Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BC0274

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
10/75518-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente Spijkenisse heeft in 2005 bij acht wijk- en jongerencentra heimelijk camera's laten installeren, teneinde via de door middel van deze verborgen camera's vervaardigde beelden meer duidelijkheid omtrent geconstateerde onregelmatigheden te kunnen krijgen.

De verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon heeft hierbij verzuimd het personeel van het onderzoek in kennis te stellen en het plaatsen van de camera's aan de (voorzitter van de) Ondernemingsraad kenbaar te maken.

Toen de verborgen camera's door een medewerker van een buurthuis werden ontdekt, is grote commotie ontstaan, doordat mensen zich bespied en in hun privacy aangetast voelden.

In juli 2005 is vervolgens door de gemeenteraadsfractie van GroenLinks te Spijkenisse aangifte gedaan.

Door te handelen als voormeld heeft de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon als overheidsorgaan laakbaar gehandeld en heeft zij op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de privacy van haar werknemers.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 139f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer : 10/775518-06

Datum uitspraak : 14 december 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon:

DE GEMEENTE SPIJKENISSE,

gevestigd aan de Raadhuislaan 106 te (3201 EL) Spijkenisse,

in deze procedure vertegenwoordigd door haar

raadsman mr. P.M. van Russen Groen, advocaat te 's -Gravenhage.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 03 december 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M.C. Kaptein heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en

- veroordeling van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon tot een geldboete van de 5e categorie (te weten €67.000,=) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde, dat het vonnis in deze zaak binnen

drie maanden na het onherroepelijk worden door middel van publicatie in het tijdschrift Binnenlands Bestuur openbaar gemaakt zal worden.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Door de raadsman van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat is gedagvaard: "Gemeente Spijkenisse, College van B&W", terwijl de Gemeente Spijkenisse een rechtspersoon is en het College van B&W dat niet is.

Een dergelijke wijze van oproepen van twee verdachten tegelijk is volgens de raadsman niet mogelijk.

Dit verweer wordt verworpen.

Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting is de raadsman door het bestuur van de

Gemeente Spijkenisse als publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 1,

van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, uitdrukkelijk gemachtigd namens deze publiekrechtelijke rechtspersoon de verdediging te voeren.

Op grond hiervan en gelet op het feit dat de toevoeging "College van B&W" bij "Gemeente Spijkenisse" een kennelijke schrijffout betreft, wordt de gedagvaarde en opgeroepen verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon geacht door de wijze van dagvaarding niet in haar verdediging te zijn geschaad.

Bovendien is tijdens de behandeling ter terechtzitting niet gebleken dat er onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de vraag, wie in deze procedure als verdachte is gedagvaard en opgeroepen.

Voorts is door de raadsman van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon aangevoerd, dat niet voldoende feitelijk is omschreven wat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon wordt verweten, nu onduidelijk is of de camera's afbeeldingen hebben vervaardigd van al dan niet voor het publiek toegankelijke ruimtes.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de in het geding zijnde lokaliteiten, te weten wijk- en jongerencentra, waar de camera's waren geplaatst, als niet voor het publiek toegankelijke plaatsen worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht.

Immers, in de betreffende wijk- en jongerencentra worden diensten aangeboden voor een specifiek publiek en de aangebrachte camera's waren gericht op de ingangen van de betreffen wijk- en jongerencentra, op kassa's en op werkplekken, met als doel de openingstijden en de medewerkers van die wijk- en jongerencentra en de kassahandelingen te observeren.

Dat daarbij ook beelden van buitenstaanders (kunnen) zijn opgenomen doet hieraan niet af.

De dagvaardig is geldig.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij in de periode van 7 april 2005 tot en met 9 mei 2005 te Spijkenise,

gebruik makende van technische hulpmiddelen, te weten 24 verborgen camera's,

waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt,

opzettelijk en wederrechtelijk van personen,

aanwezig in niet voor het publiek toegankelijke plaatsen,

te weten wijk-/jongerencentra, afbeeldingen heeft vervaardigd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen.

De verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen,

zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

T.a.v. de wederrechtelijkheid:

Namens de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is betoogd, dat het plaatsen van camera's niet wederrechtelijk is geweest in de zin van de artikelen 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht, omdat de plaatsing is geschied door een daartoe gecertificeerd particulier onderzoeksbureau, te weten SBV Forensics B.V. (hierna te noemen: SBV), overeenkomstig de voorschriften van de voor dit onderzoeksbureau geldende Privacygedragscode.

