Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB9792

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
11-12-2007
Zaaknummer
753691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De eiser in deze procedure is door een arbeidsongeval verlamd geraakt aan zijn onderlichaam. Hij is daardoor afhankelijk van de zorg van zijn echtgenote. Eiser en zijn echtgenote vorderen schadevergoeding van de werkgever, o.a. ter compensatie van de zorg, vervoer en immateriele schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 17 juli 2007

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Kanton locatie Brielle

V O N N I S in de zaak van:

1. [eiser sub 1] en

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers bij exploot van dagvaarding van 25 september 2006,

gemachtigde: mr. E.M. Richel,

tegen:

de besloten vennootschap R&M Spreeuwenberg B.V.

gevestigd te Spijkenisse,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.J. Wildenburg.

Partijen worden hierna (ook) aangeduid als [eiser sub 1], [eiser sub 2] resp. R&M.

1. Het verloop van het geding

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding met producties;

- conclusie van antwoord d.d. 7 november 2006 met producties;

- conclusie van repliek tevens houdende akte tot rectificatie d.d. 30 januari 2007 met producties;

- conclusie van dupliek d.d. 24 april 2007.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. [eiser sub 1], geboren [geboortedatum], is als 2e steigerbouwer in dienst van (een rechtsvoorganger van) R&M. [eiser sub 2] is zijn echtgenote. Zij hebben twee kinderen, [kind 1], geboren [geboortedatum] en [kind 2], geboren [geboortedatum].

2.2. [eiser sub 1] heeft op 28 januari 2000 een bedrijfsongeluk gekregen door van een in aanbouw zijnde steiger te vallen. Hij heeft daarbij zijn rug gebroken en als gevolg daarvan een dwarslaesie opgelopen, waardoor hij aan het onderlichaam verlamd is. [eiser sub 1] is volledig arbeidsongeschikt geraakt.

2.3 Namens (de rechtsvoorganger van) R&M is de aansprakelijkheid voor de schade die bij [eiser sub 1] is opgekomen erkend. Voor de immateriële schade is een regeling getroffen aldus dat aan [eiser sub 1] een vergoeding ter zake van smartengeld van € 100.000,- is uitgekeerd.

2.4 De materiële schade van [eiser sub 1] is eenzijdig door R&M afgewikkeld door betaling van een bedrag van in totaal € 286.651,-.

3. Het geschil

3.1. De eis luidt dat R&M wordt veroordeeld tot betaling van:

a. een bedrag van € 764.867,- wegens door [eiser sub 1] geleden materiële schade;

b. een bedrag, nader op te maken bij staat, wegens aan [eiser sub 1] door [eiser sub 2] verleende en te verlenen verzorging, te voldoen aan eisers, althans aan [eiser sub 1];

c. een bedrag van € 70.000,- wegens door [eiser sub 2] geleden immateriële schade;

d. een bedrag, nader op te maken bij staat, wegens door [kind 1] en [kind 2] geleden schade, na meerderjarigheid.

3.2. Partijen verschillen primair van mening of eisers wel ontvankelijk zijn in hun vordering. Zij hebben gedaagde in hun dagvaarding aangeduid als R&M Spreeuwenberg Zwartewaal b.v., maar zo heet zij niet. R&M Spreeuwenberg Zwartewaal b.v. was de (laatste) rechtsvoorgangster van R&M. Zij is door een fusie in 2004 opgehouden te bestaan. Volgens R&M moeten eisers reeds om die reden in hun vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Eisers hebben verzocht de tenaamstelling van R&M in de dagvaarding te mogen rectificeren, waartegen R&M zich heeft verzet.

3.3. Partijen worden voorts verdeeld gehouden door de vraag naar de omvang van de materiële schade van [eiser sub 1] alsmede door de vraag of [eiser sub 2] en de kinderen door het ongeluk van hun echtgenoot en vader schade hebben geleden die voor vergoeding door R&M in aanmerking komt.

