Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB9758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
10/750160-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zaak Maasmeisje.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zijn dochter om het leven heeft gebracht. Dat levert op: doodslag.

De rechtbank heeft, evenals als de officier van justitie, moord niet bewezen geacht, zodat van moord wordt vrijgesproken.

De rechtbank heeft eveneens bewezen verklaard dat de verdachte het lichaam van het meisje in stukken heeft gedeeld in zijn woning en die stukken heeft weggemaakt. De rechtbank kan niet vaststellen wat precies de doodsoorzaak is geweest, maar acht het onaannemelijk dat het meisje is gestorven door een dodelijke hoeveelheid olanzapine ( Zyprexa) al zijn in haar lichaam wel sporen daarvan aangetroffen. Dat vloeit voort uit een aantal omstandigheden, bijvoorbeeld het feit, dat waarschijnlijk de in het huis aanwezige hoeveelheid Zyprexa relatief gering zal zijn geweest, nu verdachte al enkele maanden geen Zyprexa meer kreeg voorgeschreven, en hij enkele dagen voor de dood van het meisje klaagde over zijn nieuwe medicatie en zei dat hij liever weer Zyprexa wilde gaan gebruiken. Een buurvrouw beschrijft in de periode rond de dood van het meisje een hevig gestommel in het huis. Ook dat wijst op een gewelddadige dood. Voorts heeft de rechtbank overwogen de wijze waarop verdachte het lichaam heeft gemutileerd erop wijst dat hij de door hem veroorzaakte gewelddadige dood heeft willen verbergen; zijn er verklaringen van een bovenbuurvrouw over heftig gestommel en gebonk; heeft verdachte in het verleden regelmatig geweld toegepast op zijn kinderen en ex-echtgenote (hij heeft haar in 2001 gedreigd in stukken te zullen snijden zodat niemand haar ooit nog zou terugvinden); en heeft aan het bewijs bijgedragen het feit dat verdachte en zijn dochter in isolement leefden, er geen andere dader in beeld is en dat hij op geen enkele manier een verklaring heeft gegeven over de gebeurtenissen rond haar overlijden of met betrekking tot het hem voorgehouden bewijsmateriaal waaruit iets anders zou kunnen blijken. Wel heeft hij een aantal leugens verteld, waaruit kan worden afgeleid dat hij wist dat zij om het leven was gekomen.

Ten aanzien van de toerekenbaarheid volgt de rechtbank de conclusie van het Pieter Baan Centrum: verdachte wordt sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Ook neemt de rechtbank over het advies van ter beschikking stelling met dwangverpleging.

De straf : 8 jaar gevangenisstraf, met aftrek voorarrest en de maatregel van T.B.S. met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/750160-06

Datum uitspraak: 10 december 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geoorteplaats] (Kaap Verdië),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], [woonplaats],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [naam Penitentiaire Inrichting] te [vestigingsplaats],

raadsman mr. C.M.P. Jongsma, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, te weten dat hij:

1.

hij in de periode van 7 juni 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans een moment van bezinning, zodanig geweld tegen/op die [naam slachtoffer] uit te oefenen en/of die [naam slachtoffer] in een zodanige situatie te brengen en/of te houden dat zij is overleden, althans in ieder geval opzettelijk en met voorbedachten rade die [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

2.

Hij in de periode van 7 juni 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer], heeft vernietigd en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, immers heeft hij, verdachte,

- het stoffelijk overschot van die [naam slachtoffer] in delen gezaagd en/of gesneden en/of gehakt en/of gebroken en/of

- (vervolgens) een of meer delen van het stoffelijk overschot van die [naam slachtoffer], al dan niet in een meer tassen en/of een trolley verpakt, op een of meer plaatsen in de rivier "de Nieuwe Maas", althans in enig water (uitkomend in de rivier "de Nieuwe Maas"), gegooid en/of gebracht.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Luijpen heeft gerequireerd tot:

- vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde moord;

- bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde doodslag en het onder 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

GELDIGHEID DAGVAARDING

De rechtbank heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of de tenlastelegging onder 1 voldoet aan de eisen van duidelijkheid die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt, en heeft zich in verband daarmee ook de vraag gesteld of de verdediging door deze wijze van ten laste leggen niet in haar verdediging is geschaad.

De rechtbank overweegt dat in het onder 1. ten laste gelegde niet is uitgewerkt waaruit de feitelijke voorbedachte raad en de feitelijke uitvoeringshandelingen zouden hebben bestaan.

Bij de beoordeling van de geldigheid van de tenlastelegging dient -kort gezegd- te worden gekeken naar de duidelijkheid en begrijpelijkheid van de tenlastelegging voor een willekeurige buitenstaander en naar de op de feiten toegesneden uitwerking van de handelingen die aan verdachte worden verweten, zodat voor hem duidelijk is waartegen hij zich heeft te verweren.

