Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB8753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
26-11-2007
Zaaknummer
BC 06/4224-FRC + BC 07/1393-FRC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een heffing wegens vergunningaanvraag uit hoofde van Wet financiële dienstverlening en een jaarlijkse heffing voor doorlopend toezicht uit hoofde van die wet. Het totaal aan heffingen overstijgt de jaaromzet van de dienstverlener. De AFM heeft geen beleidsvrijheid terzake deze heffingen.

Wetsverwijzingen
Wet financiële dienstverlening
Wet financiële dienstverlening 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2008, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: BC 06/4224-FRC

BC 07/1393-FRC

Uitspraak in de gedingen tussen

Vennootschap onder firma genaamd Adviesbureau BAS, te Den Haag, eiseres,

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster,

gemachtigde mr. G.J.P. Jong, advocaat in dienstbetrekking bij verweerster.

1 Ontstaan en loop van de procedures

Bij factuur van 8 augustus 2006 heeft verweerster eiseres het tarief van € 440,- in rekening gebracht voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële dienstverlening (hierna: Wfd) alsmede een bedrag van

€ 600,00 wegens het verrichten van daarmee samenhangende betrouwbaarheidtoetsing ten behoeve van de beide vennoten van eiseres. Op dit bedrag is € 100,- in mindering gebracht wegens het elektronisch aanleveren van de aanvraag.

Tegen deze factuur heeft eiseres bij brief van 14 augustus 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 oktober 2006 (hierna: besluit 1) heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 23 oktober 2006, aangevuld bij diverse brieven nadien, beroep ingesteld.

Bij factuur van 17 november 2006 heeft verweerster de jaarlijkse heffing voor doorlopend toezicht uit hoofde van de Wfd over het jaar 2006 vastgesteld op het basistarief van € 770,-.

Tegen deze factuur heeft eiseres bij brief gedateerd 24 september 2006 (bedoeld is 22 november 2006) bezwaar gemaakt.

Bij brief van 19 april 2007 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het door verweerster op 23 november 2006 ontvangen bezwaarschrift tegen de factuur van € 770,-.

Bij besluit van 20 april 2007 (hierna: besluit 2) heeft verweerster het bezwaar tegen de heffing van € 770,- alsnog ongegrond verklaard.

Verweersters gemachtigde heeft verzocht om gevoegde behandeling van beide beroepzaken en bij brief van 1 juni 2007 ten behoeve van beide zaken een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 11 juni 2007 gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 6 juli 2007. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [X], vennoot van eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. Zij heeft gelet hierop op 10 juli 2007 beslist het onderzoek te heropenen en heeft verweerster in dat verband verzocht twee vragen te beantwoorden.

Bij brief van 17 augustus 2007 heeft de gemachtigde van verweerster hieraan gevolg gegeven.

Nadien hebben partijen toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

2 Overwegingen

2.1 Grondslag van het geschil

Ingevolge artikel 98 van de Wfd kan de toezichthouder de kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van het toezicht op de naleving van deze wet volgens bij ministeriële regeling te stellen regels in rekening brengen bij financiële dienstverleners. Tot de kosten behoren tevens de kosten die hij heeft gemaakt ter voorbereiding van de uitvoering van deze wet.

Artikel 3 van de Regeling toezichtkosten Wet financiële dienstverlening (Stcrt. 2005, 250; hierna: de Regeling toezichtkosten) luidt:

“1. De toezichthouder kan eenmalig een bedrag in rekening brengen aan een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van de kosten van de behandeling van een aanvraag of verzoek om verlening, uitbreiding of wijziging van:

a. een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de wet;

b. een aanmelding van een verbonden bemiddelaar als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b, van de wet;

c. een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet;

d. een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet;

e. een ontheffing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet.

2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, kan worden vermeerderd met een bedrag ter vergoeding van de kosten van een toetsing van de deskundigheid of betrouwbaarheid van een beleidsbepaler of medebeleidsbepaler voor zover deze kosten niet reeds op basis van het eerste lid in rekening worden gebracht.

3. Indien een aanvraag om verlening van een vergunning op elektronische wijze wordt ingediend, kan de toezichthouder een korting toepassen op de bedragen, bedoeld in het eerste en het tweede lid.