3.4. [eiser sub 2] voert in dit verband aan dat [eiser sub 1] als gevolg van zijn verlamming niet langer in staat is haar op affectie gebaseerde relatie (ten volle) te bevredigen en dat haar relatie tot [eiser sub 1] geworden is tot die van verzorgster met een patiënt. Zij stelt dat R&M jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat zij door het ongeval in haar persoon is aangepast en om die reden aanspraak kan maken op een bedrag wegens immateriële schade.

3.5. Namens de kinderen voeren eisers aan dat [eiser sub 1] zijn kinderen niet langer kan bieden wat hij normaal gesproken zou kunnen, zoals met hen spelen en dat hij door het ongeval een negatief zelfbeeld heeft gekregen. Als gevolg hiervan worden de kinderen in hun ontwikkeling negatief beïnvloed. De schade kan pas worden begroot na hun meerderjarigheid. Zij baseren hun vordering op de schending door R&M van het family life tussen hen en [eiser sub 1].

3.6 Ten aanzien van zijn eigen schade stelt [eiser sub 1], dat de door R&M gemaakte berekening geen rekening heeft gehouden met reële carrièreperspectieven. Hij was ten tijde van het ongeval 2e steigerbouwer en hij had, anders dan R&M stelt, kunnen doorgroeien naar 1e steigerbouwer of zelfs meewerkend voorman, mogelijk zelfs naar uitvoerder. Daarnaast heeft R&M geen rekening gehouden bij de begroting van de aan hem verleende zorg met de zorg die door [eiser sub 2] wordt verleend, die daardoor geen betaalde baan kan zoeken of aanvaarden. Ook is volgens [eiser sub 1] geen rekening gehouden met de bij [eiser sub 1] opgetreden beperkte mobiliteit.

3.7 De vorderingen van [eiser sub 1] worden door R&M op meerdere fronten bestreden. R&M acht de door [eiser sub 1] tot uitgangspunt genomen looptijd van de arbeidsvermogensschade onjuist, nu deze geen rekening houdt met de afnemende participatie van werkenden boven de 55-jarige leeftijd. Zij acht een einde van de looptijd bij het bereiken van 55 jaar reëel. Ook wordt de door [eiser sub 1] gestelde hoeveelheid overwerk betwist.

3.8 R&M acht de door [eiser sub 1] gehanteerde rekenrente van 2,5% niet juist; dit dient 4% te zijn.

3.9 Ook het door [eiser sub 1] geschetste carrièreperspectief is volgens H&M niet juist. Er zijn volgens haar geen aanwijzigen om te veronderstellen dat hij enige vorm van carrière zou maken. Ook de gestelde loonstijging van 10% per promotie klopt niet.

3.10 Ten aanzien van de technische kant van de door [eiser sub 1] heeft R&M bezwaren tegen de gehanteerde fiscale component en de welvaartscorrectie. Ook de vordering wegens schade in de pensioenopbouw is onjuist. Die wordt immers premievrij opgebouwd tijdens de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiser sub 1].

3.11 Op de schade van [eiser sub 1] moet volgens R&M nog in mindering worden gebracht het bedrag dat [eiser sub 1] heeft ontvangen uit hoofde van een ongevallenverzekering, ten belope van € 18.423,48. Deze verzekering is door R&M afgesloten en zij heeft ook de premie betaald. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een verhoging van de WAO/WIA-uitkering van 70 naar 75% van het laatstgenoten inkomen.

3.12 R&M acht de door [eiser sub 1] gevorderde wettelijke rente onjuist berekend.

3.13 De vordering wegens huishoudelijke hulp is volgens R&M niet toewijsbaar, nu de door [eiser sub 2] verleende zorg op grond van art. 1:81 BW niet voor toewijzing in aanmerking komt en dit geldt ook voor de mantelzorg. Er is geen schade in de zin van huishoudelijke hulp, nu die voor het ongeval nagenoeg geheel door [eiser sub 2] werd gedaan.

