Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB8198

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
19-11-2007
Zaaknummer
225845 / HA ZA 04-2851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg erfdienstbaarheid. Descente noodzakelijk. Partijen dienen zich echter eerst uit te laten over mediation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 225845 / HA ZA 04-2851

Uitspraak: 17 oktober 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[X],

handelend onder de naam [X],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. P.H.C.M. van Swaaij,

advocaat mr. J.J. Paalman te Almelo,

- tegen -

[Y],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.S. van Dijk,

advocaat mr. W.A. de Vroom te ‘s Hertogenbosch.

Partijen worden hierna (ook in reconventie) aangeduid als “eiser” respectievelijk “gedaagde”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 6 oktober 2004 en de door eiser overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 9 februari 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 1 april 2005;

- conclusie van repliek en akte vermindering van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis in reconventie, tevens verzoekakte, met producties;

- conclusie van dupliek in reconventie.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 In 1988 heeft gedaagde aan eiser verkocht een perceel grond met de daarop gestichte loods aan de [straatnaam] te [gemeente], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie […]. nummer 2922. In de betreffende transportakte d.d. 13 april 1988 is de volgende erfdienstbaarheid opgenomen:

“Erfdienstbaarheid.

De comparanten verklaarden, dat de zuidwest grens van het van kadasternummer 2922 verkochte gedeelte loopt door het midden van het aldaar gelegen betonnen pad. Zij verklaarden hierbij over en weer ten behoeve van het verkochte gedeelte van het kadasternummer 2922 en het aan verkoper verblijvende gedeelte van dit kadasternummer alsmede ten behoeve van het aan verkoper verblijvende gedeelte van kadasternummer 2923 te vestigen als erfdienstbaarheid het recht van uitweg, over bedoeld betonnen pad, om te komen van en te gaan naar de [straatnaam] te [gemeente].

Bedoeld recht van uitweg ten behoeve van het verkochte gedeelte van nummer 2922 strekt zich ook uit tot aan de achterzijde van de loods, zodat ook vanuit deze achterzijde van de loods kan worden gegaan naar de [straatnaam] en omgekeerd.”

2.2 Het perceel van gedaagde (kadasternummer 2923) grenst aan het perceel van eiser (kadasternummer 2922), die een glastuinbouwbedrijf exploiteert. Het hiervoor vermeld betonnen pad loopt tussen voormelde loods en de bedrijfsgebouwen van gedaagde.

2.3 In 2003 heeft gedaagde een bestaande kas gesloopt en een nieuwe grotere kas gebouwd, waardoor het betonnen pad is verkleind.

2.4 De infrastructurele voorzieningen van zowel de bedrijfsgebouwen van gedaagde als de loods van eiser werden binnengeleid via de loods. Toen eiser de loods in 1988 van gedaagde kocht, spraken partijen af dat deze situatie zou blijven bestaan. De installatie bleef op naam van gedaagde staan, die ook alle energienota’s betaalde en deze vervolgens met eiser verrekende. In 2003 heeft gedaagde de voorzieningen laten afsluiten.

3 De vordering in conventie

De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde te gebieden het in de overeenkomst/akte tussen eiser en gedaagde d.d. 13 april 1988 onder het kopje “erfdienstbaarheid” bedoelde betonnen pad in oude staat en breedte te herstellen, daartoe voor zover nodig het door en/of onder zijn verantwoordelijkheid gebouwde te verwijderen, alles op zodanige wijze dat eiser, zijn gezinsleden en zijn bezoekers als voorheen kunnen uitwegen als bedoeld in genoemde overeenkomst/akte, alsmede gedaagde te gebieden dit uitwegen toe te (blijven) staan en dit gebruik op geen enkele wijze te (doen) (ver)hinderen of te (doen) belemmeren, op straffe van een dwangsom;

2. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen de door eiser geleden schade als bedoeld onder 43 en 45 van het lichaam van de dagvaarding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. gedaagde in de kosten van deze procedure te veroordelen.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft eiser aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Gedaagde maakt sinds de bouw van de nieuwe kas inbreuk op de erfdienstbaarheid.

De breedte van het betonnen pad vermeld in de erfdienstbaarheid was over de gehele lengte ongeveer 6 meter. Aan de achterzijde van de loods was het pad ongeveer 10 meter breed. Door zijn breedte bood het pad aan beide partijen de mogelijkheid om met personen-, bestel- en vrachtauto’s en aanhangwagens, alsmede met een caravan, tussen de wederzijds bedrijfsgebouwen naar achteren te rijden. Het pad werd aldus door partijen gebruikt.

Gedaagde heeft het pad over ongeveer de halve lengte (ongeveer 24 meter) met 2½ meter laten versmallen en benutte de aldus vrijgekomen ruimte voor het realiseren van de tuinbouwkas. Verder heeft gedaagde het pad aan de achterzijde van de loods van eiser laten verkleinen (versmallen).

3.2 Door inbreuk te maken op het recht van erfdienstbaarheid van eiser handelt gedaagde onrechtmatig. Eiser lijdt hierdoor schade. Eiser kan de achterzijde van de loods niet meer als voorheen bereiken met vracht- en bestelwagens en moet zich nu bedienen van tijdrovende en kostenverhogende maatregelen als het gebruik van steekwagentjes of heftrucks om goederen achter te kunnen brengen. Evenmin biedt het pad in de huidige toestand nog de mogelijkheid om te draaien. Voorts kan eiser de achterzijde van de loods niet meer bereiken met zijn caravan.