De rechtbank stelt vast dat in het dossier geen gegevens zijn te vinden die de steller van de tenlastelegging zou hebben kunnen en behoren te gebruiken om de wettelijke bewoordingen meer feitelijk uit te werken.

De rechtbank stelt voorts vast dat aan de begrippen voorbedachte raad en van het leven beroven ook enige feitelijke betekenis is toe te kennen.

De rechtbank stelt tenslotte vast dat door de verdediging geen beroep is gedaan op nietigheid wegens onvoldoende feitelijkheid van de tenlastelegging, en voorts bij het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdediging onvoldoende wist tegen welke verweten feiten zij zich had te verweren.

Het voorgaande leidt er toe dat de dagvaarding zal worden geldig verklaard.

VRIJSPRAAK

De onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde moord acht de rechtbank niet bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Deze vrijspraak zal hieronder in de toelichting op de bewezenverklaring worden gemotiveerd.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 7 juni 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk zodanig geweld tegen/op die [naam slachtoffer] uit te oefenen en/of die [naam slachtoffer] in een zodanige situatie te brengen en/of te houden dat zij is overleden, althans in ieder geval opzettelijk die [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

2.

Hij in de periode van 7 juni 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer], heeft vernietigd en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, immers heeft hij, verdachte,

- het stoffelijk overschot van die [naam slachtoffer] in delen gezaagd en/of gesneden en/of gehakt en/of gebroken en/of

- (vervolgens) een of meer delen van het stoffelijk overschot van die [naam slachtoffer], al dan niet in een of meer tassen en/of een trolley verpakt, op een of meer plaatsen in de rivier "de Nieuwe Maas", althans in enig water (uitkomend in de rivier "de Nieuwe Maas"), gegooid en/of gebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het zwijgen van verdachte

Verdachte is vele malen langdurig verhoord door de politie en driemaal verhoord door de rechter-commissaris. Verdachte heeft dingen verteld bij de politie, maar niets gezegd over de verweten feiten zelf. Hij heeft alleen over daaraan te relateren gebeurtenissen gesproken. Gaandeweg is hij zich gaan beroepen op zijn zwijgrecht. Daar heeft hij aan vastgehouden, hoewel hij door de politie in enkele verhoren - binnen de grenzen van het toelaatbare - stevig onder druk is gezet. Verdachte heeft gezegd dat hij van zijn zwijgrecht gebruik maakte op advies van zijn raadsman (zie de verhoren van 8 oktober 2006 en 11 januari 2007). Dat heeft zijn raadsman bevestigd (zie het proces-verbaal van de pro forma terechtzitting van 19 juni 2007). Ook nadat verdachte zich op zijn zwijgrecht is gaan beroepen heeft hij wel verklaringen afgelegd over bepaalde, met de ten laste gelegde feiten verband houdende gebeurtenissen. Onder meer heeft hij verteld dat hij naar Mexico is vertrokken op 20 juni 2006, en heeft hij in het verhoor van 30 mei 2007 nog eens uitgebreid verklaard dat hij op 9 of 10 juni 2006 constateerde dat zijn dochter [naam slachtoffer] niet thuis was. Hij zegt dan dat hij toen dacht dat zijn twaalfjarige dochter was weggelopen en dat hij had besloten haar niet te gaan zoeken. Verdachte heeft verder aan rapporteurs van het Pieter Baan Centrum (PBC) aangegeven dat innerlijke stemmen hem verbieden te praten over de feiten.

Ook bij de terechtzittingen waar verdachte aanwezig is geweest heeft hij op geen enkele vraag antwoord gegeven, zij het dat hij op de laatste -en inhoudelijke- terechtzitting met een enkel woord heeft verklaard dat zijn personalia juist zijn en dat hij niet bij de uitspraak aanwezig wenste te zijn. Uit het hierboven gestelde blijkt al dat bij andere gelegenheden wel heeft verklaard.

Het PBC heeft in zijn rapport (kennelijk voor het geval de feiten bewijsbaar zouden worden geacht) gezocht naar een verklaring voor het zwijgen van verdachte, en stelt dat de combinatie van het slikken van Ritalin - waar verdachte in februari 2006 mee begon - en het gebruik van grote hoeveelheden alcohol verdachtes geheugen in die zin heeft kunnen beschadigen dat hij daardoor gebeurtenissen minder goed of niet heeft kunnen opslaan in zijn geheugen, dan wel gebeurtenissen, voor zover wel in het geheugen opgeslagen, daar niet meer uit kan opdiepen.

Bij verhoren door de politie heeft verdachte aangegeven dat hij de politie niet vertrouwde en mogelijk wel bij de rechter zou gaan verklaren. Hij heeft bij de politie ook verklaard zwijgen wel makkelijk te vinden, ja, zelfs "fantastisch" (zie het proces-verbaal van verhoor van 11 januari 2007). De raadsman heeft verklaard (op de pro forma zitting van 4 april 2007) te verwachten dat verdachte uiteindelijk bij de rechter-commissaris een verklaring zou afleggen over de doodsoorzaak en de gebeurtenissen in en mogelijk ook buiten de woning.