3.14 Schade wegens vervoersvoorzieningen is er niet. [eiser sub 1] had vóór het ongeval geen auto en is ook nu aangewezen op het openbaar vervoer en de door de gemeente Rotterdam geboden vervoersvoorziening.

3.15 R&M betwist de aansprakelijkheid jegens [eiser sub 2] en de kinderen op grond dat hen geen zelfstandig vorderingsrecht toekomt. Affectieschade komt naar huidig recht niet voor vergoeding in aanmerking en er is niet voldaan aan de eisen tot vergoeding van shockschade. De grondslag van art. 8 EVRM (family life) doet geen opgeld. Bovendien ontbreekt psychisch letsel bij [eiser sub 2] en de kinderen.

3.16. Bovendien heeft R&M zich beroepen op verjaring en wat de vordering van de kinderen betreft tevens op het ontbreken van een rechterlijke machtiging ex art. 1:253k en 1:349 BW om die vordering namens hen in te stellen.

3.9. Met het oog op dit laatste hebben eisers bij repliek hun eis vermeerderd met een verzoek tot machtiging.

3.10. Op de meer precieze inhoud van de stellingen van partijen komt de kantonrechter waar nodig nog terug.

4. De beoordeling

De aanduiding van R&M in de dagvaarding

4.1. Op zichzelf is juist dat R&M in de dagvaarding onjuist is aangeduid. Dat neemt, gelet op haar uitvoerige materiële verweer tegen de vordering, echter niet weg dat zij kennelijk precies heeft geweten dat zij bedoeld werd. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien wat er tegen is om de rectificatie toe te staan. Weigering zou slechts tot gevolg hebben dat er opnieuw moet worden gedagvaard en daar is geen der partijen bij gebaat.

De vorderingen van [eiser sub 2] en de kinderen

4.2 Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de door [eiser sub 2] en de kinderen ingediende vorderingen niet zijn verjaard en dat het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bij conclusie van repliek gedane verzoek tot het verlenen van een machtiging tot procederen ten behoeve van de kinderen toewijsbaar is, dan nog kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen.

4.3 Wil een vordering tot vergoeding van schade aan een ander dan de gelaedeerde zelf voor vergoeding is aanmerking komen, dan dient, naast de eisen die worden gesteld aan de schadebegroting, te zijn voldaan aan de eis dat er een contractuele of wettelijke grondslag voor een dergelijke vordering moet zijn aan te wijzen. Hetgeen [eiser sub 2] en de kinderen daartoe stellen is onvoldoende. Wat zij namelijk ten gronde betogen is, dat de gevolgen van het door [eiser sub 1] opgelopen letsel voor hen (zeer) zwaar zijn en dat zij daardoor eveneens, naast [eiser sub 1] zelf, worden getroffen. In menselijke zin is dat ook zo, maar dat betekent niet dat daarmee ook een grondslag tot vergoeding van schade is gegeven.

4.4 Daarnaast heeft R&M met juistheid aangevoerd dat in situaties zoals deze affectieschade (nog) niet voor vergoeding in aanmerking komt en dat voor shockschade in beginsel psychisch letsel dient te bestaan, waarvoor in het algemeen is vereist dat er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld – hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen daargelaten. Dat van een dergelijk letsel sprake is, is gesteld noch gebleken.

4.5 Dit alles leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser sub 2] en de kinderen reeds hierom dienen te stranden.

De arbeidsvermogensschade van [eiser sub 1]

4.6 Deze schade dient naar de mening van de kantonrechter nader te worden onderzocht, waarbij in dit stadium het volgende van belang is.

4.7 Vaststaat dat [eiser sub 1] ten tijde van het ongeval 26 jaar was en de functie had van 2e steigerbouwer. Zonder inzicht te hebben in de eisen die worden gesteld aan een 1e steigerbouwer en aan de meewerkend voorman en zonder inzicht te hebben in de daarbij behorende loonschalen is deze schade niet goed vast te stellen. Aan de andere kant dient duidelijkheid te bestaan over het opleidingsniveau van [eiser sub 1] en eventueel door hem ondernomen initiatieven om zich verder te scholen.

