Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC0852

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2007
Datum publicatie
28-12-2007
Zaaknummer
07/3431
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BI4153, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet maatschappelijke ondersteuning. Het college heeft zich op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de toegang tot de daklozenopvang Centraal Onthaal, omdat hij niet rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: WMO 07/3431-NIFT

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], verblijvende te [verblijfplaats], eiser,

gemachtigde mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. J. Bootsma, advocaat te `s-Gravenhage.

1. Ontstaan en loop van de procedure, tevens feiten en omstandigheden die als

vaststaand worden aangenomen

Op 19 juli 2007 heeft eiser bij het loket verzocht om toegang tot de daklozenopvang Centraal Onthaal.

Bij besluit van 19 juli 2007 heeft verweerder dit verzoek geweigerd, omdat eiser niet voldeed aan de toetsingscriteria rechtmatig verblijf in Nederland en binding met de regio.

Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft verweerder opnieuw eisers verzoek geweigerd, nu omdat hij niet voldoet aan het toetsingscriterium rechtmatig verblijf. Het besluit van 19 juli 2007 heeft verweerder vervallen verklaard.

Eisers gemachtigde heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt, bij brieven van respectievelijk 23 juli 2007 en 15 augustus 2007.

Bij besluit van 11 september 2007 heeft verweerder met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 3 augustus 2007 gehandhaafd onder vervanging en aanvulling van de motivering.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eisers gemachtigde bij brief van

18 september 2007 beroep ingesteld.

Voorts heeft eisers gemachtigde bij dezelfde brief de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende het toelaten van eiser tot de opvang Centraal Onthaal. Bij uitspraak van 6 november 2007 is dit verzoek door de voorzieningenrechter afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2007, waar partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2 Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO), voor zover van belang, valt onder de definitie van maatschappelijke opvang het tijdelijk bieden van onderdak.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onder g en 7°, van de WMO, voor zover van belang, valt onder maatschappelijke ondersteuning het bieden van maatschappelijke opvang.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WMO, kan een vreemdeling voor het verlenen van een individuele voorziening slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).

In artikel 8, tweede lid, van de WMO is bepaald dat in afwijking van het eerste lid in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vw, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven individuele voorzieningen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, juncto artikel 20, eerste lid, van de WMO kan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van onder meer maatschappelijke opvang.

In artikel 20, zesde lid, van de WMO, voor zover van belang, is bepaald dat de door gemeenten ingevolge het eerste lid bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang toegankelijk zijn voor iedereen die in Nederland woont.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de WMO berust na de inwerkingtreding van artikel

20 van de WMO het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (hierna: Besluit) op het eerste en tweede lid van dat artikel.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit behoort de gemeente Rotterdam tot een der gemeenten als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de WMO.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vw, voor zover van belang, kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen en voorzieningen van een bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid, van artikel 10 van de Vw, voor zover van belang, kan van het eerste lid worden afgeweken, indien de aanspraak betrekking heeft op de verlening van medisch noodzakelijke zorg van de vreemdeling.

2.2. Standpunten van partijen

Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, kamer VI, van 5 september 2007 blijkt dat verweerder eiser geen toegang biedt tot de daklozenopvang Centraal Onthaal, omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft aan deze afwijzing artikel 10, eerste lid, van de Vw ten grondslag gelegd. Verweerder heeft verder meegedeeld dat, voor zover er sprake is van noodzakelijke en urgente medische zorg, eiser op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw voor noodzakelijke medische zorg in aanmerking komt, maar ook dan niet toegelaten wordt tot de opvang Centraal Onthaal. Verweerder heeft in verband hiermee de GGD opgedragen een onderzoek te verrichten. Het beroep dat eiser heeft gedaan op internationale bepalingen heeft verweerder afgewezen omdat het niet gaat om een ieder verbindende bepalingen.