De rechtbank is er in dit geval niet van overtuigd dat verdachte niet heeft kunnen verklaren omdat hij de verweten gedragingen niet meer uit zijn geheugen kan opdiepen. De rechtbank acht veeleer aannemelijk dat verdachte niet heeft willen verklaren. Dit leidt de rechtbank af uit het gegeven dat verdachte op selectieve wijze zwijgt, dan wel liegt. Hij heeft aanvankelijk bij de politie redelijk samenhangend en gedetailleerd verklaard over gebeurtenissen vóór en na het weekend van 10 en 11 juni waarin [naam slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid om het leven is gebracht en hij heeft tegen derden na de verdwijning van [naam slachtoffer] bovendien verklaringen afgelegd over haar afwezigheid die overduidelijk waren bestemd om te verhullen wat er met haar was gebeurd. Hij heeft onder meer aangegeven dat zij in Mexico zou zijn (en in Mexico: dat zij in Nederland zou zijn), heeft haar giropas gebruikt en heeft bij de Sociale Verzekeringsbank aangegeven dat zij zich in Mexico had gevestigd en dat hij haar financieel ondersteunde voor een bedrag van honderd euro per maand. Ook bij de Dienst Burgerzaken van de gemeente Rotterdam heeft hij aangifte gedaan van haar vertrek naar Mexico. Hij heeft haar bestaan verzwegen voor zijn nieuwe vriendin in Mexico (die wel [naam slachtoffer]'s giropas kreeg, en de bijbehorende pincode) en hij heeft tegen anderen gezegd dat [naam slachtoffer] in de Verenigde Staten verbleef. Dit alles duidt erop dat verdachte wist dat [naam slachtoffer] niet was weggelopen (zoals hij bij de politie heeft verklaard), maar dat zij dood was. Dat verdachte zich (mede) op aanraden van zijn raadsman tegenover de politie op zijn zwijgrecht is gaan beroepen en aan de rechter-commissaris en de rechtbank niets heeft verteld, wijst erop dat aan dit zwijgen (mede) processuele afwegingen ten grondslag liggen. Ook daarom ziet de rechtbank het zwijgen van verdachte als een keuze. Hieraan doet niet af dat - zoals de rapporteurs van het PBC ook hebben aangegeven - schaamte en verdringing bij de beslissing om te zwijgen heel wel een rol kunnen hebben gespeeld.

De rechtbank zal eerst de bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde feit nader toelichten.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het lijk van zijn gedode dochter heeft weggemaakt met het oogmerk de dood en de doodsoorzaak te verhelen. Mede dank zij het grondige voorbereidende onderzoek is duidelijk geworden dat verdachte in de badkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] het lichaam van zijn dochter [naam slachtoffer] in stukken heeft verdeeld. Vervolgens heeft hij delen van haar lijk gedumpt. Achtereenvolgens zijn aangetroffen in of nabij het water van de Nieuwe Maas in Rotterdam: een sporttas met daarin het linkerbeen van het slachtoffer ( op 20 juni 2006, nabij het Mallegat/ de Steenplaat); een tas met trolley-constructie (hierna: trolley) met daarin haar romp (op 22 juni 2006, bij de Parkkade) en een reistas met daarin haar hoofd (op 13 juli 2006, in de Maashaven). Haar armen en haar rechterbeen zijn (tot nu toe) niet gevonden.

Dat het lichaam van het meisje in stukken is gesneden in de badkamer van de woning van het slachtoffer en haar vader valt af te leiden uit de vondst van een botsplinter afkomstig van het slachtoffer in het doucheputje, snijsporen in het zeil rond het doucheputje en bloedvlekken van het slachtoffer op diverse plaatsen in die badkamer. Aan het bewijs voor de mutilatie van het lichaam van [naam slachtoffer] draagt ook bij een verklaring van de bovenbuurvrouw [naam bovenbuurvrouw], dat zij vermoedelijk in juni 2006 (zij kan zich de exacte datum niet herinneren) geluiden heeft gehoord in de woning van verdachte, waardoor zij zich afvroeg of er een slachterij in de woning was gevestigd. Zij heeft toen ook tegen een familielid gezegd dat het haar niets zou verbazen als verdachte een lichaam in stukken aan het hakken was. Zij verklaart dat zij ook eens thuis kwam om 22.30 uur en een hoop herrie hoorde in de woning van verdachte. Nadat zij hem daarover had aangesproken, vroeg zij hem waar [naam slachtoffer] was, omdat zij haar al een tijdje niet meer had gezien. Zij zag toen naar haar zeggen aan zijn gezicht dat hij van die vraag schrok. Hij zei toen dat [naam slachtoffer] 'ergens' was. Zij vond dat een absurd antwoord. Daarna zei hij nog dat het beter was voor [naam slachtoffer], omdat hij [voornaam verdachte] ook al haast 50 jaar oud was. Zij kreeg hiervan, zoals ze zegt, 'de kriebels over haar rug'.