4. Indien als wijze van betaling automatische incasso is overeengekomen, kan de toezichthouder een korting toepassen op de bedragen, bedoeld in het eerste en het tweede lid.”.

Artikel 6 van de Regeling toezichtkosten luidt:

“De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan een financiële dienstverlener ter vergoeding van kosten ter uitvoering van aan hem opgedragen taken of toegekende bevoegdheden, voor zover deze kosten niet reeds op grond van de artikelen 3 tot en met 5 in rekening worden gebracht.”.

Ingevolge artikel 10, onderdeel b, onder 7°, van de Regeling toezichtkosten, zoals met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 gewijzigd per 1 juli 2006 (Stcrt. 2006, 137), geldt als maatstaf voor het in rekening te brengen bedrag, bedoeld in artikel 6 voor adviseurs en bemiddelaars die vallen onder de overgangsregeling van artikel 102, vijfde lid, van de Wfd: het aantal werknemers en andere personen, die zich onder verantwoordelijkheid van de financiële dienstverlener direct of indirect bezighouden met financiële dienstverlening, waarbij het aantal deeltijdmedewerkers wordt omgerekend naar voltijd.

Ingevolge artikel 11 van de Regeling toezichtkosten stelt de Minister van Financiën (hierna: de Minister) jaarlijks voor 15 januari op voorstel van de toezichthouder de hoogte van de onderscheiden eenmalig in rekening te brengen bedragen, bedoeld in artikel 3 van de Regeling vast.

Ingevolge artikel 13 van de Regeling toezichtkosten stelt de Minister jaarlijks voor 1 juli, op voorstel van de toezichthouder, per categorie of subcategorie een tarief vast op basis van de maatstaf, bedoeld in artikel 10. De minister kan daarbij bandbreedtes bepalen, en per bandbreedte een tarief vaststellen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Regeling toezichtkosten bestaat de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 6, uit een jaarlijks voor 1 juli door de Minister, op voorstel van de toezichthouder, per categorie of subcategorie financiële dienstverleners vast te stellen minimumbedrag, vermeerderd met een bedrag dat wordt gebaseerd op de kosten die per categorie of subcategorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 7, onder aftrek van het totaal van de aan de desbetreffende categorie of subcategorie in rekening te brengen minimumbedragen.

Ingevolge artikel 17 van de Regeling toezichtkosten doet de minister onverwijld mededeling in de Staatscourant van de tarieven en bedragen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de op 6 januari 2006 vastgestelde en op 15 januari 2006 in werking getreden Vaststellingsregeling tarieven 2006 Regeling toezichtkosten Wet financiële dienstverlening (Stcrt. 2006, 10; hierna: Vaststellingsregeling tarieven 2006) wordt het bedrag voor de behandeling van een aanvraag of verzoek tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Wfd, indien de aanvrager niet een financiële dienstverlener is als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Regeling vastgesteld op € 440,- en wordt het bedrag ter vergoeding van de kosten van een toetsing van de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler of medebeleidsbepaler voor zover hier van belang vastgesteld op

€ 300,-.

Artikel 2, onderdeel n, van de op 20 juni 2006 en op 28 juni 2006 in werking getreden Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht Wet financiële dienstverlening (Stcrt. 2006, 122; hierna: Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht) voorziet in een minimumbedrag van € 770 voor adviseurs en bemiddelaars in een financieel product. De wijziging van dit artikel (Stcrt. 2006, 138) ziet niet op onderdeel n.

In artikel 3 van de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht in verbinding met de daarbij behorende Bijlage I is de verdeelsleutel bij de bandbreedte voor het gedeelte fte 0 t/m 1,0 op € 0,- gesteld.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Verweerster heeft in haar digitale nieuwsbrief Wfd van 3 januari 2006 de abonnees geïnformeerd over het overgangsregime in het kader van de Wfd en tarieven voor specifieke toezichtshandelingen in het kader van de Wfd. Verweerster heeft er daarbij op gewezen dat financieel dienstverleners die zich voor 31 januari 2006 aanmelden bij verweerster, vallen onder het overgangsregime en dat de kosten die zijn verbonden aan een Wfd-vergunningaanvraag voor 15 januari 2006 door de Minister worden vastgesteld.