Eiser stelt dat verweerder op grond van artikel 20 van de WMO aan hem opvang dient te bieden en dat artikel 10, eerste lid van de Vw hieraan niet af doet. Verweerders weigering om eiser toe te laten tot de opvang Centraal Onthaal acht eiser in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), waaronder, naar eiser stelt, ook het bieden van de basisbehoefte 'shelter' (onderdak) valt. Door het onthouden van onderdak is geen privéleven mogelijk, zodat het weigeren van opvang ook in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verder beroept eiser zich op het recht op huisvesting zoals dat voortvloeit uit artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESVH) en artikel 11 van het Internationaal Convenant on Economic Social and Cultural Rights (IVESCR). Eiser stelt voorts dat opvang in eisers geval gelijk te stellen is met noodzakelijke medische zorg, waarop hij op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw zonder geldige verblijfsstatus aanspraak kan maken. Ook op grond van het door artikel 12 van het IVESCR gegarandeerde recht op gezondheid, stelt eiser dat verweerder hem zorg in de vorm van opvang dient te bieden. Eiser stelt dat indien komt vast te staan dat gezondheidsschade optreedt door het onthouden van zorg aan eiser, hem opvang geboden moet worden. Eiser is daarom van mening dat verweerder onzorgvuldig handelt door niet eerst de resultaten van het GGD-onderzoek af te wachten alvorens het bestreden besluit te nemen en eiser tot die tijd geen onderdak te bieden.

2.3 Beoordeling

2.3.1 Voorop wordt gesteld dat niet in geschil is, en ook de rechtbank gaat hiervan uit, dat eiser in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw.

2.3.2 Partijen zijn het er voorts over eens dat toelating tot de opvang Centraal Onthaal niet is aan te merken als een individuele voorziening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WMO, maar als een collectieve voorziening in de zin van artikel 20 van de WMO, zoals hiervoor in rubriek 2.1 weergegeven. Ook de rechtbank heeft, anders dan haar voorzieningenrechter in de uitspraak van 6 november 2007, geen aanknopingspunten gevonden hierover anders te oordelen.

Dit oordeel volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 20, zesde lid, van de WMO, nu hierin is bepaald dat de in het eerste lid van artikel 20, van de WMO bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang toegankelijk zijn voor iedereen die in Nederland woont. De rechtbank acht een dergelijk oordeel voorts in lijn met de strekking van deze bepaling. Naar het oordeel van de rechtbank draagt maatschappelijke opvang een collectief karakter, omdat daarmee in opvang voor daklozen in het algemeen wordt voorzien. Voorts is in de wetsgeschiedenis de in de WMO geregelde maatschappelijke opvang nergens als individuele voorziening aangemerkt. Integendeel, uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de WMO (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30131, nr. 29, blz. 105) valt af te leiden dat maatschappelijke opvang als een collectieve voorziening is gezien.

2.3.3 Partijen zijn het er voorts over eens dat de wettelijke grondslag voor een afwijzing als hier aan de orde dient te worden gevonden in artikel 10, eerste lid, van de Vw en niet in artikel 8, eerste lid, van de WMO. Hoewel opvallend is dat de aanvraag is gedaan op grond van de WMO terwijl de weigeringsgrond niet is gelegen in die wet maar in een andere wet, gaat ook de rechtbank hiervan uit.

2.3.4 Aldus spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vw zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de toegang tot de daklozenopvang Centraal Onthaal, omdat hij niet rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw.

Allereerst verwerpt de rechtbank het betoog van eiser dat hier geen sprake is van een voorziening in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Vw. De stelling van eiser dat Centraal Onthaal een pasjessysteem hanteert en dat een pasje niet gezien kan worden als een voorziening, is ontoereikend voor een dergelijk oordeel. Dat, naar gesteld, de opvang volgens de wetsgeschiedenis niet is bedoeld voor uitgeprocedeerde asielzoekers omdat die gebruik kunnen maken van de IOM-voorzieningen en eiser niet tot die categorie van vreemdelingen behoort, maakt dit niet anders.

