Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC1285

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
827237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is als werknemer door zijn werkgever gedetacheerd bij een dochteronderneming van de werkgever. Op zeker moment wordt de dochteronderneming overgedragen. De salarisbetaling door de werkgever stopt. Eiser stelt dat de arbeidsovereenkomst met die werkgever voortduurt en vordert salaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton, locatie Rotterdam

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 17 september 2007,

gemachtigde: mr. M.A.G. Lamers,

tegen

de naamloze vennootschap

DEMIR-HALK BANK (NEDERLAND) NV,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde bij gemeld exploot,

gemachtigde: mr. M. van Gastel.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser] respectievelijk DHB Bank.

1. Het verloop van de procedure

1.1 [eiser] heeft DHB Bank bij exploot van 17 september 2007 gedagvaard in kort geding.

1.2 [eiser] heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling enkele producties toegezonden. Op de dienende dag, 25 september 2007, heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering nader heeft doen toelichten aan de hand van een pleitnotitie. DHB Bank heeft verweer gevoerd aan de hand van de door haar gemachtige overgelegde pleitnotitie. Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd. Een schikking is niet mogelijk gebleken. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen ter zitting is verhandeld.

1.3 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - voor zover thans van belang - het volgende vast.

- [eiser] treedt op 1 november 2000 in dienst van DHB Bank in de functie van Verzekeringsadviseur, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden. De arbeidsovereenkomst wordt daarna stilzwijgend verlengd.

- [eiser] wordt gedetacheerd bij DHB Hypotheken en Verzekeringen.

- DHB Hypotheken en Verzekeringen is een 100% dochtermaatschappij van DHB Bank.

- DHB Bank betaalt het salaris van [eiser].

- Vanaf 1 januari 2004 is [eiser] werkzaam als teamleider bij DHB Hypotheken en Verzekeringen.

- Per 1 augustus 2007 wordt de verzekeringsportefeuille van DHB Hypotheken en Verzekeringen verkocht en overgedragen aan een derde partij.

- DHB Bank meldt [eiser] per 31 juli 2007 officieel uit dienst.

3. Het geschil

3.1 [eiser] vordert bij dagvaarding bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, DHB Bank te veroordelen om binnen 48 na betekening van het in dezen te wijzen vonnis:

I. Op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of een gedeelte van een dag dat gedaagde daarmee in gebreke blijft, [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden;

II. Aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 3.071,00 bruto, zijnde het salaris over de maand augustus 2007 onder gelijktijdige verstrekking aan [eiser] van een deugdelijke specificatie;

III. Aan [eiser] te voldoen het contractueel overeengekomen salaris ad € 3.071,00 bruto, maandelijks vanaf 1 september 2007 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een rechtsgeldige wijze is beëindigd;

IV. Aan [eiser] te voldoen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder II genoemde bedrag alsmede het onder III genoemde, in de hoogte van 50 % zijnde € 1.535,50 bruto, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

V. Aan [eiser] te voldoen de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, te voldoen over het onder II en III genoemde bedrag;

VI. DHB Bank te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen een bedrag aan salaris gemachtigde.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering in kort geding stelt [eiser] het volgende.

Vordering tot wedertewerkstelling

3.2.1 [eiser] vordert dat DHB Bank hem toelaat tot zijn werkzaamheden, nu het dienstverband volgens hem nog altijd voortduurt. Hij houdt zich beschikbaar om de bedongen werkzaamheden te verrichten. [eiser] stelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst met DHB Bank en dat hij door DHB Bank bij de vervreemder is gedetacheerd. Op grond van het formele werknemersbegrip is en blijft [eiser] in dienst van DHB Bank. De werknemers die in dienst zijn van de vervreemder gaan wel mee over naar de verkrijger. Anders dan bij [eiser] is in dat geval wel sprake van overgang van een onderneming.

Achterstallig loon, loondoorbetaling en wettelijke verhoging

3.2.2 Omdat de arbeidsovereenkomst nog altijd voortduurt, is DHB Bank volgens [eiser] verplicht het salaris van [eiser] door te betalen tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd.

Volgens [eiser] heeft hij over de maand augustus 2007 geen loon meer ontvangen. Op grond van artikel 7:625 BW maakt [eiser] aanspraak op de wettelijke verhoging van 50%.

Spoedeisend belang

3.2.3 Volgens [eiser] is er sprake van een spoedeisend belang, aangezien hij kostwinner is en voor zijn levensonderhoud afhankelijk is voor het verwerven van inkomsten uit arbeid. Omdat DHB Bank haar verplichtingen jegens hem niet nakomt, wordt hij met financiële problemen geconfronteerd. [eiser] heeft geen recht op een WW-uitkering en komt niet aanmerking voor een bijstandsuitkering.

3.3 DHB Bank voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak.

4.2 Een vordering als de onderhavige kan slechts worden toegewezen ingeval reeds thans met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de (kanton)rechter, oordelende in een bodemprocedure tussen partijen, de vordering(en) zal toewijzen. In dat licht moeten de onderstaande overwegingen worden beschouwd.