Eiseres heeft op 11 januari 2006 op elektronische wijze een aanvraag bij verweerster ingediend voor een vergunning op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wfd. Dit formulier bestaat inclusief de toelichting uit 32 bladzijden. Eiseres heeft daar onder meer op aangegeven de namen van haar twee vennoten als de beleidsbepalers van de onderneming, het SER-nummer, de producten waarin zij bemiddelt, gegevens omtrent de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de wijze van bedrijfsvoering en haar deskundigheid.

Op bladzijde 24 van dit formulier heeft eiseres aangegeven dat zij nog niet voldoet aan de deskundigheid voor het product hypothecair krediet en dat voor 1 januari 2008 een diploma beleggen is te behalen. Bij de vraag wat eiseres voor 1 oktober 2007 gaat doen om alsnog aan die eisen te voldoen is ingevuld: ‘?? (afhankelijk van bijdrage aan AFM- onbegrijpelijk dat die nog niet bekend is)’.

Bij brief van 23 januari 2006 heeft verweerster [X] bericht dat hij het formulier genaamd ‘Betrouwbaarheidsonderzoek (mede)beleidsbepalers in de financiële sector’ heeft ingediend, dat dit het verkeerde formulier is en dat hij wordt verzocht alsnog het formulier genaamd ‘Betrouwbaarheidsonderzoek (mede)beleidsbepalers van vergunningaanvragers onder het overgangsregime van de Wet financiële dienstverlening (Wfd)’ in te vullen.

Eiseres heeft een op 25 januari 2006 gedagtekend formulier genaamd ‘Betrouwbaarheidsonderzoek (mede)beleidsbepalers van vergunningaanvragers onder het overgangsregime van de Wet financiële dienstverlening (Wfd)’ bij verweerster op elektronische wijze ingediend op 23 februari 2006.

Bij brief van 8 maart 2006 heeft verweerster het in haar brief van 23 januari 2006 gestelde herhaald met betrekking tot de medevennoot mevrouw [Y].

Eiseres heeft op 30 januari 2006 en 10 maart 2006 klachten ingediend betreffende de voorlichting door verweerster. De eerste klacht ziet op het verzoek aan eiseres een nieuw betrouwbaarheidsformulier in te vullen omdat het eerder ingevulde formulier niet zag op het overgangsregime van artikel 102 van de Wfd. Naar het oordeel van eiseres wordt zij ten gevolge van gebrekkige informatievoorziening door verweerster met onnodig veel werk opgezadeld. De tweede klacht ziet op de aanmaning van verweerster tot het alsnog toezenden van dit formulier nadat eiseres gevolg had gegeven aan het eerste verzoek.

Bij brief van 7 april 2006 heeft verweerster voorgesteld beide klachten gezamenlijk af te wikkelen.

Bij brief van 17 mei 2006 heeft verweerster de klacht ongegrond verklaard. Overwogen is dat verweerster gelet op artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Wfd bevoegd is de nodige aanvraagformulieren voor te schrijven. Voorts is overwogen dat weliswaar op bladzijde 28 van het aanvraagformulier is verwezen naar het formulier ‘Betrouwbaarheidsonderzoek (mede)beleidsbepalers in de financiële sector’, maar dat uit de website van verweerster en het formulier ‘Betrouwbaarheidsonderzoek (mede)beleidsbepalers van vergunningaanvragers onder het overgangsregime van de Wet financiële dienstverlening (Wfd)’ zelf duidelijk volgt dat dit laatstgenoemde formulier ingevuld diende te worden. Ten slotte is overwogen dat beide formulieren niet identiek zijn, zodat verweerster op gerechtvaardigde gronden het gebruik van verschillende formulieren heeft kunnen voorschrijven.

Eiser heeft nadien aangegeven dat zijn laatste klacht van 10 maart 2006 niet is afgehandeld.

Eiseres heeft nadien tegen beide in rubriek 1.1 van deze uitspraak genoemde facturen bezwaar gemaakt, in welk verband op 21 september 2006 een hoorzitting heeft plaatsgehad. Vervolgens is tegen besluit 1 beroep ingesteld en is tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar inzake de laatste factuur beroep ingesteld, waarna verweerster besluit 2 heeft genomen.

