Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC0862

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
24-12-2007
Zaaknummer
Awb 06/3193 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinair strafontslag toezichthouder garage wegens onder invloed verschijnen op werk, blijkens verklaringen collega’s, gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: Awb 06/3193 AW

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

Gemachtigde mr. V.M. Weski, advocaat te Rotterdam,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam,

gemachtigde mr. T. Meijer.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang in zijn betrekking geschorst op grond van artikel 74, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (hierna: AR). Tevens is daarbij besloten de bezoldiging van eiser met onmiddellijke ingang geheel in te houden op grond van artikel 77, eerste lid, van het AR. Voorts is aan eiser bij dit besluit de toegang tot de gebouwen en terreinen van Stadstoezicht ontzegd op grond van artikel 102, tweede lid, van het AR. Het bezwaar van eiser hiertegen van 14 november 2005 is bij besluit van 7 maart 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het besluit in primo is herroepen voor zover het betreft de volledige inhouding van de bezoldiging. In plaats daarvan wordt 50% van de bezoldiging ingehouden. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep van eiser tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank van 21 februari 2007 niet ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 20 januari 2006 heeft verweerder eiser disciplinair bestraft met ontslag met onmiddellijke ingang en zonder toevoeging van het woord eervol op grond van het bepaalde in de artikelen 79, eerste lid, onder j, 83 en 97, tweede lid, van het AR.

Bij brief van 15 februari 2006 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 25 april 2006 is eiser door de Algemene Bezwaarschriftencommissie, kamer V, op zijn bezwaren gehoord. De Algemene Bezwaarschriftencommissie heeft op dezelfde dag aan verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren, het besluit van 20 januari 2006 te handhaven, zij het zonder vermelding van een incident op 9 oktober 2004.

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder het advies overgenomen en de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 4 augustus 2006, aangevuld bij brief van 14 februari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 14 september 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2007. Ter zitting is eiser verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was voor verweerder aanwezig

F.J. Copper, werkzaam bij de dienst Stadstoezicht.

2. Overwegingen

2.1. Regelgeving

In artikel 78 van het AR is bepaald dat de ambtenaar wegens plichtsverzuim disciplinair kan worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van hetgeen een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In artikel 79, eerste lid, onder j, van het AR is bepaald dat ontslag een disciplinaire straf is.

In artikel 83 van het AR is bepaald dat geen straf ten uitvoer wordt gelegd, zolang het strafbesluit niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

In artikel 97, tweede lid, van het AR is bepaald dat in het geval bedoeld in artikel 79, eerste lid, onder j, het ontslag ook zonder de toevoeging van het woord eervol kan worden verleend.

2.2. Standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voldoende aannemelijk is dat eiser op 28 juli 2005 onder invloed van alcohol op zijn werkplek is aangetroffen. Daartoe zijn vijf verklaringen van collega’s overgelegd, waaronder één van de leidinggevende van eiser. Hetgeen door eiser naar voren is gebracht vormt geen aanleiding om deze verklaringen in twijfel te trekken. Met deze gedraging heeft eiser gedaan wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser bij besluit van 7 maart 2005 een disciplinaire straf is opgelegd inzake alcoholgebruik en dronkenschap op 22 oktober 2004 tijdens de uitoefening van zijn functie, hetgeen eiser heeft erkend. Bij dit besluit is eiser tevens gewaarschuwd dat bij een vergelijkbare vorm van plichtsverzuim een zwaardere disciplinaire straf kan worden opgelegd waarbij disciplinair ontslag niet wordt uitgesloten. Er zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd, als gevolg waarvan de verwijtbaarheid en/of toerekenbaarheid van de gedraging op 28 juli 2005 in het geding zou(den) kunnen zijn. Voorts bestaat er naar het oordeel van verweerder geen onevenredigheid tussen het disciplinaire ontslag en de ernst van het plichtverzuim, gelet op de waarschuwing die eiser op 7 maart 2005 heeft gekregen. Voorts is de aard van de gedraging niet verenigbaar met de functie van eiser, waarbij in contact met publiek wordt getreden en het aanzien van Stadstoezicht in het geding is. Bovendien betreft het een toezichthoudende functie, zodat de aard van de gedraging van zwaarwegende betekenis is. Er is naar het oordeel van verweerder voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.

2.3. Standpunt van eiser

Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderzoek voorafgaand aan het disciplinair ontslag te lang heeft geduurd, namelijk een periode van omstreeks drie maanden. Eiser leefde in de veronderstelling dat één en ander met een sisser af zou lopen. Voorts bestrijdt eiser dat hij op 28 juli 2005 dronken op het werk is verschenen. Dit valt niet af te leiden uit de door verweerder aan het besluit ten grondslag gelegde stukken. De getuigenverklaringen die verweerder heeft overgelegd zijn feitelijk onjuist en onbetrouwbaar, omdat het ambtenaren in dienst van verweerder betreft en zij de verklaringen op verzoek van verweerder hebben opgesteld. Verweerder motiveert niet waarom de verklaring van eiser dat hij die dag niet had gedronken ongeloofwaardig is. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende de belangen van eiser heeft betrokken bij de afweging of ontslag gerechtvaardigd is. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij ernstig getraumatiseerd is voor zijn komst naar Nederland, waarmee door verweerder onvoldoende rekening is gehouden.