4.3 Kern van het geschil betreft de vraag of DHB Bank vanaf 1 augustus 2007 nog als werkgever van [eiser] kan worden beschouwd en of zij [eiser] dientengevolge tot zijn werkzaamheden moet toelaten en hem zijn loon moet doorbetalen. Vast staat dat [eiser] in ieder geval tot 1 augustus 2007 officieel in dienst was van DHB Bank en dat hij was gedetacheerd bij de dochteronderneming DHB Hypotheken en Verzekeringen. Van een arbeidsovereenkomst tussen DHB Hypotheken en Verzekeringen en [eiser] was derhalve geen sprake.

[eiser] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zijn werkzaamheden de laatste maanden voor 50% uit verzekeringswerkzaamheden en voor 50% uit werkzaamheden bestonden met betrekking tot de Turkije Hypotheek, zijnde een exclusief product van DHB Bank, dat niet door DHB Hypotheken en Verzekeringen werd aangeboden. Met betrekking tot de laatstgenoemde categorie werkzaamheden heeft [eiser] een aantal producties in het geding gebracht, waaruit de kantonrechter - anders dan DHB Bank - afleidt dat [eiser]s werkzaamheden met betrekking tot de Turkije Hypotheek meer omvatten dan die van een tussenpersoon. Aldus kan niet worden gezegd dat het dienstverband tussen [eiser] en DHB Bank een lege huls betreft.

4.4 Tijdens de onderhandelingen met betrekking tot de verkoop van de verzekeringsportefeuille van DHB Hypotheken en Verzekeringen heeft DHB Bank zich (aanvankelijk) op het standpunt gesteld dat [eiser] bij DHB Bank zou blijven, hetgeen ook blijkt uit het emailbericht van de heer E. Ulu d.d. 15 juni 2007, gericht aan de heer Gunnink van Dullemond Bedrijfsadvies (productie 4 bij dagvaarding). Op 13 juli 2007 heeft DHB Bank [eiser] echter uit dienst gemeld. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat twee andere medewerkers, die in dezelfde positie verkeerden, in tegenstelling tot [eiser] in verband met de verkoop van de verzekeringsportefeuille een exit-regeling kregen aangeboden.

De koper van de verzekeringsportefeuille heeft [eiser] een (nieuwe) arbeidsovereenkomst voorgelegd (die [eiser] om hem moverende redenen heeft geweigerd te tekenen). De kantonrechter merkt op dat het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst bij een (echte) overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW niet noodzakelijk is om een arbeidsrelatie tussen de nieuwe werkgever en de werknemer tot stand te brengen, omdat de overgang van de werknemer naar de nieuwe werkgever dan van rechtswege plaatsvindt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen DHB Bank en [eiser] na 1 augustus 2007 in stand is gebleven en dat DHB Bank de hieruit voortvloeiende verplichtingen voor haar rekening dient te nemen.

4.5 De op straffe van een dwangsom gevorderde wedertewerkstelling kan om praktische redenen niet worden toegewezen, aangezien de door [eiser] tot 1 augustus 2007 op detacheringsbasis bij DHB Hypotheken en Verzekeringen verrichte werkzaamheden naar de koper van de verzekeringsportefeuille van DHB Hypotheken en Verzekeringen zijn overgegaan en de functie van adviseur Turkije Hypotheek bij DHB Bank thans niet meer vacant is. Dit ontslaat DHB Bank evenwel niet van haar verplichting [eiser] salaris te betalen tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een rechtsgeldige wijze is beëindigd en hem passende werkzaamheden aan te bieden.

De vordering om het (achterstallig) loon (door) te betalen zal dan ook worden toegewezen. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging is als niet afzonderlijk weersproken eveneens toewijsbaar, zij het dat de wettelijke verhoging vooralsnog naar redelijkheid zal worden beperkt tot 10% over het reeds opeisbaar geworden salaris.

4.6 DHB Bank zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. De kantonrechter acht geen termen aanwezig om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief, zodat bij de vaststelling van het salaris gemachtigde wordt uitgegaan van een bedrag van € 200,00 per punt.

5. De beslissing

De kantonrechter,

bij wege van voorlopige voorziening,

veroordeelt DHB Bank om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] te voldoen:

I. een bedrag van € 3.071,00 bruto, zijnde het salaris over de maand augustus 2007 onder gelijktijdige verstrekking aan [eiser] van een deugdelijke specificatie;

II. het contractueel overeengekomen salaris ad € 3.071,00 bruto, maandelijks vanaf 1 september 2007 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een rechtsgeldige wijze is beëindigd;

III. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder I genoemde bedrag ad 10 %, zijnde € 307,10 bruto, alsmede over het onder II genoemde verschuldigde salaris voor zover dit thans is vervallen, met een maximale hoogte tot 10% van het salaris;

IV.de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, te voldoen over het onder I en II verschuldigde bedrag;

veroordeelt DHB Bank in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:

vast recht € 199,00

kosten exploot € 84,31

salaris gemachtigde € 400,00

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Nouwt, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.