Op een rekenafschrift afkomstig van Nationale Nederlanden is vermeld dat aan eiseres op 1 december 2006 prolongatieprovisie ter hoogte van € 574,35 is voldaan voor het jaar 2006. Blijkens een rekeningafschrift van december 2005 heeft eiseres in 2005 van Nationale Nederlanden € 739,51 aan prolongatieprovisie ontvangen.

2.2 Standpunt van verweerster

Bij besluit 1 heeft verweerster overwogen dat eiseres ten tijde van haar vergunningaanvraag reeds had kunnen weten welke kosten er naar verwachting aan de vergunningaanvraag verbonden zouden zijn en dat zij voorts had kunnen wachten met haar aanvraag tot na 15 januari 2006, de datum waarop de kosten uiterlijk bekend zouden worden gemaakt.

De klachten omtrent de voorlichting van de zijde van verweerster met betrekking tot het in te vullen formulier ‘Betrouwbaarheidsonderzoek (mede)beleidsbepalers van vergunningaanvragers onder het overgangsregime van de Wet financiële dienstverlening (Wfd)’ zijn afgedaan. Verworpen wordt de stelling dat verweerster, gelet op de moeite die eiseres zich heeft moeten getroosten om dit formulier alsnog in te vullen, de bij eiseres in rekening gebrachte toezichtkosten behoort te matigen. De hoogte van de bedragen volgt immers rechtstreeks uit de Regeling toezichtkosten en de Vaststellingsregeling tarieven 2006, zodat verweerster ter zake geen discretionaire ruimte toekomt.

Bij besluit 2 heeft verweerster overwogen dat de grief van eiseres dat zij niet ruimschoots van te voren op de hoogte is gesteld van de kosten die zijn verbonden aan het doorlopende toezicht, faalt. De Regeling toezichtkosten waaruit volgt dat er over 2006 een heffing zal plaatshebben ter zake de kosten die zijn verbonden aan het doorlopend toezicht, is reeds in december 2005 in de Staatscourant gepubliceerd. In die regeling is voorts neergelegd dat de betreffende kosten uiterlijk op 30 juni 2006 bekend zouden worden gemaakt, hetgeen op 20 juni 2006 is gebeurd. De Regeling toezichtkosten en de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht kennen een imperatieve formulering inzake de jaarlijks op te leggen heffing, zodat een discretionaire ruimte tot verlaging van de heffing ontbreekt. Ten slotte kan naar het oordeel van verweerster niet worden gesteld dat de heffingssystematiek zelf in strijd komt met de redelijkheid.

In het verweerschrift is onder meer gesteld dat verweerster aan de hand van het door eiseres overgelegde overzicht van Nationale Nederlanden niet kan beoordelen of de heffingen inderdaad drie maal de bruto jaaromzet van eiseres overtreffen. Het verweerschrift strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de factuur van 17 november 2006 en tot ongegrondverklaring van het beroep tegen besluiten 1 en 2.

2.3 Standpunt van eiseres

Eiseres heeft bij diverse aanvullende beroepschriften haar standpunten naar voren gebracht. De bezwaren tegen besluit 1 en 2 komen neer op het volgende:

- de wijze waarop verweerster invulling heeft gegeven aan het horen in bezwaar voldoet niet aan artikel 7:2 van de Awb. Er is namelijk geen sprake geweest van een uitwisseling van informatie en wederzijdse standpunten waardoor het vertrouwen van de burger in de overheid kan worden versterkt, gezocht kan worden naar oplossingen of nadere informatie kan worden verkregen;

- bij de besluitvorming is in strijd met artikel 7:12 van de Awb ten onrechte niet ingegaan op de vraag een volledig inzicht te geven van de bijdragen aan verweerster, op het verzoek terug te mogen komen op de inschrijving, op het verzoek om vermindering in verband met het laten invullen van een verkeerd formulier en op het beroep op een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

- verweerster heeft tevoren onvoldoende voorlichting verstrekt over de kosten die samenhangen met de aanvraag van een Wfd-vergunning, de daarmee samenhangende betrouwbaarheidstoetsing en de kosten van voortdurend toezicht. Indien eiseres wel (ruimschoots) voor invoering van de Wfd op de hoogte was geweest van die kosten had zij - mede gelet op de zeer geringe prolongatieprovisie die zij bij Nationale Nederlanden ontvangt - een verantwoorde keus kunnen maken of zij een aanvraag als bedoeld in artikel 102 van de Wfd zou doen;

- de hoogte van de heffingen is in het geval van eiseres volstrekt onredelijk. De heffingen zijn namelijk drie keer zo hoog als de bruto jaaromzet over 2006.

Eiseres vordert in beroep een hele dan wel gedeeltelijke herroeping van de facturen en verzoekt de rechtbank voorts verweerster te gelasten binnen redelijke termijn alsnog een financiële bijsluiter te produceren waarin een limitatieve opsomming van alle kosten die van belang zijn bij een aansluiting bij verweerster vermeld staat.

2.4 Nader standpunt verweerster

Na daartoe door de rechtbank te zijn uitgenodigd, heeft verweerster bij brief van 17 augustus 2007 uiteengezet dat zij van oordeel is dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling toezichtkosten haar geen beleidsvrijheid geeft. Volgens verweerster zou de gevoltrekking dat die bepaling wel discretionair van aard is, strijdig zijn met het aan de regeling ten grondslag liggende stelsel voor de financiering van het toezicht op de financiële markten. Op basis van het uitgangspunt van dit stelsel dienen ook financiële dienstverleners de kosten van de behandeling van hun vergunningaanvraag en de betrouwbaarheidstoetsing volledig te betalen. De toelichting bij de Regeling toezichtkosten biedt ook geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat de Minister voor wat betreft de zogenaamde toelatingskosten onder de Wfd het oog heeft gehad op een afwijking van dit bestaande stelsel. De Regeling toezichtkosten is echter niet consistent geredigeerd. Naar het oordeel van verweerster is artikel 3, eerste lid, van de Regeling toezichtkosten abusievelijk als een ‘kan’-bepaling geredigeerd. Die bepaling dient aldus te worden gelezen als een gebonden bevoegdheid.

Verweerster wijst er voorts op dat naar vaste jurisprudentie van de rechtbank - in dit verband wordt gewezen op de uitspraken van 21 mei 2003 (LJN: AH8591) en 1 februari 2007 (RF 2007/38 ) - uit het feit dat de wet in formele zin de Minister de discretionaire bevoegdheid verleent om regels te stellen op grond waarvan kosten die voor de uitoefening van taken en bevoegdheden door de toezichthouder worden gemaakt in rekening worden gebracht niet volgt dat, indien door de Minister dwingende regels ter zake zijn gesteld, de toezichthouder vervolgens de bevoegdheid heeft om af te wijken van de vastgestelde heffingen en heffingsbedragen. Een soortgelijk systeem volgt uit artikel 98 van de Wfd, de Regeling toezichtkosten en de Vaststellingsregeling tarieven 2006.

In voornoemde brief heeft verweerster subsidiair de stelling ingenomen dat indien wel sprake is van beleidsvrijheid, zij daarvan gebruik zou hebben gemaakt. In dit verband heeft zij aangevoerd dat zij gerechtigd was de betreffende kosten in rekening te brengen en dat de enkele verwijzing naar een onjuist formulier inzake de betrouwbaarheidstoetsing het ten volle in rekening brengen van de toezichtkosten niet onredelijk maakt. Naar het oordeel van verweerster zou zij juist in strijd met het verbod van willekeur handelen indien zij eiseres in afwijking van andere financiële dienstverleners vrij zou stellen van heffing.

2.5 Beoordeling

De rechtbank stelt bij de beoordeling van beide beroepszaken het volgende voorop.

Bij Koninklijk Besluit van 11 december 2006 (Stb. 2006, 664) is met ingang van 1 januari 2007 in werking getreden Wet op het financieel toezicht en de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht. Met de laatste wet is de Wfd per diezelfde datum ingetrokken. De invoering van deze wetten heeft, bij gebreke van overgangsrecht met betrekking tot artikel 98 van de Wfd en de daarop gebaseerde Regeling, geen gevolgen voor de onderhavige gedingen die zien op heffingen over het jaar 2006.

Met het hangende het beroep genomen besluit 2 heeft verweerder alsnog op het bezwaar tegen de factuur van 17 november 2006 beslist, resulterend in een handhaving van die factuur. Besluit 2 is derhalve een besluit als bedoeld in artikel 6:20 van de Awb.