Daartoe wordt verwezen naar hetgeen bij de parlementaire behandeling van artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht terzake is opgemerkt, zowel bij de Memorie van Toelichting, als in de destijds door Minister Donner gegeven toelichting.

Gesteld wordt dat bij de plaatsing van de camera's de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen. De camera's zijn geplaatst om (de daders van) misdragingen op te sporen in een situatie, waarbij een eerder ingesteld administratief onderzoek niet voldoende informatie had opgeleverd, terwijl de aard en de ernst van de verdachte misdragingen van een dusdanig kaliber was, dat daarom de inzet van de camera's gerechtvaardigd was.

Het ging in casu om een verdenking jegens een groep personen, met als strafverzwarende omstandigheid de ambtenarenstatus.

Onder deze omstandigheden achtte de verdachte publiekrechtelijk rechtspersoon een strafrechtelijk onderzoek een te vergaand middel, dat mogelijk teveel schade zou aanrichten voor de betrokken personen, dan wel voor de onderlinge verhoudingen binnen het ambtelijk apparaat.

Daarnaast is, aldus de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon, bij de plaatsing van de camera's de hoogst mogelijke zorgvuldigheid betracht om de inbreuk op de privacy van de bezoekers van de betrokken lokaliteiten tot een minimum te beperken; er is slechts een beperkt aantal camera's objectgericht ingezet, er is geen geluid geregistreeerd, slechts een deel van de camerabeelden (ongeveer 10%) is uitgekeken, het uitkijken van de opgenomen beelden is verricht door een beperkt aantal medewerkers van een recherchebureau en onderzoeksbureau SBV en de opgenomen camerabeelden zijn intussen vernietigd.

De rechtbank is van oordeel dat in dezen wel degelijk sprake is van een wederrechtelijke inzet van de heimelijk aangebrachte camera's.

Met betrekking tot de eis van proportionaliteit kan worden opgemerkt, dat tot de inzet van de camera's is besloten zonder dat terzake bij de politie en/of het Openbaar Ministerie en/of het College Bescherming Persoonsgegevens en/of andere bestuurlijke instanties advies is gevraagd met betrekking tot de aanpak van het onderzoek.

Gezien de bezwaren van een strafrechtelijk onderzoek had de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon een dergelijk advies gemakkelijk kunnen verkrijgen in het kader van het geïnstitioneerde overleg met vertegenwoordigers van de politie en het Openbaar Ministerie.

Het niet vragen van een dergelijk advies komt de rechtbank onbegrijpelijk voor en is naar haar oordeel als een ernstige nalatigheid op te vatten.

Ten aanzien van de inzet van de camera's is de rechtbank van oordeel, dat die inzet plaats heeft gevonden op een groot aantal lokaliteiten, te weten 8 wijk- en jongerencentra en tegen een groep personen, van welke personen slechts een zeer beperkt aantal als mogelijke verdachten konden worden aangemerkt. Daarnaast vond die inzet plaats in ruimten, die in gebruik zijn bij de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon en die in ieder geval in de betrokken periode voor een deel dienst deden ten behoeve van bijeenkomsten in het kader van publiek beraad en besluitvorming, waarin burgers zich onbespied mogen achten.

Gelet op deze inbreuk op de privacy van een groep personen, die de plaatsing van de camera's als gevolg had is de rechtbank van oordeel, dat te lichtvaardig tot deze inzet is besloten, zodat die inzet wederrechtelijk kan worden genoemd.

Het gegeven dat met de plaatsing van de camera's de hiervoor genoemde eisen van zorgvuldigheid zoveel mogelijk zouden zijn nageleefd, doet hieraan niet af.

T.a.v. het kenbaarheidsvereiste:

Door de raadsman van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is aangevoerd dat de reden om niet kenbaar te maken dat er camera's zouden worden opgehangen voor de hand liggend is, omdat het gebruik maken van camera's om de vermoedde onregelmatigheden aan het licht te brengen op die manier natuurlijk zinloos zou zijn. Ook het inlichten van de Ondernemingsraad was geen optie, omdat er concrete aanwijzingen waren dat juist via dat kanaal naar de betreffende wijkcentra zou uitlekken dat er camera's zouden worden geplaatst.