Voorts verwerpt de rechtbank het betoog van eiser dat verweerder hem op grond van artikel

20 van de WMO opvang dient te bieden en dat artikel 10, eerste lid, van de Vw hieraan niet af doet. Met dit betoog miskent eiser dat in dit artikellid het zogeheten koppelingsbeginsel is neergelegd. Dit blijkt uit de toelichting op dit artikellid (Memorie van Toelichting, 26 732, nr. 3, blz. 22): “De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.” In de Memorie van Toelichting bij de Koppelingswet (Tweede Kamer, 1994-1995, 24233, nr. 3, blzn. 1 en 2) heeft de regering de doeleinden van het koppelingsbeginsel (samengevat) als volgt aangeduid: enerzijds het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfspositietoets wordt aangelegd, en anderzijds het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit koppelingsbeginsel een algemeen leidend beginsel, dat niet kan worden doorkruist door het bepaalde in artikel 20, eerste en zesde lid, van de WMO. Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de WMO (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30131, nr. 29, blz. 105). Hierin staat immers vermeld dat de landelijke toegankelijkheid alleen betrekking heeft op legaal in Nederland verblijvende mensen. Voorts wordt in dit oordeel betrokken dat in artikel 20 van de WMO geen uitzondering op artikel 10, eerste lid, van de Vw is gemaakt, hetgeen, gelet op het bovenstaande, naar het oordeel van der rechtbank in de rede zou hebben gelegen indien dit de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 8, tweede lid, van de WMO waarin dit uitdrukkelijk wel is bepaald in de daar genoemde gevallen.

2.3.5 Eiser heeft voorts argumenten aangedragen ter ondersteuning van de stelling dat zijn medische situatie meebrengt dat verweerder gehouden is om hem maatschappelijke opvang te bieden.

Deze stelling kan niet gevolgd worden, reeds omdat eiser zijn gezondheidssituatie - ook in beroep - niet met medische stukken heeft onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.

Hiermee strandt ook het betoog van eiser dat zijn gezondheidstoestand een omstandigheid is waardoor verweerder, door het onthouden van 'shelter' handelt in strijd met de artikelen 3 en 8 van het EVRM.

Uit het vorenoverwogene volgt dat, wat er ook zij van de gezondheidssituatie van eiser, de geldende voorschriften in de WMO verweerder, gelet op genoemde verblijfsstatus van eiser, niet de ruimte bieden om maatschappelijke opvang te verlenen. De rechtbank overweegt verder dat, voor zover eiser aanspraak maakt op medisch noodzakelijke zorg, artikel 10, tweede lid, van de Vw van toepassing is. In genoemd artikellid is immers bepaald dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, toch aanspraak kan maken op toekenning van voorzieningen, indien de aanspraak betrekking heeft op de verlening van medisch noodzakelijke zorg. Het gaat daarbij echter om andere voorzieningen dan de opvang als bedoeld in de WMO, terwijl een zodanige aanspraak in de onderhavige procedure niet aan de orde is. Naar verweerder terecht heeft opgemerkt staat los van deze procedure de aanspraak die eiser op grond van laatstgenoemd artikellid op medische zorg zou kunnen maken, indien de noodzaak daartoe komt vast te staan. Aan het resultaat van het lopende onderzoek bij de GGD kan reeds daarom niet de betekenis toekomen die eiser kennelijk voorstaat. Het betoog van eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de reactie van de GGD niet af te wachten op de haar bij brief van 6 september 2007 gestelde vragen, slaagt evenmin. Hoewel de vraagstelling in deze brief niet eenduidig is, kan de aan de GGD gestelde vraag, geplaatst tegen de achtergrond van het vorenoverwogene, slechts in het licht van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Vw worden bezien.

Nu door verweerder nader onderzoek wordt ingesteld en indien de resultaten daarvan daartoe aanleiding geven, eiser aanspraak kan maken op noodzakelijke medische zorg als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Vw, kan evenmin staande worden gehouden dat verweerder door afwijzing van eisers verzoek om toegelaten te worden tot de opvang Centraal Onthaal, handelt in strijd met genoemde artikelen van het EVRM.

Op de andere door eiser genoemde internationale verdragsbepalingen kan eiser geen rechtstreeks beroep doen. Deze hebben naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreekse werking. Gezien aard, strekking en bewoordingen van deze verdragsbepalingen leggen deze slechts verplichtingen op aan de verdragsluitende staten en zijn deze niet aan te merken als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

2.3.6 De hiervoor in paragraaf 2.3.4 geformuleerde vraag dient derhalve bevestigend te worden beantwoord.

2.3.7 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. R. Kruisdijk en

mr. I.K. Rapmund, leden, en door de voorzitter, en mr. A.J. Mourik, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2007.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: