Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB9257

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
267550/ HA ZA 06-2371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

derde in een serie van 3 vonnissen naar aanleiding van een explosie in een bedrijfspand; vrijwaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 267550/ HA ZA 06-2371

Uitspraak: 15 augustus 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres

procureur en advocaat mr. J.C.Brokling,

- tegen -

1. de commanditaire vennootschap AON NEDERLAND CV, onder meer handelende onder de naam AON HUDIG MAKELAARS IN ASSURANTIEN EN RISICO-ADVISEURS,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. S.P.J.F.Zwanen,

advocaat mr. C.W.M.Lieverse te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap NASSAU VERZEKERING MAATSCHAPPIJ NV,

gevestigd te Rotterdam,

3. de naamloze vennootschap ALLIANZ SCHADEVERZEKERING NV, handelende onder de naam ALLIANZ GLOBAL RISKS NEDERLAND,

gevestigd te Rotterdam,

4. de naamloze vennootschap HANNOVER INTERNATIONAL INSURANCE (NEDERLAND) NV,

gevestigd te Rotterdam,

5. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING NV,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. W.A. Luiten te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] respectievelijk (gedaagde sub 1) als AON en (gedaagden sub 2 tot en met 5) als verzekeraars.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 18 augustus 2006 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord zijdens verzekeraars, met producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, zijdens AON,

met producties;

- conclusie van repliek in vrijwaring, tevens houdende verzoek tot voeging ,

met producties;

- conclusie van dupliek, tevens van antwoord in het incident, zijdens verzekeraars,

met producties;

- conclusie van dupliek, tevens van antwoord in het incident, zijdens AON.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Tussen [eiseres] en verzekeraars is met ingang van 9 oktober 1997 een verzekeringsovereenkomst van kracht (geweest), genaamd Juwelierstotaalpolis, (hierna: de verzekering), ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] in het pand aan de [straat] te [gemeente].

De verzekering omvat onder meer een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (hierna: de AVB). Sedert 1 maart 2003 droegen gedaagde sub 2 en 3 elk 30%, en gedaagde sub 4 en 5 elk 20% van het risico.

2.2.

Op de verzekering onder meer zijn van toepassing:

2.2.1

De Voorwaarden Juweliers Totaal polis JU 930-01, die voor zover van belang inhouden:

“2 Dekking

(…)

3 Uitsluitingen

Niet gedekt is het financieel nadeel dat voor verzekerde ontstaat als gevolg van de hieronder genoemde schade-oorzaken en/of vormen:

3.1 Opzet

opzettelijk of met goedvinden van de verzekerde veroorzaakte schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten. Verzekeraars zullen overigens geen beroep doen op eigen schuld of merkelijke schuld in de zin van art. 276 WvK respectievelijk art. 294 WvK.

Overige bepalingen

5.2 Wijziging van activiteiten

De premie en voorwaarden gelden voor de feiten en omstandigheden zoals in het vragenformulier vermeld. Indien deze feiten of omstandigheden in belangrijke mate worden gewijzigd is verzekerde verplicht dit zo spoedig mogelijk aan de makelaars mede te delen. (…)

5.3 Preventie

5.3.1. Verzekerde neemt op zich alle maatregelen te nemen die passen in een normale bedrijfsvoering om schade te voorkomen.

5.3.2. (...)

5.3.3. Indien verzekerde verzuimt aan het in de artikelen 5.3.1. en 5.3.2. bepaalde te voldoen, verliest hij ten aanzien van het inbraakrisico alle recht op schadevergoeding, tenzij hij aannemelijk maakt dat zijn verzuim:

- de schade niet heeft veroorzaakt of

- de schade niet heeft vergroot of

- niet aan zijn schuld is te wijten.

..”

2.2.2

De aanvullende Verzekeringsvoorwaarden, die voor zover van belang inhouden:

“..

4.VERPLICHTINGEN VAN VERZEKERDE

Uitdrukkelijk wordt overeengekomen, dat:

(…)

c. verbouwingen c.q. wijzigingen in de bestemming van de ruimten binnen het risico-adres, alsmede (… ) schriftelijk goedgekeurd moeten worden door verzekeraars;

(…)

Het niet nakomen van deze verplichtingen zal verlies van het recht op schadevergoeding tot gevolg hebben.

…”

2.2.3

De voorwaarden VA 930-01 Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (hierna: VA 930-01), die voor zover van belang inhouden

“(…)

II DEKKING

12 De verzekering dekt de aansprakelijkheid van verzekerden voor door derden geleden schade(…)

III UITSLUITINGEN

15 Opzettelijk veroorzaakte schade

Niet gedekt is de aansprakelijkheid voor door de verzekeringnemer of de tot schadevergoeding aangesproken verzekerde met opzet of met diens uitdrukkelijk goedvinden veroorzaakte schade; overigens zullen verzekeraars geen beroep doen op eigen schuld van verzekerde in de zin van art.276 WvK. (…)

V OVERIGE BEPALINGEN

29 Wijziging van activiteiten

De premie en voorwaarden gelden voor de activiteiten van verzekerde(n), zoals in de polis vermeld. Indien deze activiteiten in belangrijke mate worden gewijzigd, zijn partijen bevoegd een verandering van premie of voorwaarden aan de orde te stellen. Verzekeringnemer zal verzekeraars binnen een redelijke termijn van deze wijziging op de hoogte stellen; de dekking blijft echter onverminderd van kracht.

…”

2.3

(De rechtsvoorgangster van) AON is bij het tot stand komen van deze verzekering als makelaar opgetreden.

Op 7 oktober 1997 is door [eiseres] samen met AON na bezichtiging van het risico-adres een aanvraag/vragenformulier ingevuld, dat voor zover van belang inhoudt:

…Verzekeringnemer: (ingevuld) [eiseres]

Adres: (ingevuld) [straat]

(…) [woonplaats]

(…)

Algemene informatie

(door middel van een kruisje aangegeven) juwelier (in het hokje voor het woord reparateur is geen kruisje gezet, verdere toelichting is niet gegeven)

Risico-adres: (ingevuld) zie boven

Aantal werknemers: (niets ingevuld)

…”

Dit ingevulde formulier maakt deel uit van de verzekeringsovereenkomst zoals belichaamd in de Juwelierstotaalpolis.

2.4

Op 12 november 1997 heeft een inspectie van het risico-adres namens verzekeraars plaatsgevonden.

Naar aanleiding van die inspectie hebben verzekeraars via AON laten weten, dat een brandblusser moest worden aangeschaft. [eiseres] heeft aan die eis voldaan.

2.5

Op 28 juni 2003 heeft zich in de kelderruimte van het onder 2.1 bedoelde pand een explosie voorgedaan (hierna: de explosie). Ten gevolge hiervan zijn 16 mensen gewond geraakt en is het gehele pand, inclusief de appartementen die zich daarin bevonden, alsmede een aantal belendende percelen beschadigd geraakt. De bedrijfsruimte van [eiseres] en de daarin aanwezige inventaris is eveneens beschadigd.

2.6

Op 25 januari 2006 is [eiseres] gedagvaard door [betrokkene I] en [betrokkene II] (de hoofdzaak ten opzichte van deze procedure, met rolnr. 06-336); in die procedure wordt een verklaring voor recht gevorderd, ertoe strekkende dat [eiseres] aansprakelijk is voor de (letsel)schade die [betrokkene I] en [betrokkene II] hebben geleden als gevolg van de explosie, alsmede vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat.

Zij stellen daartoe het volgende. [betrokkene I] en haar dochter [betrokkene II] bevonden zich ten tijde van de explosie in de kledingzaak naast de bedrijfsruimte van [eiseres]. Als gevolg van de explosie hebben zij letsel opgelopen. [eiseres] wordt aansprakelijk gehouden op grond van de risico-aansprakelijkheid als bedoeld in artt. 6:170, 171 en 175 BW respectievelijk uit onrechtmatige daad omdat de explosie is ontstaan doordat [eiseres] geschreven en ongeschreven veiligheidsnormen heeft overtreden bij de uitoefening van haar onderneming.

3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

- verzekeraars en AON gelijktijdig met de uitspraak in de procedure in de hoofdzaak te veroordelen om aan [eiseres] al datgene te voldoen waartoe [eiseres] in de hoofdzaak wordt veroordeeld, inclusief rente en kosten,

- met veroordeling van verzekeraars en AON hoofdelijk in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1.