Kortom, er was geen andere keus dan de Ondernemingsraad hierover niet in te lichten.

Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat het in dit concrete geval ook mogelijk was voor de Gemeente om na te laten de Ondernemingsraad in te lichten, omdat SBV het onderzoek uitvoerde. Volgens de raadsman hoeft aan het kenbaarheidsvereiste niet te worden voldaan als het cameragebruik niet wederrechtelijk is.

De rechtbank deelt deze mening van de verdediging niet.

Zoals hiervoor al is opgemerkt is de rechtbank van oordeel dat het cameragebruik wel wederrechtelijk was, zodat door de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon aan het kenbaarheidsvereiste voldaan had moeten worden.

Hoewel SBV het onderzoek -waarschijnlijk volgens alle zorgvuldigheidseisen- heeft uitgevoerd gaat het de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon niet aan, zich aan haar verantwoordelijkheden als werkgeefster met betrekking tot haar personeel te onttrekken en zich te verschuilen achter de vermeende deskundigheid van het onderzoeksbureau SBV.

Als er een vermoeden was dat de Ondernemingsraad -ondanks de voor haar leden geldende geheimhoudingsplicht- beter niet ingelicht kon worden, dan had in elk geval de voorzitter van de Ondernemingsraad met betrekking tot de inzet van de camera's ingelicht dienen te worden.

T.a.v. het daderschap van de Gemeente Spijkenisse:

Namens de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is betoogd:

a. dat de norm als gesteld in artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht zich niet richt tot de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon, doch tot het onderzoeksbureau SBV, dat in casu het onderzoek heeft verricht.

Terzake wordt verwezen naar hetgeen door minister Donner dienaangaande bij de parlementaire behandeling inzake voornoemd wetsartikel is opgemerkt;

b. dat de concrete beslissing tot een strafbaar te beoordelen plaatsing van de camera's in casu door SBV is genomen en niet zonder meer (uit hoofde van functioneel daderschap) is toe te rekenen aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon;

c. dat niet gesteld kan worden dat het feit, dat de ondertekening van de opdrachtbevestiging aan SBV door de heer [naam directeur], directeur van de sector Welzijn van de Gemeente Spijkenisse, hetwelk de mogelijkheid van plaatsing van camera's impliceerde, behelst dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon de plaatsing van die camera's als verboden gedraging zou hebben aanvaard.

De rechtbank is in dezen van oordeel, dat de norm zich in voornoemd wetsartikel blijkens de bewoordingen daarvan richt tot diegene "die gebruik makend van een technisch hulpmiddel, afbeeldingen vervaardigt etc".

Naar het oordeel van de rechtbank kan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon (terecht) worden aangemerkt als diegene die gebruik heeft gemaakt van vorenbedoeld technisch hulpmiddel. Immers, de inzet van de camera's is gedaan door een daartoe door vertegenwoordigers van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon aangewezen onderzoeksbureau, terwijl de voorwaarden, waaronder dit onderzoek geschiedde, zijn besproken met terzake bevoegde vertegenwoordigers van de Gemeente Spijkenisse.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, dat de opdrachtbevestiging aan het onderzoeksbureau SBV, welke opdrachtbevestiging uitdrukkelijk de mogelijkheid tot de plaatsing van camera's behelsde, getekend is door een daartoe door het College van Burgemeester & Wethouders van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon gemandateerde beleidsfunctionaris, te weten door de directeur Welzijn, de heer [naam directeur].

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voorts gebleken, dat de verantwoordelijke wethouder voor Onderwijs, Welzijn en Monumenten, te weten mevrouw [naam wethouder], intensief betrokken is geweest bij de besluitvorming tot het inzetten van een extern onderzoeksbureau en de keuze voor SBV, terwijl de burgemeester, te weten de heer [naam burgemeester], terzake van voormelde bijeenkomsten en de besluitvorming daarbij tussen de vertegenwoordigers van de Gemeente en het onderzoeksbureau SBV, steeds op de hoogte is gesteld. Daarnaast heeft de Gemeentesecretaris, de heer [naam gemeentesecretaris], verklaard dat hij de opdrachtbevestiging aan SBV in grote lijnen heeft gelezen en zich daarmee akkoord heeft verklaard, bij gebreke waarvan de heer [naam directeur] voornoemde opdrachtbevestiging niet namens de gemeente had mogen tekenen.