De drie delen van het lichaam van het slachtoffer die zijn teruggevonden waren verpakt in vuilniszakken, die zeer wel door verdachte meegenomen kunnen zijn van zijn werk. De tassen en de trolley zijn alledrie zonder voorbehoud herkend door derden als toebehorend aan verdachte en bij hem in gebruik. Vast staat ook dat de (delen van) stoeptegels die zijn gebruikt om de tassen en trolley met daarin de lichaamsdelen te verzwaren afkomstig zijn uit verdachtes tuin. In de sporttas en de trolley bevonden zich twee stoeptegelstukken, die precies op elkaar pasten, en in de trolley bevonden zich twee delen van stoeptegels die precies pasten op stoeptegeldelen die in verdachtes tuin zijn aangetroffen. Op de (delen van) stoeptegels die zich in de tassen en de trolley bevonden zijn verfsporen gevonden die overeenstemmen met de verfsoort en -kleuren die verdachte gebruikte bij in het voorjaar van 2006 verrichte verfwerkzaamheden in zijn tuin. De zogenoemde tiewraps die in de trolley zijn gevonden, zijn het restant van een partij wraps die zijn gebruikt bij bouwwerkzaamheden. Dit restant is achtergelaten door een bouwvakker nadat deze zijn busje had schoongemaakt op het benzinestation waar verdachte als schoonmaker werkzaam was. Aannemelijk is, dat verdachte die tiewraps mee naar huis heeft genomen, en dat zij door hem in de trolley zijn gestopt, dan wel achtergelaten.

Voorts zaten in de sporttas en de trolley twee stukken textiel die door de ex-vriendin van verdachte zijn herkend als lakens afkomstig uit het huis van verdachte.

Een sterke aanwijzing voor het dumpen van lichaamsdelen of bezittingen van [naam slachtoffer] (wier kleding en persoonlijke eigendommen ook alle zijn verdwenen) door verdachte is verder nog gelegen in de verklaring van de taxichauffeur, die stelt verdachte op 19 juni 2006 na 23.09 uur met een zeer zware koffer te hebben vervoerd van de woning van verdachte in de [woonadres van verdachte] naar de directe omgeving van de Parkkade, - dat wil zeggen, naar de plek waar drie dagen later de verpakte romp van het slachtoffer in de Nieuwe Maas is gevonden. De loodzware, hardschalige koffer die verdachte volgens deze getuige die avond bij zich had, is de volgende dag - door een andere taxichauffeur, die verdachte naar Schiphol reed - niet gezien.

De rechtbank is met de deskundige professor W. van de Voorde (arts-specialist in de pathologische anatomie en de gerechtelijke geneeskunde en deeltijd hoogleraar gerechtelijke geneeskunde en criminalistiek aan de KULeuven) van oordeel dat bovengenoemde handelingen wijzen op zogenoemde defensieve mutilatie (het in stukken verdelen en verpakken van het lichaam teneinde het te kunnen transporteren en te kunnen dumpen of verbergen) om zelf niet in beeld te komen als dader van doding van het slachtoffer.

Toelichting op de bewezenverklaring van feit 1

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat het slachtoffer op gewelddadige wijze van het leven is beroofd. Immers, haar lichaam is in stukken gesneden, gehakt, gezaagd en/of gebroken. Een aantal lichaamsdelen - haar hoofd, haar romp en het linkerbeen - is teruggevonden in de Nieuwe Maas, stevig verpakt en met stenen verzwaard. Het is evident dat degene die haar om het leven heeft gebracht hiermee beoogde de sporen van zijn misdrijf uit te wissen, door het lichaam van het slachtoffer te laten verdwijnen. Onder meer door het gegeven dat natuurlijke ontbindingsprocessen het drijfvermogen van de verpakte lichaamsdelen hebben vergroot, is de dader in deze opzet niet geslaagd.

Dat de precieze doodsoorzaak door bedoelde natuurlijke processen niet (meer) kan worden vastgesteld, doet aan de vaststelling van het feit dat het slachtoffer op gewelddadige wijze van het leven is beroofd niet af. In het lichaam van het slachtoffer is een hoeveelheid olanzapine (merknaam: Zyprexa, een aan verdachte voorgeschreven geneesmiddel) aangetroffen. De deskundigen zijn het erover eens dat niet valt vast te stellen welke dosis door het slachtoffer voor overlijden is geslikt, omdat er geen bloed van het slachtoffer voorhanden was dat voor onderzoek daarnaar gebruikt kon worden. De verdediging heeft geopperd, dat zij door een overdosis van dit geneesmiddel zou kunnen zijn gestorven. Dat zij door het slikken van pillen (hetzij opgedrongen door haar vader, hetzij door haarzelf geslikt) om het leven zou zijn gekomen valt ook niet geheel uit te sluiten. Immers, zoals uit de verklaringen van de deskundigen (Dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut en prof. dr. D.R.A. Uges, hoogleraar klinische en forensische toxicologie, verbonden aan de RU Groningen) blijkt, zijn er gevallen bekend waarin een overdosis olanzapine tot de dood heeft geleid. Dit is in het algemeen altijd een mogelijkheid, indien een overdosis van een toxische stof (een groep van stoffen waartoe olanzapine behoort) wordt ingenomen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit echter in dit geval niet in de rede. Het slachtoffer was zelf niet onder doktersbehandeling. Er zijn getuigen die verklaren dat verdachte zijn dochter wel eens één van de aan hem voorgeschreven medicijnen zou hebben laten slikken om haar rustig te krijgen en het valt ook niet geheel uit te sluiten dat hij haar een overdosis van voor hemzelf bedoelde Zyprexa heeft toegediend, maar waarschijnlijk is dat niet. Een contra-indicatie hiervoor is de naar alle waarschijnlijkheid relatief geringe hoeveelheid Zyprexa die omstreeks juni 2006 in de woning voorhanden was. Verdachte immers was zijn Zyprexagebruik vanaf februari 2006 aan het afbouwen. Uit een overzicht van de ziekteverzekeraar van afgeleverde medicatie blijkt, dat er vanaf half maart tot augustus 2006 geen Zyprexa meer is afgeleverd. Dit komt ook overeen met verdachtes klacht op 7 juni 2006, dat hij Zyprexa mist en dat graag weer voorgeschreven wil zien. De rechtbank merkt in dit verband nog op, dat [naam slachtoffer] in het verleden volgens enkele verklaringen zélf ook wel eens iets uit haar vaders medicijnkast had gepakt. Er is echter al helemaal geen reden om aan te nemen dat zijzelf in juni 2006 een dodelijke hoeveelheid van deze pillen zou hebben geslikt. Het dossier bevat daarvoor geen enkele aanwijzing.

Een contra-indicatie voor de aanname dat het slachtoffer door een overdosis van medicijnen zou zijn overleden is voorts gelegen in de verklaring van de eerder genoemde bovenbuurvrouw, die heeft verteld dat zij, op een moment dat zij zich niet meer exact kan herinneren, maar dat viel enkele dagen vóór de door haar waargenomen geluiden als uit een slachterij, uit het huis van verdachte het geluid van ruzie, gestommel en hard geren heeft gehoord. Zij heeft daarbij gezegd dat het op het moment dat zij de politie wilde bellen muisstil werd. Dit soort geluidsoverlast was niet eerder voorgekomen en ook naderhand heeft deze getuige - die dit zeer verontrustend vond - zoiets niet meer gehoord. Het is zeer wel mogelijk dat deze getuige op dat moment heeft gehoord dat verdachte fataal geweld op zijn dochter uitoefende. De rechtbank acht het al met al zeer onaannemelijk dat het slachtoffer is overleden aan een overdosis pillen.

Dat een - zoals uit de sectierapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ook blijkt - overigens naar alle waarschijnlijkheid kerngezond meisje van twaalf jaar een plotselinge natuurlijke dood zou zijn gestorven acht de rechtbank eveneens zeer onaannemelijk en dat strookt ook niet met de in dit geval toegepaste zogenoemde defensieve mutilatie die - zoals hierboven overwogen - op het conto van verdachte moet worden geschreven. Met de eerder genoemde deskundige Van de Voorde is de rechtbank van oordeel, dat een dergelijke, meerdere uren vergende mutilatie van het lichaam moet wijzen op het doen verdwijnen van het corpus delicti na doding van het slachtoffer. Hierbij speelt nog een rol dat de dader het lichaam van het slachtoffer niet op een - technisch gesproken - voor de hand liggende wijze in stukken heeft verdeeld. Het beenbot is bijvoorbeeld op de dikste plek doorgezaagd (of gebroken). Het moet zijn gegaan om een zowel lichamelijk als geestelijk zeer belastende bezigheid, die, zoals Van de Voorde zegt, wijst op sterke wilskracht en doorzettingsvermogen. Dat brengt iemand slechts op, als sporen van een ernstig misdrijf moeten worden verborgen. Met andere woorden: als de dader van een dergelijk feit kan worden aangewezen, staat vrijwel zeker vast dat hij zich voorafgaand aan die mutilatie schuldig heeft gemaakt aan een levensdelict. Dit zou slechts anders kunnen zijn bij sterke aanwijzingen voor een ander scenario, bijvoorbeeld als de dader zou aangeven dat hij zijn daden verrichtte om een ander - degene die het levensdelict pleegde - te beschermen tegen gerechtelijke vervolging.