Als de rechtbank in de hoofdzaak vaststelt dat [eiseres] aansprakelijk is voor de schade van [betrokkene I] en [betrokkene II] dient die schade te worden vergoed op basis van de verzekering die [eiseres] bij verzekeraars heeft gesloten.

3.2

De explosie is een gedekt evenement. Verzekeraars dienen bedoelde schade tot de in de polis voorziene maxima te vergoeden op basis van de verzekering.

3.3

Als zou blijken dat de verzekering geen dekking biedt en verzekeraars dus de schade niet behoeven te vergoeden, dient AON dat te doen. In dat geval is AON als bemiddelend makelaar toerekenbaar tekortgeschoten in haar inspanningsverplichting jegens [eiseres] om een passende verzekering, die dekking bood in een geval als dit, voor haar te sluiten. AON had dan een andere polis moeten adviseren dan wel [eiseres] moeten waarschuwen dat de betreffende werkzaamheden niet verzekerd waren onder de verzekering.

4 Het verweer van verzekeraars

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

Verzekeraars hebben daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

4.1

[eiseres] heeft, zoals blijkt uit het aanvraagformulier, de verzekering afgesloten als juwelier en niet als goudsmederij. De schade is niet ontstaan als gevolg van het uitoefenen van het juweliersbedrijf, maar omdat [eiseres] in een andere ruimte dan die waarin zij haar juweliersbedrijf uitoefende een goudsmederij dreef. Voor die activiteiten was zij niet verzekerd.

Voor wat betreft de AVB vloeit -ook- uit art. 29 van de verzekeringsvoorwaarden VA 930-01 voort dat er geen dekking bestaat voor niet gemelde bedrijfsactiviteiten: de daar voorziene regeling houdt slechts in dat risicoverzwaring moet worden gemeld en dat hangende een wijzigingsverzoek de dekking van de oorspronkelijke, verzekerde activiteit van kracht blijft. De verzekering met de bijbehorende premie en voorwaarden geldt uitsluitend voor de activiteiten van verzekerde zoals vermeld in de polis en dus in dit geval niet voor de goudsmederij-activiteiten.

4.2

Als juist zou zijn dat er al ten tijde van het sluiten van de verzekering in de kelder een goudsmederij werd geëxploiteerd had [eiseres] dat toen moeten melden; verzekeraars beroepen zich in zoverre op verzwijging als bedoeld in art. 251 K.

4.3

In het geval de goudsmederij vanaf een later moment werd geëxploiteerd had [eiseres] dat op dat moment aan verzekeraars moeten melden; [eiseres] heeft verzekeraars nimmer gemeld dat zij de kelder als goudsmederij in gebruik nam. Dit is in strijd met art. 4 van de aanvullende Verzekeringsvoorwaarden; door dat nalaten in strijd met die verplichting zijn verzekeraars in hun belang geschaad, zodat zij met een beroep op dit artikel dekking kunnen weigeren.

Verzekeraars beroepen zich in dit verband voorts op art. 293 K, nu sprake is van toename van het brandgevaar door de goudsmederij.

4.4

-Aangenomen moet worden, dat de explosie is ontstaan doordat open vuur is gebracht in de kelder, waarin propaangas aanwezig was dat was gestroomd uit de aldaar aanwezige (grijze)

gasfles. Dat gas is uitgestroomd omdat de afsluitring beschadigd was, dan wel de hendel van de brander langdurig ingedrukt is geweest, dan wel de afsluitkraan langer open is blijven staan. Tenslotte is nog denkbaar dat gas uit de aldaar ook aangetroffen groene gasfles is gestroomd.

