Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC1222

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
249998 / HA ZA 05-3267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkomen op bindende eindbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 249998 / HA ZA 05-3267

Uitspraak: 12 december 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. J.C. Brökling,

- tegen -

1. Jacobus Cornelis [GEDAAGDE SUB 1], h.o.d.n. Architectenbureau ir. J.C. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H.L.C. van Paridon.

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOUWCONSULT C. [GEDAAGDE SUB 2] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

procueur mr. H.E. Schweers,

advocaat mr. E.R. Knoester te Steenbergen.

3. De vennootschap onder firma AANNEMERSBEDRIJF [X],

gevestigd te [woonplaats],

4. [X],

wonende te [woonplaats],

5. [X],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. D. Bercx te Nijmegen.

Eiser blijft hierna aangeduid als “[eiser]”, gedaagde sub 1 als “[gedaagde sub 1]”, gedaagde sub 2 als “[gedaagde sub 2]” en gedaagden sub 3 tot en met 5 gezamenlijk als “[X]”.

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 maart 2007 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- akte aan de zijde van [eiser], met productie;

- conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 1].

- akte houdende uitlating brief rechtbank aan de zijde van [X];

- akte aan de zijde van [eiser].

- antwoordakte na tussenvonnis aan de zijde van [gedaagde sub 2];

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van:

- de brief van de zijde van [gedaagde sub 1] d.d. 8 mei 2007, met bijlage;

- de brief van deze rechtbank d.d. 4 juni 2007.

2 De verdere beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

2.1 Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vordering jegens [gedaagde sub 1] voor toewijzing gereed ligt. Deze overweging was gebaseerd op de aanname dat [gedaagde sub 1] zijn verweer niet langer handhaafde, aangezien hij geen conclusie van dupliek had genomen.

Bij brief van 8 mei 2007 heeft [gedaagde sub 1] de rechtbank laten weten dat hij wel voor dupliek had willen concluderen en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn conclusie van dupliek ook daadwerkelijk was genomen. Hij verzoekt de rechtbank in deze brief om ófwel tussentijds appel toe te staan tegen voormeld tussenvonnis ófwel hem alsnog in de gelegenheid te stellen de conclusie van dupliek in het geding te brengen.

[eiser] heeft aangegeven het ongewenst te achten indien de zaken tegen de verschillende gedaagden uiteen gaan lopen. Hij stelt zich op het standpunt dat dit voorkomen kan worden door geen tussentijds appel toe te staan en het eindvonnis ten aanzien van alle gedaagden te wijzen.

2.2 De rechtbank overweegt als volgt. De in voormeld tussenvonnis gegeven beslissing dat de vordering jegens [gedaagde sub 1] voor toewijzing gereed ligt, is een eindbeslissing. Van een dergelijke beslissing kan in dezelfde instantie niet meer worden teruggekomen, behalve ingeval bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie is gebonden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste in casu het geval is. [eiser] heeft niet betwist dat [gedaagde sub 1] in de veronderstelling verkeerde dat hij een conclusie van dupliek had genomen. De rechtbank kan voorts niet uitsluiten dat het aan een haar toe te rekenen administratieve fout te wijten is dat deze conclusie niet daadwerkelijk is genomen. Gebleken is in ieder geval dat [gedaagde sub 1] zijn verweer wenste te handhaven, zodat de hierbedoelde eindbeslissing op een ondeugdelijke grondslag is gebaseerd. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het onaanvaardbaar is indien zij aan die beslissing gebonden zou zijn en daardoor gedwongen wordt tot een resultaat te komen dat aan het daadwerkelijke geschil tussen partijen geen recht kan doen. De rechtbank zal derhalve terugkomen op de hierbedoelde eindbeslissing en de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 1] alsnog in haar beoordeling betrekken.

2.3 [gedaagde sub 1] heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard. Hij heeft daartoe gesteld dat [eiser] zijn opdracht aan [gedaagde sub 1] op 25 februari 1997 heeft beëindigd, zodat de vordering van [eiser] op 25 februari 2002 is verjaard. De door [eiser] op 28 oktober 2002 verzonden stuitingsbrief is derhalve tardief, aldus [gedaagde sub 1].

Dit verweer wordt verworpen. Krachtens artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijk persoon bekend is geworden. Nu vast staat dat de vochtproblemen dan wel lekkages zich pas in de zomer van 1998 hebben voorgedaan (vaststaand feit 2.2 in het tussenvonnis van 28 maart 2007), kan tevens als vaststaand aangenomen worden dat [eiser] pas op dat moment met de schade bekend is geworden. De vordering kon derhalve niet eerder dan in de zomer van 2003 verjaren, zodat deze verjaring met de brief van 28 oktober 2002 tijdig is gestuit.

2.4 [gedaagde sub 1] heeft voorts aangevoerd dat [eiser] niet binnen de bekwame termijn als bedoeld in artikel 6:89 BW bij [gedaagde sub 1] heeft geprotesteerd. [gedaagde sub 1] stelt dat hij pas bij brief van 8 januari 2000 door [eiser] is aangeschreven ter zake de vochtproblemen. [eiser] heeft zich in zijn conclusie van repliek op het standpunt gesteld dat hij direct bij gedaagden heeft geklaagd, doch dat hij door hen op het verkeerde been is gezet (punt 12 conclusie van repliek). Weliswaar staat deze stelling onder het kopje “ten aanzien van het verweer van [gedaagde sub 2]” doch onder punt 3 van zijn conclusie geeft [gedaagde sub 1] aan dat de bespreking van de verweren als één geheel dient te worden gezien. Voorts verwijst hij onder punt 49 (bij de bespreking van het verweer van [gedaagde sub 1]) naar zijn eerdere stelling dat hij tijdig heeft geprotesteerd. Het is de rechtbank echter niet duidelijk of [eiser] bedoelt te stellen dat hij ook direct bij [gedaagde sub 1] heeft geklaagd en ook door hem op het verkeerde been is gezet. De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten teneinde [eiser] in de gelegenheid stellen zich hieromtrent nog nader uit te laten. [eiser] zal ter comparitie concreet dienen aan te geven wanneer en op welke wijze hij voor het eerst bij [gedaagde sub 1] heeft geklaagd.

Wat betreft de stellingen van [gedaagde sub 1] op dit punt is het de rechtbank niet duidelijk of hij zich op het standpunt stelt dat hij bij brief van 8 januari 2000 voor het eerst schriftelijk door [eiser] op de hoogte is gesteld van de vochtproblemen of dat hij hiermee bedoelt te stellen dat hij niet eerder dan door deze brief hiervan op de hoogte is gesteld. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] in de gelegenheid stellen zich ter comparitie hieromtrent nog nader uit te laten.

De rechtbank zal de beslissing op dit punt aanhouden totdat de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden.

2.5 Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat [gedaagde sub 1] binnen bekwame tijd als hiervoor bedoeld heeft geprotesteerd, wordt het volgende overwogen.

[gedaagde sub 1] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vochtproblemen veroorzaakt worden door uitvoeringsfouten en niet door ontwerpfouten. Hij heeft daarbij onbetwist gesteld dat zijn opdracht was beperkt tot het maken van een voorlopig en een definitief ontwerp en dat de bouwtechnische uitvoering niet onder zijn opdracht viel.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 1] rust op [eiser] de bewijslast van zijn stelling dat de vochtproblemen voor een deel veroorzaakt worden door ontwerpfouten. [gedaagde sub 1] heeft de juistheid van het door [eiser] ingebrachte deskundigenrapport gemotiveerd betwist. Nu [gedaagde sub 1] niet bij de totstandkoming van dit rapport betrokken is geweest, is de rechtbank van oordeel dat dit rapport niet tot bewijs kan dienen. Een rapport door een door de rechtbank te benoemen deskundige is derhalve noodzakelijk. De rechtbank zal ter comparitie partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten omtrent de persoon van de deskundige(n), de aan deze te stellen vragen en de hoogte van het voorschot. Partijen wordt verzocht de rechtbank uiterlijk twee weken voor de zitting een (zo mogelijk gezamenlijk) schriftelijk voorstel hieromtrent toe te zenden.

2.6 Iedere beslissing ten aanzien van de gevorderde schade zal worden aangehouden totdat omtrent de aansprakelijkheid is beslist.

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

2.7 Bij tussenvonnis van 28 maart 2007 is [eiser] in de gelegenheid gesteld zijn stellingen omtrent de exacte opdracht die hij aan [gedaagde sub 2] heeft gegeven nader te concretiseren.