Uit deze feiten en omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd, dan dat de gedragingen van onderzoeksbureau SBV met betrekking tot het plaatsen van de camera's, door de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon zijn aanvaard.

STRAFBAARHEID FEITEN EN STRAFBAARHEID VERDACHTE

De bewezen feiten leveren op:

T.a.v. primair:

Gebruik maken van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd.

Namens de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is aangevoerd dat haar een beroep op rechtsdwaling toekomt omdat zij gehandeld zou hebben in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de aan haar verweten gedraging.

De publiekrechtelijke rechtspersoon voert daartoe aan, dat zij zich ter zake heeft laten adviseren door het gecertificeerd forensisch onderzoeksbureau SBV, dat voor haar werkzaamheden een vergunning heeft van de Minister van Justitie en dat heeft toegezegd bij haar werkzaamheden de eerder genoemde modelprivacygedragscode, ook ten aanzien van het plaatsen van camera's, te zullen naleven.

Daarbij wordt tevens verwezen naar het gezag van professor Schaap, de directeur van voormeld onderzoeksbureau, die zich als gezaghebbend expert op het gebied van forensisch onderzoek had gepresenteerd.

In de opdrachtbevestiging van SBV aan de Gemeente Spijkenisse is tenslotte neergelegd dat de inzet van camera's tot een minimum zou worden beperkt, teneinde de privacy van de betrokkenen niet onnodig te schaden, terwijl ten aanzien van dit middel de geldende regelgeving strikt zou worden nageleefd.

Gesteld wordt dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon te goeder trouw is geweest.

Immers, men heeft zich gewend tot een gecertificeerd onderzoeksbureau dat de in dezen geldende regelgeving naleeft en dat gelet op de reputatie van professor Schaap als voormalig officier van justitie en bekend publicist op het terrein van forensisch onderzoek, zonder meer als degelijk en betrouwbaar valt aan te merken.

Met betrekking tot de verstrekking van de onderzoeksopdracht, de advisering en de rapportage is volstrekt transparant gehandeld, doordat alle afspraken qua werkwijze, verantwoordelijkheden e.d. op schrift zijn gesteld.

De rechtbank is desalniettemin van oordeel, dat de publiekrechtelijke rechtspersoon geen beroep op rechtsdwaling toekomt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon op grond van haar specifieke functie en verantwoordelijkheden, die zij als lokale overheid en mede-uitvoerder van het overheidsgezag heeft, in dezen niet zonder meer gelijk te stellen is met een op commerciële basis opererende privaatrechtelijke onderneming of semi-publiekrechtelijke rechtspersoon. Voor haar gelden in dezen extra strenge zorgvuldigheidsnormen om te voorkomen, dat zij als overheidsinstantie de wet niet overtreedt en daardoor het overheidsgezag in haar geheel blameert.

Daartegenover staat dat haar als overheidsorgaan ook meer en verdergaande middelen ten dienste staan ten behoeve van de uitvoering van haar taken.

In dezen was de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon geconfronteerd met vermoedelijke onregelmatigheden, die begaan waren in ruimten waarvoor zij verantwoordelijk was en waarbij mogelijk personen onder haar gezagsbereik betrokken waren. Een ingesteld intern (disciplinair) onderzoek dreigde vervolgens dood te lopen.

Het komt de rechtbank in deze situatie onbegrijpelijk voor, dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon terzake geen contact heeft opgenomen met voor haar geldend hoger gezag, zoals bijvoorbeeld de Provincie Zuid-Holland of het

Ministerie van Binnenlandse Zaken of het College Bescherming Persoonsgegevens of wel dat zij terzake advies heeft gevraagd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dan wel de zaak in het geïnstitutionaliseerd periodiek overleg tussen de gemeenten in haar regio, politie en Openbaar Ministerie ter sprake heeft gebracht of wel de problemen in een informeel gesprek met de plaatselijke korpschef heeft aangekaart.

Het zich zonder meer wenden tot een in elk geval op commerciële basis operend onderzoeksbureau behelst dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon specifieke publieke verantwoordelijkheden als overheidsorgaan laat uitvoeren door een privaatrechtelijke organisatie, die ongeacht haar kwaliteiten, uiteindelijk wel een organisatie is die gericht is op winstoogmerk en niet behoort te worden belast met taken, die mede gericht zijn op handhaving van overheidsgezag.