-De betrokkenheid van [eiseres] bij de explosie is aan te merken als merkelijke schuld in de zin van art. 294 K. Er was in de kelder sprake van loshangende elektriciteitsleidingen en er was waterlekkage. Voorts werd gewerkt met gevaarlijke chemicaliën in een afgesloten kelderruimte zonder natuurlijke ventilatie waar de afzuiginstallatie uitermate provisorisch was; een gasdetector ontbrak. Ook was de daar aanwezige grijze gasfles gebrekkig, nu de afsluitring gescheurd was. De installatie was illegaal (want er werd niet beschikt over de vereiste vergunningen), evenals de daar tewerkgestelde goudsmeden, die hard moesten werken en geen instructies met betrekking tot het gebruik van gasflessen hadden ontvangen, in het bijzonder ook niet dat zij gegeven de werkruimte grote voorzichtigheid moesten betrachten en moesten letten op mogelijke lekkage van gas.

4.5

[eiseres] is de verplichting van art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden JU930-01 Juwelierstotaalpolis niet nagekomen: het gebruik van gas in een niet geventileerde kelder is zeer gevaarlijk, zeker nu ook detectie- en ventilatieapparatuur ontbrak. De explosie is ontstaan omdat [eiseres] passende voorzorgsmaatregelen als hiervoor onder 4.4 genoemd achterwege had gelaten.

4.6

Als de explosie zou zijn ontstaan als gevolg van uitgestroomd aardgas (hetgeen onaannemelijk is) is [eiseres] niet aansprakelijk voor de schade van [betrokkene I] en [betrokkene II].

Als [eiseres] dat verweer niet voert in de hoofdprocedure levert dat eigen schuld op, zodat de schade in de hoofdprocedure voor rekening van [eiseres] moet blijven.

4.7

Een mogelijk toewijzend vonnis dient gelet op het restitutierisico niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard te worden.

5 Het verweer van AON

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

AON heeft daartoe het volgende aangevoerd:

5.1

De dagvaarding is gebrekkig, nu daarin niet de beslissing is medegedeeld van het vonnis waarbij het [eiseres] is toegestaan haar in vrijwaring op te roepen. AON is in haar belangen geschaad doordat zij daarvan niet op de hoogte is gesteld.

5.2

AON heeft gehandeld zoals het een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon betaamt en heeft aldus aan haar zorgplicht voldaan.

Aan AON is in 1997 alleen de winkel op de begane grond getoond. De kelder is niet aan AON getoond en [eiseres] heeft AON ook niet medegedeeld dat zij daar goud zou smelten en/of reparatiewerkzaamheden zou verrichten. Nadien heeft [eiseres] evenmin iets dergelijks aan AON gemeld.

AON kan niet verweten worden dat zij geen rekening heeft gehouden met informatie, die [eiseres] haar niet heeft verstrekt.

5.3

Voor hoofdelijke aansprakelijkheid van AON voor de proceskosten van verzekeraars ontbreekt de juridische basis.

Ook kan AON in de vrijwaring niet veroordeeld worden in de kosten van de hoofdzaak.

6 De beoordeling

6.1

[eiseres] heeft, al dan niet bedoeld als incidentele vordering, verzocht om voeging van deze procedure met de procedure onder 06-72 en de vrijwaringsprocedure naar aanleiding van de procedure met rolnr. 06-3290, waarvan het rolnummer nog niet bekend is, omdat deze alle zien op hetzelfde feitencomplex- de explosie en haar gevolgen- en op dezelfde rechtsvragen, zodat voeging ex art. 222 Rv voor de hand ligt.

Nu dit verzoek pas is gedaan bij repliek is dat, gelet op het bepaalde in art. 220 lid 2 jo. 222 Rv, te laat, zodat voor voeging als in die artikelen bepaald geen plaats is.

De rechtbank zal echter om proceseconomische overwegingen overgaan tot rolvoeging van deze zaak met de zaken onder rolnummer 06-72 (een zaak waarin [eiseres] verzekeraars en AON aanspreekt, met als inzet de dekking onder de verzekering van de schade van derden en van [eiseres] zelf als gevolg van de explosie), rolnummer 06-336 (de zaak waarin [betrokkene I] en [betrokkene II] [eiseres] aansprakelijk hebben gesteld voor hun schade als gevolg van de explosie, aldus de hoofdzaak bij deze procedure), rolnummer 06-3290 (een zaak waarin andere gelaedeerden [eiseres] aansprakelijk hebben gesteld voor hun schade als gevolg van de explosie) en eventueel te zijner tijd de thans nog niet aanhangig gemaakte vrijwaringsprocedure bij die laatste zaak. Het betreft hier een louter administratieve maatregel.