Verdachte is, naar het oordeel van de rechtbank, degene die het lichaam van het slachtoffer heeft gemutileerd en gedumpt. Nu de verdachte hierover, en over de gebeurtenissen daaraan voorafgaand die (naar alle waarschijnlijkheid) in het weekend van 10 en 11 juni 2006 in de beslotenheid van zijn woning plaatsvonden, in alle talen zwijgt, terwijl in het licht van overig bewijsmateriaal - met name gerelateerd aan de mutilatie en de wegmaking van het lichaam van het slachtoffer - zich de gedachte opdringt dat het niet anders kán zijn dan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doding van het slachtoffer - werkt dit zwijgen tegen hem. Immers: een ander scenario van feiten lijkt er niet te zijn. Bij gebreke aan enige andere aannemelijke verklaring moet uit de omstandigheden worden afgeleid dat het verdachte zelf is die zijn dochter op gewelddadige wijze heeft gedood. Hij is op het risico dat de rechtbank tot deze conclusie zou komen ook meermalen geattendeerd, maar heeft desalniettemin de keuze gemaakt te blijven zwijgen.

Dat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte wel zou kúnnen verklaren, omdat hij wél herinneringen heeft aan bedoelde gebeurtenissen in het weekend van 10 en 11 juni 2006 heeft de rechtbank hiervoor reeds toegelicht.

Dat aan een dergelijke proceshouding risico's kleven spreekt uit het voorgaande: in dit geval is geen scenario geschetst waarin een andere gang van zaken dan door de rechtbank hier bewezen verklaard aannemelijk kan worden.

Dat er geen ander scenario voorhanden ís acht de rechtbank ook anderszins waarschijnlijk. Verdachte liet in zijn huis geen anderen toe. Vrienden kwamen er niet of nauwelijks, vriendinnetjes van het slachtoffer mochten niet naar binnen. Zelfs verdachtes vriendin (zijn ex-vrouw) was ten tijde van het gebeuren in zijn huis niet welkom en zij is naar haar eigen zeggen, en ook volgens de administratie van het Boumanhuis GGZ waar zij toendertijd intramuraal verbleef, in elk geval na het weekend van 3 en 4 juni 2006 lange tijd niet meer in de woning van verdachte geweest. De broer van het slachtoffer had al maanden geen contact met zijn vader en zusje gehad en de biologische moeder van het slachtoffer leefde elders en bezocht de woning aan de [woonadres verdachte] nooit. Feitelijk leefden verdachte en het slachtoffer tezamen in een beklemmend isolement, dat slechts zelden werd doorbroken. Dat een ander dan verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht is ook daarom erg onaannemelijk.

Voorts heeft de rechtbank bij de bewezenverklaring van het eerste feit nog betrokken het gegeven, dat verdachte in het verleden gewelddadig is geweest tegen zijn echtgenote en kinderen, zeker als hij alcohol had gebruikt. Hij heeft, zoals hij zelf zegt, zijn kinderen geslagen om ze in het gareel te krijgen. Zijn kinderen hebben over ernstig geweld tegen hen verklaard. Zijn ex-echtgenote heeft in 2001 aangifte tegen hem gedaan van bedreiging en toen aangegeven dat verdachte, die haar regelmatig mishandelde, haar had gezegd met een scherp mes naar de badkamer te gaan, en dat zij toen heel bang werd omdat hij eerder had gedreigd haar te vermoorden en in stukjes te snijden zodat niemand haar terug zou vinden. Verdachte zelf, ten slotte, heeft aangegeven dat hij op de televisie keek naar programma's over autopsies (waarin naar zijn smaak onvoldoende werd getoond), dat hij overigens naar horrorfilms en thrillers keek, dat hij werd gekweld door moorddadige gedachten, die hij probeerde te negeren, dat hij permanent dronk (hetgeen ook door anderen is opgemerkt), dat hij zelf bezeten ('possessed') was, net als [naam slachtoffer], en dat het huis waar zij in maart 2006 naar toe waren verhuisd 'een hel' was.

Dat verdachte in de loop van 2006 (nog) meer moeilijkheden ervoer met zijn dochter dan voorheen kan naar het oordeel van de rechtbank heel goed mede in verband worden gebracht met zijn gewijzigd medicijngebruik. Vanaf februari 2006 is verdachte op voorschrift van zijn nieuwe psychiater gaandeweg van Zyprexa (olanzapine, antipsychotische medicatie) overgestapt op methylfenidaat ofwel Ritalin. Op 24 april 2006 is hij met Zyprexa definitief gestopt en gebruikte hij alleen nog Ritalin en antidepressiva. Op 7 juni 2006 vertelde hij aan zijn begeleider dat hij de Zyprexa miste en dat hij zich sneller geïrriteerd voelde, vooral jegens zijn dochter. Naderhand wordt door de rapporteurs van het PBC over deze medicatiewijziging gezegd, dat het aannemelijk is dat de stimulerende medicatie (Ritalin) waarvan bekend is dat die bij psychotische patiënten de gedrags- en denkstoornissen kan verergeren, zeker in combinatie met alcoholmisbruik, in combinatie met het afbouwen van de antipsychotische medicatie bij verdachte heeft geleid tot ernstige psychotische gedragsontregeling.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op zijn dochter en de wegmaking van haar lichaam teneinde de dood en de doodslag te verhelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1:

Doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Een lijk vernietigen, verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn twaalfjarige dochter, [naam slachtoffer], opzettelijk van het leven beroofd door zodanig geweld op haar uit te oefenen dat zij is overleden. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. Hij heeft een feit begaan dat op geen enkele wijze meer ongedaan is te maken. Door dit misdrijf heeft verdachte aan zijn dochter het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Om ontdekking van de door hem begane doodslag te voorkomen heeft verdachte vervolgens het lichaam van zijn gedode dochter weggemaakt. Hiertoe heeft hij het in stukken gesneden, gehakt, gezaagd en/of gebroken. Vervolgens heeft hij delen van het stoffelijk overschot stuk voor stuk in tassen verpakt. Deze pakketten, met stenen verzwaard, heeft hij in het water van de Nieuwe Maas gegooid. Tot op heden zijn drie pakketten met daarin respectievelijk de romp, een been en het hoofd van het slachtoffer gevonden. De rest van het stoffelijk overschot is (nog) spoorloos.

Niet slechts het feit dat verdachte zijn eigen dochter om het leven heeft gebracht, maar in het bijzonder ook de mensonwaardige wijze waarop hij haar lichaam vervolgens heeft verminkt door het in stukken te verdelen en heeft getracht zich van de lichaamsdelen te ontdoen, getuigen van ernstige gewelddadigheid. De door verdachte begane feiten hebben gevoelens van diepe geschoktheid en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt.

De emotionele gevolgen die vooral de nabestaanden van het slachtoffer door het handelen van verdachte hebben ondervonden en nog immer ondervinden blijken -onder meer- uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer.

Het behoeft geen betoog dat het tragisch verlies van het nog zo jeugdige slachtoffer ook gevoelens van verslagenheid en diepe gevoelens van onbegrip heeft veroorzaakt bij bekenden en bij vriendjes en vriendinnetjes van [naam slachtoffer].

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, terwijl alleen hij wist dat [naam slachtoffer] was overleden en wat er met haar stoffelijk overschot was gebeurd, anderen en in het bijzonder de directe nabestaanden van [naam slachtoffer] over haar lot heeft voorgelogen en in onzekerheid heeft gelaten. Hierdoor heeft hij de verwerking van het verlies van [naam slachtoffer] voor hen - naar valt aan te nemen - ernstig bemoeilijkt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een door de Forensisch Psychiatrische Dienst Rotterdam/Dordrecht uitgebracht rapport d.d. 19 december 2006, en van het omtrent verdachte uitgebracht PBC-rapport d.d. 12 juni 2007, opgemaakt door J.H. van Renesse, psychiater en A.J. de Groot, psycholoog.

Uit laatstgenoemd rapport komt -voor zover hier van belang- het volgende naar voren.

Algemeen

Betrokkene is een evident aan paranoïde psychoses lijdende melancholieke man die op overwegend zwakbegaafd niveau functioneert. Binnen het contact vallen chronisch sombere kenmerken en een diep negatief zelfgevoel op dat stemmingscongruent is met zijn psychotische symptomen (devaluerende gehoorshallucinaties). Verder is er sprake van een ernstige afhankelijkheid van alcohol.

In psychodiagnostisch opzicht kunnen betrokkenes aanhoudende hallucinaties en zijn waansymptomatologie geclassificeerd worden als schizofrenie. De stemmingsproblematiek verloopt parallel aan de psychotische episoden en er lijkt sprake van wederzijdse beïnvloeding. De depressieve kenmerken van betrokkene zijn deels eigen aan zijn persoonlijkheid, maar kunnen ook de omvang van een klinische depressie aannemen. Dit samengaan van psychotische problematiek (schizofrenie) en stemmingsproblematiek kan worden begrepen als een schizo-affectieve stoornis van het depressieve type. Betrokkenes alcoholverslaving kent nadrukkelijk een zelfmedicatieve functie. Betrokkene tracht hiermee zowel zijn depressieve kenmerken alsook zijn psychotisch lijden te bestrijden.

Wordt betrokkenes levensloop bezien, dan wordt duidelijk dat betrokkene nooit wezenlijke draagkracht kon ontwikkelen. Zijn moeder miskende, misdeelde en mishandelde hem en zijn vader was grotendeels afwezig. Opvallend is dat betrokkene de schuld voor dit alles eerder op zichzelf betrok dan op zijn omgeving projecteerde. Betrokkene ervaart de meeste zelfkwelling over de omstandigheid dat het hem niet gelukt is om zijn kinderen gelukkig op te voeden. Deze overtuiging voedt zijn immens negatieve zelfbeleving.