Nu eiseres niet heeft gesteld tengevolge van het enkele niet tijdig beslissen schade te hebben geleden, heeft zij geen belang meer bij een gegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:20, zesde lid, van de Awb. Een dergelijk procesbelang kan immers niet zijn gelegen in de vergoeding van griffierecht en in de veroordeling van proceskosten in beroep, omdat ook toepassing kan worden gegeven aan de artikelen 8:74 en 8:75 van de Awb zonder dat het beroep gegrond wordt verklaard.

Besluit 2 komt niet tegemoet aan de bezwaren van eiseres, zodat het beroep ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb mede is gericht tegen dit besluit.

Met betrekking tot het beroep tegen besluiten 1 en 2 oordeelt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de Regeling toezichtkosten is vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 januari 2006. Voorts zijn de Vaststellingsregeling tarieven 2006 en de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht, gelet op de artikelen 11, 13, 14 en 17 van de Regeling toezichtkosten, tijdig vastgesteld en op juiste wijze bekendgemaakt.

Naar de rechtbank eerder heeft overwogen kan de Minister, indien een wet in formele zin hem de mogelijkheid biedt, kosten die zijn gemoeid met toezicht uit hoofde van een financiële toezichtswet krachtens door hem te stellen regels, in rekening brengen bij de ondertoezichtgestelden zonder die wettelijke grondslag te verlaten regels stellen. Die kosten worden zowel in rekening gebracht aan ondertoezichtgestelden tot wie zich een specifieke toezichtshandeling richt - zoals de beoordeling van een vergunningaanvraag - als bij de ondertoezichtgestelden die niet een rechtstreekse relatie hebben met een op de onder toezichtgestelde gericht concrete toezichtshandeling. De rechtbank wijst in dit verband op haar uitspraken van 21 mei 2003 (LJN: AH8591) en 18 juli 2005 (LJN: AT9578; JOR 2005/217).

Voorts heeft de rechtbank eerder overwogen dat de Minister zonder in strijd te komen met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende verbod van willekeur kan kiezen voor verschillende heffingsgrondslagen, zoals een vast tarief of een variabel tarief. Dit is afhankelijk van de hoogte van de inkomsten, van het aantal transacties of van het aantal cliënten van de onder toezicht staande onderneming in een bepaalde periode of op een bepaalde peildatum. Een combinatie tussen een vast en een variabel tarief is eveneens mogelijk. Naast de zojuist genoemde uitspraken wijst de rechtbank op haar uitspraken van 25 april 2005, LJN: AT4996; JOR 2005/153) en 5 februari 2007 (LJN: BA1000).

In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De tekst van artikel 3 van de Regeling toezichtkosten sluit niet uit dat verweerster afziet van het in rekening brengen van kosten gemoeid met de beoordeling van een vergunningaanvraag of een betrouwbaarheidstoetsing. Naar het oordeel van de rechtbank kan daar echter geen echte beleidsvrijheid van de toezichthouder uit worden afgeleid om volledig af te zien van een dergelijk kostenverhaal. De strekking van de Regeling toezichtkosten is immers dat de toezichthouder in alle gevallen de aan specifieke diensten te relateren kosten verhaalt op de ondertoezichtgestelden en voorts een jaarlijkse heffing oplegt die niet is gerelateerd aan individualiseerbare toezichtsactiviteiten. Deze heffingsystematiek zou worden doorkruist indien verweerster in voorkomende gevallen telkens zal kunnen en moeten bezien of zij gebruik maakt van de bevoegdheid bepaalde kosten in rekening te brengen of niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn daarnaast de tarieven in de Vaststellingsregeling tarieven 2006 en de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht niet onredelijk hoog.

Slechts indien sprake is van een zeer uitzonderlijk geval kan het onverkort toepassing geven aan de Regeling toezichtkosten, de Vaststellingsregeling tarieven 2006 en de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht niet langer een rechtsplicht zijn. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken.