Voor wat betreft de vordering tegen verzekeraars

6.2

In deze procedure is niet in geschil dat de explosie schade heeft berokkend aan derden, te weten [betrokkene I] en [betrokkene II]. Het debat in deze procedure is voor een deel gevoerd door verwijzing naar de stukken in de zaak met rolnr. 06-72. In die procedure zijn echter ook de voor deze procedure irrelevante onderdelen van de verzekering die losstaan van de aansprakelijkheidsverzekering (waarop de verplichting tot vrijwaring is gebaseerd) onderwerp van debat, zonder dat partijen helder hebben aangegeven welk gedeelte van hun stellingen op de aansprakelijkheidsverzekering ziet. Partijen zullen dit debat in een later stadium van de procedure nader moeten uitwerken. Daarbij zal ook aan de orde moeten komen de verhouding tussen de (algemene) voorwaarden die deels geciteerd zijn in 2.2.1 en 2.2.2 hiervoor en de specifieke voorwaarden geldend voor de aansprakelijkheidsverzekering, zoals de voorwaarden genoemd onder 2.2.3.

6.3

Voorwaarde voor toewijzing van de onderhavige vordering in deze vrijwaring is, dat in de hoofdzaak -de zaak met rolnr. 06-336- wordt geoordeeld dat [eiseres] jegens [betrokkene I] en [betrokkene II] aansprakelijk is voor de door hen geleden schade als gevolg van de explosie, zodat de beslissing in die zaak moet worden afgewacht. Het wezen van de vrijwaring brengt dat mee. Dat betekent, dat het debat over een mogelijke oorzaak van de explosie waarvoor [eiseres] in het geheel niet verantwoordelijk is (bijvoorbeeld een aardgasexplosie) hier in beginsel onbesproken kan blijven, nu dit uitsluitend van belang is voor de vraag of [eiseres] jegens [betrokkene I] en [betrokkene II] aansprakelijk is. Indien partijen, na kennisneming van dat oordeel, zouden menen dat er toch reden is voor een nader debat op dat punt in deze procedure zullen zij te zijner tijd kunnen kenbaar maken en behoorlijk toelichten en onderbouwen dat en waarom zij die mening zijn toegedaan.

Voor het geval zou blijken, dat [eiseres] in de hoofdzaak aansprakelijk wordt geacht omdat zij niet het verweer heeft gevoerd dat de oorzaak van de explosie haar niet is aan te rekenen als het blijkt te gaan om een aardgasexplosie hebben verzekeraars eerst bij dupliek het standpunt ingenomen dat het niet voeren van dat verweer is te beschouwen als eigen schuld. Verzekeraars verbinden daaraan de conclusie dat de schade, tot betaling waartoe [eiseres] dan zou worden veroordeeld, voor haar rekening moet blijven.

Op dit verweer heeft [eiseres] nog niet kunnen reageren. Zij zal in de gelegenheid worden gesteld dat te zijner tijd, bij gelegenheid van de onder 6.2 bedoelde conclusie, alsnog te doen.

6.4

Los van de onder 6.3 bedoelde punten en voor het geval in de hoofdzaak een veroordeling volgt overweegt de rechtbank omtrent de vraag of de aansprakelijkheidsverzekering in beginsel dekking biedt als volgt.

Uitgangspunt in dit geding moet, zoals hiervoor overwogen, zijn, dat de oorzaak van de explosie zodanig is, dat [eiseres] aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen, dat wil in casu zeggen dat het moet gaan om een haar (al dan niet in het kader van risico-aansprakelijkheid) aan te rekenen gebrek aan de gasfles, de situatie in de kelder, handelingen of nalaten van personeel, de instructies aan het personeel etc.

Cruciaal voor de dekkingsvraag is de van de toedracht/oorzaak van de explosie te onderscheiden kwestie wat voor activiteiten in welke omvang (en, in voorkomend geval, sedert wanneer) werden uitgeoefend in de kelder van het risico-adres.