Deze gang van zaken kan zonder meer als een foutieve en verwijtbare keuze worden aangemerkt. Gelet op die verwijtbaarheid faalt dan ook het beroep op rechtsdwaling.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de feiten en de verdachte rechtspersoon opheffen of uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar en de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de draagkracht van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon heeft -nadat bij een aantal wijk- en jongerencentra die binnen het gemeentelijk onderdeel "De Stuw" werden geëxploiteerd, onregelmatigheden waren geconstateerd- in 2005 gedurende een periode van ongeveer een maand, door het particuliere onderzoeksbureau SBV Forensics, heimelijk technische hulpmiddelen, te weten in totaal 24 camera's, laten installeren, teneinde via de door middel van deze verborgen camera's vervaardigde beelden meer duidelijkheid omtrent de geconstateerde onregelmatigheden te kunnen krijgen.

Het ging in casu steeds om drie camera's, die bij elk van de acht wijk- en jongerencentra, deel uitmakend van "De Stuw" zijn aangebracht bij de ingangen, de kassa's en de werkplekken van de beheerders.

De verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon heeft hierbij verzuimd het personeel van het onderzoek in kennis te stellen en het plaatsen van de camera's aan de (voorzitter van de) Ondernemingsraad kenbaar te maken.

Toen de verborgen camera's door een medewerker van een buurthuis werden ontdekt, is grote commotie ontstaan, doordat mensen zich bespied en in hun privacy aangetast voelden.

In juli 2005 is vervolgens door de gemeenteraadsfractie van GroenLinks te Spijkenisse aangifte gedaan.

Door te handelen als voormeld heeft de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon als overheidsorgaan laakbaar gehandeld en heeft zij op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de privacy van haar werknemers. Zij heeft in casu de belangen van haar eigen gemeentelijke huishouding laten prevaleren boven de normen als gesteld in het Wetboek van Strafrecht, waaraan zij als overheidsorgaan zelf zonder meer dient te voldoen. Daarenboven heeft de Gemeente ook niet gehandeld als een goed werkgeefster ten aanzien van haar personeel.

Het bewezenverklaarde moet voor het personeel van de desbetreffende wijk- en jongerencentra een uitermate vervelend gebeuren geweest zijn.

Bovendien hebben de bewezenverklaarde feiten veel onrust en ongenoegen in de samenleving teweeg gebracht, nu burgers door voormeld handelen van een overheidsorgaan het idee hebben gekregen, dat zij voor de spiedende blik van de overheid nergens veilig kunnen zijn.

Nu de verdachte een publiekrechtelijke rechtspersoon betreft, is het opleggen van een vrijheidsstraf niet mogelijk. De rechtbank zal derhalve in het onderhavige geval aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon een geldboete opleggen.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete is in aanmerking genomen,

dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 05 juni 2007, niet eerder is veroordeeld.

Gelet hierop zal de rechtbank aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon een lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, noch afgezien van het feit dat de door de officier van justitie gevorderde boete niet mogelijk is,

nu de bewezenverklaarde feiten zich in 2005 hebben afgespeeld en met ingang van

1 februari 2006 nieuwe strafmaxima in werking zijn getreden, waardoor in casu de geldboetecategorieën van toepassing zijn, die ten tijde van het plegen van de strafbare feiten golden.

De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat het onwenselijk is aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon een onvoorwaardelijke geldboete op te leggen, aangezien deze geldboete ten laste van de burgers van de Gemeente Spijkenisse zou komen.

Gelet hierop en teneinde te bevorderen dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon zich in de toekomst van het plegen van (soortgelijke) strafbare handelingen zal onthouden, zal de rechtbank de aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon op te leggen geldboete geheel voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank zal de eis van de officier van justitie, tot openbaarmaking van deze uitspraak bij wijze van bijzondere voorwaarde, niet overnemen, aangezien deze voorwaarde niet genoemd wordt in artikel 14c, tweede lid, sub 1 tot en met 4, van het Wetboek van Strafrecht en deze bijzondere voorwaarde niet het gedrag van de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon betreft, terwijl ook de openbaarmaking van deze uitspraak als bijkomende straf wettelijk gezien niet mogelijk is.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

a. [naam benadeelde partij a.], wonende [adres].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële en immateriële schade tot een bedrag van €3.750,=;

b. [naam benadeelde partij b.],

in deze procedure vertegenwoordigd door de door haar gemachtigde,

mr. F.D.P. Nobel, Markt 57 te (2801 JL) Gouda.