[eiser] heeft vervolgens in zijn akte gesteld dat hij [gedaagde sub 2] heeft ingehuurd als bouwbegeleider met de volgende taken: het voorstellen van de aannemer, het controleren van offertes en de begroting op het gebruik van juiste materialen en prijzen, het bewaken van de kwaliteit van het werk, het verzorgen van de eindoplevering en het ter controle van de bouw minimaal één keer per week bezoeken van de bouwplaats. Omdat [gedaagde sub 2] kennis had op het gebied van de aannemerij mocht van hem in redelijkheid verwacht worden dat hij kennis van zaken had en dat hij de bouwtekeningen en de uitvoering kon beoordelen op de technische juistheid, aldus [eiser].

[gedaagde sub 2] heeft in haar antwoordakte haar betwisting dat zij als bouwbegeleider is ingehuurd gehandhaafd. Zij heeft [eiser] slechts op ad hoc basis financiële adviezen gegeven.

Zoals in voormeld tussenvonnis reeds is overwogen rust tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 2] op [eiser] de bewijslast van zijn stellingen ter zake. Alvorens [eiser] echter tot dit bewijs toe te laten, zal de rechtbank eerst de hiervoor vermelde comparitie van partijen afwachten. Indien immers te zijner tijd mocht komen vast te staan dat [gedaagde sub 2] als bouwbegeleider heeft opgetreden, kan het aldaar vermelde deskundigenbericht ook van belang zijn voor de zaak tegen [gedaagde sub 2]. Ter comparitie zal [gedaagde sub 2] in de gelegenheid worden gesteld aan te geven of zij zich om die reden thans reeds wenst uit te laten omtrent de persoon van de deskundige(n), de aan deze te stellen vragen en de hoogte van het voorschot. Voorts zal met partijen besproken worden of reeds met de bewijslevering wordt begonnen dan wel eerst het deskundigenbericht zal worden afgewacht.

2.8 Tot slot merkt de rechtbank nog het volgende op. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen dat hij [gedaagde sub 2] als bouwbegeleider heeft ingehuurd er onder meer op gewezen dat [gedaagde sub 2] in de bouwverslagen wordt aangeduid als bouwbegeleider. De rechtbank heeft in het dossier slechts bouwverslagen aangetroffen die zijn opgemaakt nadat de bouw reeds was afgerond. Indien er bouwverslagen zijn gemaakt van besprekingen die tijdens de bouw hebben plaatsgevonden, wenst de rechtbank ook deze graag in te zien. [eiser] wordt verzocht deze verslagen, indien aanwezig, uiterlijk twee weken voor de zitting aan de rechtbank over te leggen.

Voorts heeft [gedaagde sub 2] in haar antwoordakte aangegeven dat er een prijskaartje aanhangt indien zij als bouwbegeleider wordt ingehuurd. Naar aanleiding hiervan verzoekt de rechtbank [gedaagde sub 2] haar uiterlijk twee weken voor de zitting een (met bescheiden onderbouwd) overzicht toe te zenden van de totale vergoeding die zij van [eiser] heeft ontvangen voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de bouw van het ten processe bedoelde pand. Ook [eiser] wordt verzocht de rechtbank een dergelijk (met bescheiden onderbouwd) overzicht toe te zenden.

Ter comparitie kunnen voormelde bescheiden ter sprake worden gebracht.

Ten aanzien van [X]

2.9 Zoals in voormeld tussenvonnis onder punt 7.9 reeds is overwogen, is ook in het geschil tussen [eiser] en [X] een rapport door een door de rechtbank te benoemen deskundige noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dit rapport door dezelfde deskundige kan worden opgemaakt als het rapport hiervoor vermeld onder 2.5. Ook [X] zal derhalve ter comparitie in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten omtrent de persoon van de deskundige(n), de aan deze te stellen vragen en de hoogte van het voorschot. Ook hem wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de zitting de rechtbank een (zo mogelijk gezamenlijk) schriftelijk voorstel hieromtrent toe te zenden.

3 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, [eiser], [gedaagde sub 1] en gedaagden sub 4 en 5 in persoon en [gedaagde sub 2] deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Fiege, op maandag 10 maart 2008 van 9.30 tot 11.00 uur teneinde als hiervoor vermeld onder 2.4, 2.5, 2.7, 2.8 en 2.9;

beveelt dat partijen het (gezamenlijk) voorstel als hiervoor onder 2.5 en 2.9 bedoeld uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij zullen toezenden;

beveelt dat [eiser] de onder 2.8 bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij zal toezenden;

beveelt dat [gedaagde sub 2] de onder 2.8 bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij zal toezenden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204