Als juist is wat [eiseres] op dit punt primair stelt, te weten dat het ging om beperkte, incidentele werkzaamheden als goudsmid met name in het kader van reparaties, dan kan dit niet aan de dekking in de weg staan, ongeacht het moment waarop die situatie is ontstaan. Immers, tussen partijen is niet in geschil dat kleinschalige werkzaamheden van dien aard tot het juweliersbedrijf gerekend kunnen worden. De enkele omstandigheid dat de werkzaamheden in de kelder werden uitgeoefend is onvoldoende grond om dekking te weigeren; als verzekeraars de details van de indeling van het bedrijfspand wezenlijk vonden voor het afsluiten van de verzekering hadden zij daarnaar op het aanvraagformulier moeten vragen, maar dat hebben zij niet gedaan.

Het is aan verzekeraars om te bewijzen dat de situatie en de werkzaamheden die tot de explosie en daarmee tot de schade hebben geleid verder gingen dan de beperkte bezigheden als hiervoor bedoeld, nu zij zich op de aard van die werkzaamheden beroepen ter afwering van dekking voor schade als gevolg van een in beginsel gedekt evenement (de explosie). Anders dan verzekeraars kennelijk menen, is hetgeen zij tot dusverre hebben overgelegd aan bewijsmateriaal, mede gelet op de grondig gemotiveerde betwisting daarvan door [eiseres], onvoldoende om hen reeds in die bewijslevering geslaagd te achten. Een groot deel van het materiaal waarop verzekeraars zich beroepen, bestaat uit verklaringen die zijn afgelegd in een andere context, met een ander doel, te weten een strafrechtelijk onderzoek, waarvan de exacte reikwijdte niet duidelijk is. Daarnaast is kennelijk in het kader van het strafrechtelijk onderzoek nog meer materiaal verzameld; er zijn van sommige cruciale getuigen meerdere verklaringen in het geding gebracht, die elkaar deels tegenspreken. Een deel van de verklaringen is bovendien tot stand gekomen met behulp van [X] als tolk; nog daargelaten hetgeen [eiseres] stelt over zijn (volgens haar bedenkelijke) rol, tussen partijen staat kennelijk vast dat hij geen beëdigd (beroeps)tolk is, zodat reeds om die reden grote terughoudendheid geboden is bij het gebruik van die verklaringen.

Gelet op hun bewijsaanbod zullen verzekeraars derhalve worden toegelaten tot het bewijzen van hun stelling dat de explosie is ontstaan in het kader van de uitoefening van de bedrijfsactiviteit goudsmederij, dat wil zeggen bedrijfsmatige werkzaamheden, die vaker voorkwamen en meer omvatten dan de beperkte en incidentele werkzaamheden die tot het juweliersbedrijf zijn te rekenen. Als de situatie wordt bewezen die verzekeraars stellen dat bestond, te weten het 4 tot 6 dagen per week laten smelten/bewerken van minstens 100 gram goud door twee professionele (zij het illegale) goudsmeden, dan zijn zij uiteraard in hun bewijs geslaagd. Ook als de na bewijslevering bewezen omvang, aard en regelmaat van de werkzaamheden geringer is, is echter mogelijk, dat een en ander voldoende is om het bewijs geleverd te achten.

6.5

Indien verzekeraars in het onder 6.4 bedoelde bewijs slagen, zal de vordering jegens hen worden afgewezen. In dat geval is de rechtbank van oordeel dat de schade is ontstaan in de uitoefening van een andere bedrijfsmatige bezigheid en dus in een andere hoedanigheid dan de verzekerde hoedanigheid van juwelier. De rechtbank wijst in dit verband op art.5.2 van de Voorwaarden Juwelierstotaalpolis en op art. 29 van de voorwaarden VA-930-01; uit die bepalingen moet worden afgeleid dat de verzekeringsdekking niet geldt voor andere activiteiten dan de, op het van de overeenkomst deel uitmakende, formulier vermelde activiteit, te weten “juwelier”.

Daarbij doet dan niet ter zake of die goudsmederij-activiteiten reeds bij het sluiten van de verzekering werden uitgeoefend of pas sinds een later tijdstip; vast staat immers dat de verzekerde hoedanigheid steeds juwelier is geweest en gebleven.