4.8 In dit stadium acht de kantonrechter het voorbarig om ervan uit te gaan dat [eiser sub 1] geen enkele promotie zou hebben gemaakt. Dat is, gelet op zijn leeftijd, niet de meest voor de hand liggende conclusie, terwijl van specifieke hem betreffende omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat hij nimmer enige promotie zou hebben gemaakt, vooralsnog niet is gebleken.

4.9 Daarnaast bestaat tussen partijen verschil van mening over de looptijd van de schade. R&M heeft gesteld dat die zou liggen op 55 jaar, maar dat standpunt volgt de kantonrechter niet. Zeker nu al enige jaren de nadruk op arbeidsparticipatie door oudere werknemers wordt gelegd en in CAO’s diverse voorzieningen tot vroegtijdige beëindiging van de arbeidsdeelname worden beperkt of geschrapt, kan van een dergelijk vroeg moment, zoals door R&M betoogd, niet worden uitgegaan. Het standpunt van [eiser sub 1], inhoudende dat hij op 60 jarige leeftijd met prépensioen zou gaan en aansluitend met pensioen, is ook in het licht van de geschetste maatschappelijke ontwikkelingen een meer reële maatstaf.

4.10 Ten aanzien van het overwerk overweegt de kantonrechter dat wellicht juist is, dat dit geen blijvende situatie is, maar dat wil niet zeggen dat overwerk in het geheel niet meer aan de orde zou zijn. Indien afdoende blijkt dat [eiser sub 1] in de jaren voorafgaande aan het ongeval regelmatig overwerk verrichtte, kan dit een uitgangspunt vormen voor de berekening van het overwerk na het ongeval. Ook hierover dient nadere informatie te worden verschaft.

4.11 Indien blijkt dat de WAO/WIA-uitkering van [eiser sub 1] is toegenomen, dan dient dit bij de begroting van de schade te worden betrokken, nu een dergelijke uitkering in mindering strekt op de door R&M te vergoeden schade.

De kosten van verzorging en verpleging; mobiliteitsbehoefte

4.12 De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser sub 1] zo, dat hij een vergoeding wenst voor de zorg waarop hij blijvend is aangewezen en die momenteel in belangrijke mate door zijn echtgenote wordt gegeven. In beginsel komt de aan [eiser sub 1] verleende zorg die verband houdt met het door hem als gevolg van het ongeval opgelopen letsel voor vergoeding in aanmerking. Hierbij is in het kader van de op R&M rustende vergoedingsplicht minder relevant door wie die zorg in concreto wordt verleend. Bepalend is of die zorg c.q. verpleging voor de gelaedeerde noodzakelijk is. Het standpunt van R&M dat de door [eiser sub 2] verleende zorg niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat zij op grond van art. 1:81 BW daartoe gehouden zou zijn, wordt door de kantonrechter niet gevolgd, omdat dit een impliciete afwenteling van de op R&M rustende schadevergoedingsverplichting zou inhouden, die bovendien tot gevolg heeft dat een derde - [eiser sub 2] - daardoor blijvend in haar eigen ontwikkeling zou worden beperkt en er bovendien een blijvende afhankelijkheidsrelatie tussen haar en [eiser sub 1] zou ontstaan.