2.4. Beoordeling

De rechtbank acht het beroep van eiser ontvankelijk en overweegt daartoe het volgende. Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld de gronden van zijn beroep in te dienen binnen een termijn van vier weken. Weliswaar zijn de gronden van het beroep niet binnen deze termijn door de rechtbank ontvangen, maar de rechtbank acht het beroep om deze reden niet niet ontvankelijk nu de brief van 8 augustus 2006 door de rechtbank niet aangetekend is verzonden en er geen verzendadministratie van deze verzending voorhanden is. Gelet hierop heeft de rechtbank eiser bij aangetekende brief van 8 februari 2007 nogmaals in de gelegenheid gesteld de gronden van zijn beroep in te dienen binnen één week, binnen welke termijn de gronden van het beroep door de rechtbank zijn ontvangen, namelijk op 14 februari 2007.

Met betrekking tot de beroepsgrond van eiser dat het onderzoek naar het incident op

28 juli 2005 te lange tijd in beslag heeft genomen en voor zover daarmee is beoogd een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen, overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat eiser eerder bij besluit van 7 maart 2005 disciplinair is bestraft wegens gebruik van alcohol in de uitoefening van zijn functie. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vast staat. Voorts is in dit besluit een expliciete waarschuwing opgenomen dat bij een vergelijkbare of andere vorm van plichtsverzuim in de toekomst een zwaardere disciplinaire maatregel kan worden opgelegd, waarbij de zwaarste straf van disciplinair ontslag niet wordt uitgesloten. Voorts is blijkens de rapportage van eisers leidinggevende, D, van 28 juli 2005 aan eiser op 28 juli 2005 medegedeeld dat het incident bepaalde consequenties zal hebben en heeft deze eiser vervolgens naar huis gestuurd. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser aan het enkele tijdsverloop gemoeid met het disciplinair onderzoek niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hem geen disciplinaire maatregel zou worden opgelegd. Voorts overweegt de rechtbank dat een periode van twee en een halve maand voor een disciplinair onderzoek en besluitvorming niet dusdanig lang of ongebruikelijk is dat bij eiser op grond van het enkele tijdsverloop dat daarmee gemoeid is het vertrouwen kon ontstaan dat hij niet disciplinair zou worden bestraft. Bovendien komt in dit kader betekenis toe aan het feit dat verweerder verplicht is een zorgvuldig onderzoek te verrichten alvorens overgegaan kan worden tot het opleggen van een disciplinaire maatregel.

Met betrekking tot eisers betwisting van de door verweerder aan het disciplinaire ontslag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft in dit kader een rapport overgelegd van de chef garage, opgemaakt op

28 juli 2005, inhoudende dat eiser naar alcohol rook en aan zijn ogen te zien was dat hij gedronken had. Na confrontatie hiermee heeft eiser blijkens het rapport schoorvoetend toegegeven dat hij alcohol had gedronken. Voorts heeft verweerder vier verklaringen van collega’s van eiser overgelegd die allen inhouden dat eiser op 28 juli 2005 tijdens het werk onder invloed van alcohol was. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser ter zitting heeft erkend dat hij de nacht voor 28 juli 2006 had gedronken. De rechtbank stelt vast dat eiser geen verklaringen van derden heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt. Voorts heeft eiser niet onderbouwd dat de verklaringen van zijn collega’s feitelijk onjuist dat wel onbetrouwbaar zouden zijn. De enkele betwisting van de feiten en betrouwbaarheid van de verklaringen door eiser kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de bewijskracht die van bovengenoemde feiten en omstandigheden uitgaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve de aan eiser verweten gedraging op 28 juli 2005 voldoende aannemelijk gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de feiten en omstandigheden zijn te kwalificeren als plichtsverzuim en dit plichtsverzuim aan eiser is toe te rekenen, zodat verweerder bevoegd was aan eiser een disciplinaire straf op te leggen.

Met betrekking tot de evenredigheid van de opgelegde straf overweegt de rechtbank het volgende. Voor zover eiser met zijn stelling dat hij voor zijn komst naar Nederland ernstig getraumatiseerd was, heeft willen aanvoeren dat de aan hem opgelegde straf onevenredig is, stelt de rechtbank voorop dat deze stelling niet is onderbouwd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat dit gestelde trauma enig causaal verband heeft met eisers gedraging op 28 juli 2005. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit zijn zwaarwegende belangen uiteen gezet en deze afgewogen tegen de belangen van eiser. In dit verband acht de rechtbank het tevens van belang dat eiser eerder voor hetzelfde gedrag is gewaarschuwd op 7 maart 2005. Vorenstaande overwegingen brengen de rechtbank tot het oordeel dat het opgelegde strafontslag met onmiddellijke ingang niet als onevenredig is te beschouwen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen besluiten tot het opleggen van het disciplinaire ontslag.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. H. van den Heuvel als voorzitter en mr. A. van ’t Laar en

mr. C. Laukens als leden, en door de voorzitter en mr. J. van Dort, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2007.

afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.