Voor zover [eiseres] heeft bedoeld zich voor dat geval te beroepen op dekking ingevolge art. 29 van de verzekeringsvoorwaarden VA 930-01 snijdt die stelling geen hout. Dit artikel voorziet in voortzetting van de verzekeringsdekking voor de reeds verzekerde activiteit -het juweliersbedrijf- in de periode dat een herzieningsverzoek op basis van wijziging van de activiteiten in behandeling is. De bepaling kan in redelijkheid onmogelijk zo worden begrepen dat de dekking zich zou uitstrekken tot activiteiten, waarvoor -zoals vast staat- [eiseres] geen verzoek als in dat artikel bedoeld heeft ingediend.

Aan de andere verweren wordt in dat geval niet toegekomen.

6.6

Indien verzekeraars in het onder 6.4 bedoelde bewijs niet slagen moet worden aangenomen, dat de explosie is voorgevallen in het kader van de uitoefening van het juweliersbedrijf, zodat het eerste verweer van verzekeraars dan verworpen moet worden.

Dat geldt tevens voor het beroep op de artikelen 251 respectievelijk 293 K, nu immers in dat geval geen sprake is van de gestelde -bij aanvang of bij wijze van bestemmingswijziging- te melden omstandigheid dat een goudsmederijbedrijf ter plaatse werd uitgeoefend. Op analoge gronden strandt dan het beroep op schending van art. 4 van de aanvullende Verzekeringsvoorwaarden.

6.7

In dat geval resteren de onder 4.4 en 4.5 weergegeven verweren van verzekeraars die, kort gezegd, zien op opzet dan wel (merkelijke) schuld van [eiseres] aan het ontstaan van de explosie. Ook op dit punt berust in beginsel de bewijslast bij verzekeraars, zonder dat thans reeds gezegd kan worden dat verzekeraars zijn geslaagd in dat bewijs. Bovendien is het debat op deze punten nog niet voldoende uitgekristalliseerd; partijen hebben zich onder meer nog niet uitgelaten over de consequenties van de hiervoor onder 2.2.1 geciteerde bepaling 3.1 van de Juwelierstotaalpolis en de onder 2.2.3 geciteerde bepaling van de VA 930-01, met name niet voor wat betreft (de toelaatbaarheid van het beroep van verzekeraars op) de gestelde merkelijke schuld. Ook de in dit opzicht mogelijk bestaande specifieke positie van de aansprakelijkheidsverzekering in het verband van de totale polis als bedoeld in 6.2 hiervoor is nog niet, althans onvoldoende, door partijen besproken.

Van partijen wordt verwacht dat zij zich in elk geval op deze punten, evenals op de punten bedoeld in 6.2 en 6.3, nader uitlaten bij conclusie na enquête.

Opgemerkt wordt, dat de bewijsvoering omtrent de gestelde opzet wellicht beperkt kan worden tot het overleggen van een strafvonnis, waarin mw. [Y] wordt veroordeeld in verband met de explosie, maar dat zal afhangen van de inhoud van die veroordeling. In elk geval acht de rechtbank van belang dat van het, dan inmiddels wellicht beschikbare, oordeel van de strafrechter wordt vernomen. Verzekeraars zullen bij conclusie na enquête het vonnis in het geding dienen te brengen; indien zij daarover niet kunnen beschikken is [eiseres] gehouden dat bij haar antwoordconclusie te doen.

Voor wat betreft de vordering tegen AON

6.8

Hoewel inderdaad uit de dagvaarding de beslissing van de rechtbank omtrent het toelaten van de oproeping in vrijwaring niet blijkt is onvoldoende aannemelijk dat AON daardoor in haar belangen is geschaad; bovendien kan dit gebrek alsnog worden hersteld, doordat [eiseres] alsnog dat vonnis aan AON toezendt. De rechtbank gaat er vanuit dat [eiseres] dit vonnis binnen 2 maanden alsnog aan AON toezendt; indien de inhoud daarvan aanleiding geeft tot opmerkingen kan AON daarop bij haar eerstvolgende processtuk terugkomen.

6.9

De vordering is uitsluitend ingesteld voor het geval verzekeraars niet gehouden zijn dekking te verlenen. Dat betekent, dat eerst de hiervoor onder 6.4 bedoelde bewijslevering zal moeten worden afgewacht.