Aldus is sprake van een man met een ernstige psychiatrische stoornis en een alcoholprobleem, die getormenteerd en zelfverwijtend in het leven staat, onlusten en depressiviteit met alcohol bestrijdt, hierdoor psychotischer wordt waarbij hij zijn negatieve zelfbeeld via gehoorshallucinaties bevestigd krijgt en die ondanks zijn psychische kwetsbaarheid zijn kinderen de steun en opvoeding wilde geven die hij zelf gemist heeft, maar moet constateren dat hij tekortschiet. Betrokkene vertoont vooral agressie jegens zijn partner en kinderen onder invloed van alcohol.

Wordt betrokkenes psychisch toestandsbeeld beschouwd in de periode voorafgaand en rond het ten laste gelegde, dan valt vanaf het voorjaar van 2006 op dat de antipsychotische medicatie wordt afgebouwd en het farmacologisch beleid werd afgestemd op ADHD-problematiek. Dit gaf volgens betrokkene een verergering van zijn psychotische klachten en een toename van alcoholgebruik. Betrokkene geeft aan dat de chaos in zijn hoofd rustiger wordt nadat hij Ritalin heeft geslikt, alleen werkt het blijkbaar niet lang genoeg.

Als er geen sprake is van ADHD werkt Ritalin echter zoals speed doet: ontremmend met een toenemende emotionele onverschilligheid. De werking daarvan wordt bovendien versterkt door alcoholgebruik. Er zijn aanwijzingen dat betrokkene psychisch afgleed vanaf mei 2006 en aannemelijk is dat het ten laste gelegde in verband kan worden gebracht met zijn psychiatrische stoornis. De afwezigheid van antipsychotische medicatie, gecombineerd met de aanwezigheid van Ritalin heeft bijgedragen tot een verergering van betrokkenes psychose en zijn agressie.

Beschouwing

Het bovenstaande leidt tot de diagnostische conclusie dat betrokkene lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis met zowel psychotische componenten als stemmingscomponenten. Daarnaast en daarmee verweven is er sprake van afhankelijkheid van alcohol.

Het is aannemelijk dat Ritalin in combinatie met het afbouwen van antipsychotische medicatie geleid heeft tot een ernstige psychotische gedragsontregeling.

Conclusie

De gedragsdeskundigen concluderen dat betrokkene ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat de feiten - indien bewezen - hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Advies:

De gedragsdeskundigen achten het gevaar voor recidive van een delict als thans ten laste wordt gelegd, indien onbehandeld, substantieel, gezien betrokkenes duurzame alcoholafhankelijkheid, de stressvolle omgevingsfactoren en de onvolkomen gebleken trouw om de noodzakelijke antipsychotische medicatie te blijven gebruiken.

De belangrijkste risico-indicatoren betreffen de psychische stoornis, zijn verslavingsgedrag, het ook in de toekomst hoog te verwachten stressniveau en de weinig verinnerlijkte vaardigheden om hier adequaat mee om te gaan. Deze risico's worden groter als betrokkene psychotisch decompenseert en meer alcohol gaat gebruiken.

Geadviseerd wordt om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, waarbij vooral aandacht geschonken zal moeten worden aan betrokkenes schizoaffectieve stoornis naast zijn verslavingsproblematiek.

De rechtbank neemt de hiervoor weergegeven conclusie van voornoemde gedragsdeskundigen over en maakt deze tot de hare.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist, waarbij de rechtbank mede heeft gelet op de ernst van het begane feit en de kans op recidive.

Alles afwegend acht de rechtbank naast gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging passend en geboden.

Met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig geweldsmisdrijf en met de omstandigheid dat hij zich vervolgens op gruwelijke wijze van het lichaam heeft ontdaan.

Gelet hierop acht de rechtbank een gevangenisstraf als gevorderd door de officier van justitie passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 37a, 57, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde doodslag en het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van ACHT ( 8) JAREN;

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Koning, voorzitter,

en mrs. Derkx en Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 december 2007.

Bijlage bij vonnis van : [naam verdachte]

Uitspraak d.d. 10 december 2007

TEKST NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 7 juni 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans een moment van bezinning, zodanig geweld tegen/op die [naam slachtoffer] uit te oefenen en/of die [naam slachtoffer] in een zodanige situatie te brengen en/of te houden dat zij is overleden, althans in ieder geval opzettelijk en met voorbedachten rade die [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

2.

Hij in de periode van 7 juni 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer], heeft vernietigd en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, immers heeft hij, verdachte,

- het stoffelijk overschot van die [naam slachtoffer] in delen gezaagd en/of gesneden en/of gehakt en/of gebroken en/of

- (vervolgens) een of meer delen van het stoffelijk overschot van die [naam slachtoffer], al dan niet in een meer tassen en/of een trolley verpakt, op een of meer plaatsen in de rivier "de Nieuwe Maas", althans in enig water (uitkomend in de rivier "de Nieuwe Maas"), gegooid en/of gebracht.