Bij de vaststelling van deze schadepost dient de te treffen voorziening zodanig te zijn, dat [eiser sub 1] zoveel mogelijk in staat moet worden gesteld om – rekening houdend met zijn beperkingen – een normaal leven te leiden. Als hij een beroep kan doen op de wijkverpleging en zo kosten kan besparen, mag dit van hem worden verwacht, maar als dit echter zou betekenen dat hij vaak en/of lang op die verpleging zou moeten wachten, of de hulp niet kan worden gegarandeerd, valt niet in te zien waarom hij geen gelijkwaardige hulp zou mogen inschakelen. Indien [eiser sub 1] en [eiser sub 2] (thans) prefereren dat (een deel van) de zorg door [eiser sub 2] wordt verleend, dan wordt daardoor in feite door [eiser sub 2] invulling gegeven aan de primair op R&M rustende verplichting om [eiser sub 1] in staat te stellen zich van de noodzakelijke verpleging en verzorging te voorzien. Het zou jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onredelijk zijn om die zorg niet op geld te waarderen, waarbij de kantonrechter overweegt dat hierbij de bespaarde kosten van professionele hulp als bovengrens zal moeten worden genomen.

4.13 Uit het door R&M overgelegde rapport van Nohlmans blijkt niet duidelijk dat die is uitgegaan van de hierboven beschreven uitgangspunten, zodat dit rapport niet zondermeer tot uitgangspunt voor de schadeberekening kan dienen, nog daargelaten dat [eiser sub 1] heeft gesteld dat hij zich aan de uitkomsten van dat rapport niet heeft verbonden. Het rapport biedt ook geen duidelijkheid hoe voorzien zou moeten worden in de aan [eiser sub 1] te verlenen zorg (onder andere in verband met zijn incontinentie en zijn onvermogen om ontlasting onder controle te houden). Het lijkt niet voor de hand te liggen te veronderstellen dat dit volledig kan worden opgevangen door 3,5 uur hulp door de wijkverpleegkundige.

De kantonrechter acht het gewenst om een nader onderzoek te laten doen naar de behoefte aan verpleging en verzorging van [eiser sub 1]. Aan partijen wordt de gelegenheid gegeven om voorstellen te doen voor een te benoemen deskundige en de te stellen vragen.

4.14 Bij dit onderzoek dient tevens aandacht te worden besteed aan de reële mobiliteitsbehoefte van [eiser sub 1]. Het enkele feit dat hij ten tijde van het ongeval (nog) niet in het bezit was van een personenauto, maar wel van een rijbewijs, wil niet zeggen dat hij zich voor de rest van zijn leven zal moeten behelpen met openbaar vervoersvoorzieningen, die bepaald niet op alle fronten uitblinken in een goede toegankelijkheid voor mensen die rolstoelgebonden zijn. Van R&M mag worden verwacht dat zij [eiser sub 1] (financieel) in staat stelt zich op een objectief aanvaardbare wijze te vervoeren, ook als hij dit in gezinsverband wil doen.

Overige geschilpunten

4.15 De technische aspecten met betrekking tot de berekening kunnen op een later moment aan de orde komen. Wel acht de kantonrechter het raadzaam om reeds thans op te merken dat niet valt in te zien dat van een andere rekenrente dan 3% zou moeten worden uitgegaan, nu dit percentage op de lange termijn steeds het midden blijkt te vormen tussen de (kennelijk conjunctureel bepaalde) voorstellen tot toepassing van een hoger of lager percentage.

4.16 De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen voor verdere conclusiewisseling. Van beide partijen wordt verwacht dat zij de gegevens die in haar bezit zijn in het geding zullen brengen, waarbij met name van R&M wordt verwacht dat zij verifieerbare gegevens met betrekking tot het overwerk, loonschalen en functie-eisen zal overleggen.

4.17 De kantonrechter zal, gezien de richtinggevende overwegingen in deze uitspraak, bepalen dat hoger beroep tegen dit vonnis zal zijn toegestaan.

5. De beslissing:

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eiser sub 2] tot betaling van immateriële schade af;

wijst de vordering van de kinderen [kind 1] en [kind 2] af;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 14 augustus 2007 voor een conclusie aan de zijde van R&M;

houdt iedere verdere beslissing aan;

bepaalt dat van deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J. Sap en in het openbaar uitgesproken.