De rechtbank merkt echter reeds thans het volgende op.

6.9.1

Als de vordering tegen verzekeraars wordt afgewezen omdat na de ingangsdatum van de verzekering een goudsmederij in de kelder werd uitgeoefend geldt dat er van moet worden uitgegaan dat AON wel naar behoren een verzekering tot stand gebracht had, maar geen bestemmingswijziging heeft gemeld. Nu [eiseres] zelf heeft erkend dat zij AON nimmer van een wijziging in de situatie in de kelder op de hoogte heeft gesteld kan AON niet worden verweten dat zij een dergelijke wijziging niet aan verzekeraars heeft gemeld. Het handelen van AON moet worden getoetst aan de maatstaf van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon/verzekeringsmakelaar. Van zo’n tussenpersoon kan in het algemeen niet verwacht worden dat hij, zonder enige mededeling van verzekerde, op eigen initiatief de toestand in het verzekerd bedrijf onderzoekt vanuit het oogpunt van een mogelijk te melden bestemmingswijziging.

6.9.2

De vordering tegen AON zou toewijsbaar kunnen zijn als reeds bij het aanvragen van de verzekering sprake was van een goudsmederij in de kelder en dit voor AON kenbaar was. Als dat zo was had AON, beoordeeld naar de zojuist genoemde maatstaf, een verzekering moeten adviseren en zo mogelijk afsluiten die niet alleen de activiteiten als juwelier, maar ook die als goudsmederij omvatte. Dat geldt zowel wanneer [eiseres] AON uitdrukkelijk heeft gewezen op de goudsmederij-activiteiten als in het geval zij dat heeft nagelaten. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon zal immers, bij het tot standbrengen van een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige, dienen te onderzoeken welke bedrijfsactiviteiten exact worden ontplooid en verzekerd moeten/kunnen worden.

De bewijslast ter zake ligt bij [eiseres], die zich beroept op het tekortschieten van AON. Omdat het hier een voorwaardelijke vordering betreft zal de rechtbank op dit moment nog niet toelaten tot dit bewijs.

6.10

Uit proceseconomische overwegingen zal de rechtbank alvorens wordt overgegaan tot de getuigenverhoren een comparitie van partijen gelasten in deze zaak, tegelijk te houden met comparities in de andere betrokken zaken, dat wil zeggen de zaken met rolnummer 06-72, 06-2390 en 06-336.

Daarbij zal besproken worden wat de stand van zaken in de diverse civiele procedures en in de strafzaak is en gepoogd worden om met partijen afspraken te maken over de organisatie van en de aanwezigheid en de rol van een ieder bij de getuigenverhoren in het kader van de bewijslevering als bedoeld onder 6.4. Bij die gelegenheid dienen partijen voorts al het inmiddels beschikbaar gekomen bewijsmateriaal (in elk geval alle stukken uit het strafdossier die betrekking hebben op de oorzaak van de explosie en de situatie in (de kelder van) het pand) in het geding brengen, zodat dit kan worden besproken.

6.11

Op de overige geschilpunten zal zo nodig later worden teruggekomen.

8 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen

beveelt partijen, [eiseres] in persoon en AON en verzekeraars deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Hofmeijer-Rutten op vrijdag 16 november 2007 van 9.30uur-1230 uur teneinde als onder 6.10 voormeld;

bepaalt dat de onder 6.10 bedoelde bescheiden en andere stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden;

Voor wat betreft de vordering tegen verzekeraars voorts

draagt verzekeraars op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de explosie is ontstaan in het kader van de uitoefening van een goudsmederij (dat wil zeggen bedrijfsmatige werkzaamheden, die vaker voorkwamen en meer omvatten dan de beperkte en incidentele werkzaamheden die tot het juweliersbedrijf zijn te rekenen), in de kelder van het pand aan de [straat] te [gemeente];

bepaalt dat indien verzekeraars dit bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de procureur van verzekeraars tenminste twee weken voor de comparitie aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam- opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden november 2007 tot en met februari 2008 en dat de procureur van [eiseres] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren ter comparitie zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

Voor wat betreft de vordering tegen AON

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

106