Indien niettemin artikel 3, eerste lid, van de Regeling toezichtkosten naar de letter zou moeten worden opgevat, acht de rechtbank het evenmin onredelijk dat verweerster behoudens uitzonderingsgevallen niet afziet van het in rekening brengen van kosten gemoeid met de beoordeling van een vergunningaanvraag of een betrouwbaarheidstoetsing.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de elektronische vergunningaanvraag van eiseres van 11 januari 2006 niet op voorhand door verweerster moest worden beschouwd als een kennelijke vergissing. Uit de omvang van het ingevulde formulier, het vermelden van diverse producten waarin wordt bemiddeld, alsmede de vermelding van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, mocht verweerster afleiden dat eiseres daadwerkelijk in aanmerking wilde komen voor een Wfd-vergunning en gebruik wenste te maken van de overgangsregeling. De enkele opmerking (op bladzijde 24 van dit formulier) dat de voornemens tot het aanvullen van de benodigde deskundigheid ter zake een tweetal producten door eiseres afhankelijk zou worden gesteld van de hoogte van de heffingen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In dit verband overweegt de rechtbank verder dat eiseres in februari 2006 nog op verzoek van verweerster het ‘Betrouwbaarheidsonderzoek (mede)beleidsbepalers van vergunningaanvragers onder het overgangsregime van de Wet financiële dienstverlening (Wfd)’ heeft ingezonden, terwijl zij voordien reeds kennis heeft kunnen nemen van de opgenomen bedragen in de Vaststellingsregeling tarieven 2006.

Dat op dat tijdstip de heffing voor het doorlopend toezicht nog niet bekend was gemaakt, kan er niet aan afdoen dat eiseres ten tijde van haar aanvraag wel redelijkerwijs ervan op de hoogte had kunnen zijn dat naast de in de Vaststellingsregeling tarieven 2006 neergelegde eenmalig verschuldigde bedragen een jaarlijkse heffing zou plaatshebben.

Het uitsluitend generen van inkomsten op basis van de door Nationale Nederlanden verleende prolongatieprovisie (hetgeen door eiseres weliswaar is gesuggereerd, maar niet onderbouwd) kan het totaal aan heffingen uit hoofde van de Wfd inderdaad in disproportie brengen tot de inkomsten van eiseres. Het had in dat geval echter op de weg van eiseres gelegen om zelf een afweging te maken, of zij gelet op die toezichtkosten wel onder het overgangsregime van de Wfd haar activiteiten had willen voortzetten. Eiseres had naar het oordeel van de rechtbank, ten tijde van het indienen van haar aanvraag, redelijkerwijs kunnen weten dat de toezichtkosten meer zouden bedragen dan voornoemde prolongatieprovisie.

Dat eiseres eerst na ontvangst van de facturen tot het inzicht is gekomen dat zij de heffingen te hoog vindt in verhouding tot de inkomsten die zij genereert, maakt niet dat verweerster gehouden is de inschrijving van eiseres met terugwerkende kracht ongedaan te maken onder herroeping van die facturen. Evenmin kan het enkele feit dat eiseres andermaal een formulier ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing heeft moeten invullen, leiden tot het oordeel dat verweerster in redelijkheid niet meer heffingen had mogen opleggen conform de door de Minster vastgestelde regels.

Ten slotte falen de grieven die zien op de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb. Juist gelet op het ontbreken van beoordelingsruimte en - zo die al bestaat - de beperkte beleidsvrijheid inzake de tenuitvoerlegging van de bij en krachtens artikel 98 van de Wfd gestelde regels, rust op verweerster niet onverkort de rechtsplicht op de hoorzitting een discussie met de vennoten van eiseres aan te gaan zoals eiseres die kennelijk voorstaat en rust op verweerster evenmin de plicht besluit 1 en 2 diepgaander te motiveren dan zij heeft gedaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. Wel ziet de rechtbank aanleiding verweerster te gelasten het door eiseres betaalde griffierecht met betrekking tot het ingediende beroep in de zaak BC 07/1393-FRC wegens niet tijdig beslissen te vergoeden.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de factuur van 17 november 2006 niet-ontvankelijk,

verklaart de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond,

bepaalt dat verweerster aan eiser in de zaak BC 07/1393-FRC het betaalde griffierecht van € 285,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.F.C. Francken, voorzitter en mr. R. Kruisdijk en mr. M. Jurgens, leden, en ondertekend door de voorzitter en mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.