaardigd is. Partijen staan in dit verband lijnrecht tegenover elkaar en leggen ieder verklaringen van deskundigen over ter onderbouwing van hun stellingen. Deze procedure leent zich er niet voor om door juridische middelen vast te stellen wat er is gebeurd tijdens het incident op 6 december 2006. Voor die beoordeling lijkt bovendien het onderzoeksrapport van de Raad van doorslaggevend belang.

Ook voor wat betreft de niet-nautische verwijten van HAL jegens [eiser] verschillen partijen van mening. Ook deze punten kunnen niet in de onderhavige procedure worden beoordeeld, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat de medische gegevens van [eiser], overgelegd door HAL, buiten beschouwing zijn gelaten, nu de noodzaak van het inbrengen van deze privacy gevoelige informatie naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt.

Ten aanzien van de op non-actiefstelling

5.3. Vooropgesteld wordt dat een op non-actiefstelling bij derden veelal de indruk zal wekken dat er sprake is van (een gedraging die rechtvaardigt) een ontslag op staande voet, ingegeven door wangedrag van de zijde van de werknemer. Dat zulks schadelijk is voor de werknemer is op zichzelf evident. Een op non-actiefstelling kan derhalve slechts geoorloofd worden geacht, indien de werkgever voldoende aannemelijk maakt dat er voor haar zwaarwegende en aan de werknemer meegedeelde redelijke gronden zijn voor een zodanige maatregel. In de onderhavige procedure is de beslissing om [eiser] per 22 december 2006 op non-actief te stellen gedurende de onderzoeksperiode, zulks naar aanleiding van de ontstane schade aan de [naam schip] naar het oordeel van de kantonrechter rechtsgeldig genomen en op duidelijk wijze bij brief van 15 december 2006 aan [eiser] kenbaar gemaakt. In zoverre kan de op non-actiefstelling voornoemde toetsing doorstaan.

5.4. Echter, op het moment dat de Raad bij beschikking van 23 april 2007 besliste dat geen onderzoek naar het incident op 6 december 2006 zou worden verricht, had het op de weg van HAL als goed werkgever gelegen om [eiser] weder tewerk te stellen. Dit geldt te meer nu HAL juist de arbeidsrechtelijke gevolgen van het incident van 6 december 2006 (aanvankelijk) heeft laten afhangen van de resultaten van het onderzoek van de Raad. Immers, het interne “HAL-onderzoek” heeft er niet toe geleid dat HAL beëindiging van het dienstverband noodzakelijk achtte dan wel dat zij de op non-actiefstelling heeft opgeheven. Uit alles blijkt dat zij hiervoor het onderzoek door de Raad wenselijk en noodzakelijk achtte. HAL had de beslissing van de Raad d.d. 23 april 2007 dienen te respecteren en [eiser] op het werk moeten toelaten, zulks mede gelet op het gegeven er sinds de op non-actiefstelling reeds vier maanden waren verstreken. In plaats daarvan is er kennelijk contact tussen HAL en de Divisie Scheepvaart geweest, voorshands lijkt het aannemelijk dat dit er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat de Raad de zaak alsnog in behandeling heeft genomen. Gelet op het tijdsverloop in de correspondentie tussen HAL en de Divisie/Raad kan ook de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat de brief van HAL d.d. 9 mei 2007 in samenhang met de aanvullende rapportage omtrent de schade invloed heeft gehad op de beslissing van de Raad haar eerdere beslissing te herzien.

5.5. Ook de omstandigheid dat er sinds de beslissing van de Raad om de zaak alsnog te onderzoeken een zekere (lange) periode is verstreken alvorens getuigen in het onderzoek worden gehoord en er kan worden gerapporteerd, dient voor rekening en risico van de werkgever, in dit geval HAL, te komen. [eiser] is door HAL als gevolg van de (lange) procedure bij de Raad te lang in het ongewisse gelaten over zijn positie, terwijl HAL in het kader van het kort geding opeens wel met een (voor [eiser] vernietigend) rapport van Van Buuren komt en daarop haar maatregelen treft (het indienen van een ontbindingsverzoek). In zoverre heeft HAL onzorgvuldig jegens [eiser] gehandeld. Het feit dat [eiser] tijdens zijn op non-actiefstelling wel zijn gage heeft ontvangen, doet aan het vorenstaande niet af.

5.6. Gezien het vorengaande is het oordeel gerechtvaardigd dat de op non-actiefstelling op onzorgvuldige wijze is voortgezet door HAL en dat [eiser] in beginsel weer toegelaten zou moeten worden tot zijn werkzaamheden. [eiser] heeft er in beginsel belang bij dat hij in afwachting van de beslissing van de Raad zijn werkzaamheden kan hervatten gelet alleen al op het tijdsverloop in deze zaak. Naar voorlopig oordeel is echter in dit geval tòch een uitzondering op dit beginsel gerechtvaardigd nu datzelfde tijdsverloop meebrengt dat [eiser] al geruime tijd op non-actief staat en juist thans de Raad zich op zeer korte termijn over het incident van 6 december 2006 zal buigen. [eiser] is per 22 december 2006 op non-actief gesteld en heeft eerst op 29 augustus 2007 verzocht om een datum voor behandeling kort geding vast te stellen. De Raad zal op 26 november 2007 de laatste getuigen in het onderzoek horen en voorshands wordt aangenomen dat zij diezelfde dag een beslissing geeft. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter weinig zinvol als ordemaatregel onmiddellijk wedertewerkstelling van [eiser] te bevelen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de schade die [eiser] redelijkerwijs als gevolg van de op non-actiefstelling is ontstaan, nog wordt verergerd door het nog korte tijd laten voortduren van de op non-actiefstelling.

5.7. Een en ander leidt tot toewijzing van de vordering van [eiser] zoals hierna in de beslissing is vermeld. De dwangsom wordt gemaximeerd tot € 50.000,00. HAL wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, zulks gelet op het materiële oordeel over de redelijkheid en zorgvuldigheid van het voortzetten van de op non-actiefstelling van [eiser] door HAL, zij het dat de dagvaardingskosten, waarvan uit de dagvaarding niet blijkt op welk bedrag deze worden gesteld, voor rekening van [eiser] blijven.

6. De beslissing

De kantonrechter rechtsprekend bij wege van voorlopige voorziening:

veroordeelt HAL tot tewerkstelling van [eiser] bij HAL in zijn functie van gezagvoerder per 1 januari 2008, indien het dienstverband dan nog bestaat, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, zulks met een maximum van € 50.000,00;

veroordeelt HAL in de proceskosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 106,00 aan griffierecht en € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.