De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van €1.000,=;

c. [naam benadeelde partij c.],

in deze procedure vertegenwoordigd door de door hem gemachtigde,

mr. F.D.P. Nobel, Markt 57 te (2801 JL) Gouda.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting mondeling vergoeding gevorderd van immateriële schade tot een bedrag van €1.000,= en vergoeding van kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van €833,=;

d. [naam benadeelde partij d.],

in deze procedure vertegenwoordigd door de door haar gemachtigde,

mr. F.D.P. Nobel, Markt 57 te (2801 JL) Gouda.

De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van €1.000,= en vergoeding van kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van €833,=;

e. [naam benadeelde partij e.],

in deze procedure vertegenwoordigd door de door haar gemachtigde,

mr. F.D.P. Nobel, Markt 57 te (2801 JL) Gouda.

De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van €1.000,= en vergoeding van kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van €833,=;

f. [naam benadeelde partij f.],

in deze procedure vertegenwoordigd door de door haar gemachtigde,

mr. F.D.P. Nobel, Markt 57 te (2801 JL) Gouda.

De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van €1.000,= en vergoeding van kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van €833,=.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen (a), (b), (c), (d), (e) en (f) voor wat betreft de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van €1.000,= en tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen (c), (d), (e) en (f) voor wat betreft de gevorderde kosten voor rechtsbijstand.

Namens de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon is door de raadsman de aansprakelijkheid betwist en heeft hij bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

De benadeelde partijen (a), (b), (c), (d), (e) en (f) zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde feiten, terwijl ook overigens de vorderingen van deze benadeelde partijen niet van zo eenvoudige aard zijn, dat die vorderingen zich lenen voor behande¬ling in dit strafgeding. De genoemde benadeelde partijen kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partijen (a), (b), (c), (d), (e) en (f) in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, worden deze benadeelde partijen veroordeeld in de kosten door de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon ter verdediging tegen de vorderingen van deze benadeelde partijen gemaakt en begroot deze kosten tot op heden op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 57 en 139f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart bewezen, dat de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon het primair tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon strafbaar;

- veroordeelt de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon tot een geldboete van €24.000,= (zegge: vierentwintigduizend euro);

- bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast en bepaalt dat deze 2 (twee) jaren bedraagt;

de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verklaart de na te noemen benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen:

a. [naam benadeelde partij a.];

b. [naam benadeelde partij b.];

c. [naam benadeelde partij c.];

d. [naam benadeelde partij d.];

e. [naam benadeelde partij e.] en

f. [naam benadeelde partij f.]

en bepaalt, dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

- veroordeelt elk van de na te noemen benadeelde partijen in de kosten door de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon ter verdediging tegen hun vorderingen gemaakt en begroot deze kosten tot op heden op nihil;

a. [naam benadeelde partij a.];

b. [naam benadeelde partij b.];

c. [naam benadeelde partij c.];

d. [naam benadeelde partij d.];

e. [naam benadeelde partij e.] en

f. [naam benadeelde partij f.]

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. Van der Lugt, voorzitter en

mrs. Van Dijke en Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Hartgers en Knol, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 december 2007.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 14 december 2007:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte publiekrechtelijke rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 7 april 2005 tot en met 9 mei 2005 te Spijkenise,

gebruik makende van technische hulpmiddelen, te weten 24 (verborgen) camera's,

in elk geval een of meer camera('s),

waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt,

opzettelijk en wederrechtelijk van (een) perso(o)n(en),

aanwezig in (een) niet voor het publiek toegankelijke plaats(en),

te weten (een) wijk-/jongerencentr(um)(a), afbeeldingen heeft vervaardigd;

(artikel 139f aanhef en sub 1 WvSr)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 7 april 2005 tot en met 9 mei 2005 te Spijkenisse,

gebruik makende van daartoe aangebrachte technische hulpmiddelen,

te weten 24 (verborgen) camera's,

waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt,

van (een) perso(o)n(en) aanwezig op (een) voor het publiek toegankelijke plaats(en),

te weten wijk-/jongerencentr(um)(a), wederrechtelijk afbeeldingen heeft vervaardigd.

(artikel 441b WvSr)