3.3 Zonder toestemming van eiser heeft gedaagde tot 1 april 2005 vele goederen en rommel opgeslagen op de strook grond die eigendom is van eiser, gelegen aan de andere zijde van de loods dan waar het meergenoemde betonnen pad is gelegen. Hierdoor handelde gedaagde eveneens onrechtmatig, waardoor eiser financiële schade heeft geleden.

3.4 Tijdens de sloop van de oude dan wel de bouw van de nieuwe kas heeft gedaagde de caravan van eiser laten wegslepen, waardoor aanzienlijke schade is ontstaan. De kosten van de reparatie bedragen € 3.879,40.

3.5 Door de versmalling van het pad en door de aanwezigheid van de eerder genoemde goederen/rommel aan de andere zijde van de loods heeft eiser zijn caravan niet in het bedrijfsgebouw en ook niet aan de genoemde andere zijde van het bedrijfsgebouw kunnen stallen. Ook hierdoor heeft hij schade geleden, zijnde de huur van een vervangende stallingsplaats ad € 301,50.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiser in de kosten van het geding.

Gedaagde heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Het betonnen pad is 3 meter en 85 centimeter breed. De erfgrens van de loods van eiser bevindt zich 1,5 meter zijwaarts uit de loods van eiser. In de akte staat dat deze erfgrens zich op de helft van het aanwezige betonpad bevindt, zodat er sprake is van een totale erfdienstbaarheid voor beide partijen van 3 meter gemeten vanaf de zuidwestelijke muur van de loods van eiser. Er is derhalve nimmer sprake geweest van enige aantasting of hinder in het gebruik van de erfdienstbaarheid van eiser.

De breedte van het pad aan de achterzijde van de loods bedraagt totaal 7,75 meter, terwijl hiervan maar 2,00 meter tot het grondgebied van eiser behoort. Voormelde breedte van het pad is meer dan voldoende om van het recht van uitweg gebruik te maken, hetgeen zeer zeker geldt voor het bereiken van de achterzijde van de loods met een caravan.

4.2 Gedaagde heeft de caravan van eiser 1 keer verplaatst. Hierbij is geen schade aan de caravan ontstaan.

4.3 Nadat eiser het stuk grond van gedaagde dat hij onrechtmatig in gebruik had, had ontruimd, heeft gedaagde terstond de strook grond achter de schuur vrijgemaakt.

5 De vordering in reconventie

De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad eiser te veroordelen:

1. om aan gedaagde te voldoen de door gedaagde geleden schade door de eenzijdige afsluiting door eiser van infrastructurele voorzieningen voor de levering van energie en water, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. om te voldoen de door gedaagde geleden schade vanwege het instellen van een onterechte en onhaalbare vordering, bestaande uit 80% van de gemaakte kosten van deze procedure, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. om geen gebruik meer te maken c.q. zich niet meer te begeven op het terrein van gedaagde op straffe van een dwangsom;

4. te voldoen de door gedaagde geleden schade vanwege het opzettelijk vernielen van eigendommen van gedaagden ten bedrag van € 503,43 excl. BTW, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 augustus 2005;

5. in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft gedaagde naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

5.1 Tijdens de bouwactiviteiten ten behoeve van de nieuw kas, hiervoor vermeld onder 2.3, sloot eiser herhaaldelijk de elektra af zonder enige waarschuwing. Omdat veel bouwactiviteiten zeer afhankelijk zijn van elektriciteit heeft gedaagde zelf infrastructurele voorzieningen ter zake water en elektriciteit moeten treffen om niet van de grillen van eiser afhankelijk te hoeven zijn.

5.2 Door langdurige en onterechte procedures met betrekking tot de in de dagvaarding onder 1. vermelde vordering, welke eiser bij conclusie van repliek in conventie heeft ingetrokken, heeft eiser gedaagde zonder rechtsgrond op hoge kosten gejaagd. Hierdoor heeft gedaagde in ieder geval schade geleden ten bedrag van een nader te begroten bedrag aan eigen uren, procureurskosten en griffierechten. Deze schade dient begroot te worden op 80% van de totale kosten van onderhavige procedure.

5.3 Eiser deponeert nog steeds troep op het terrein dat eigendom is van gedaagde. Gedaagde wenst om die reden dat eiser bevolen wordt het terrein van gedaagde niet meer te gebruiken voor zijn eigen doel.

5.4 Medio juni 2005 heeft eiser een houten kist met tuinbouwglas van gedaagde vanaf grote hoogte kapot laten vallen. Hierdoor heeft gedaagde schade geleden, welke wordt begroot op € 328,43 excl. BTW voor het pakket glas en € 175,- excl. BTW voor de opruim- en afvoerkosten.

6 Het verweer in reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van gedaagde in de kosten van het geding.

Naast hetgeen eiser in conventie heeft betoogd, heeft hij daartoe het volgende aangevoerd:

6.1 Betwist wordt dat eiser herhaaldelijk de elektriciteit heeft afgesloten. Gedaagde heeft zelf de opdracht voor het afsluiten van de nutsvoorzieningen gegeven.

Bovendien is eiser nooit door gedaagde in gebreke gesteld of in verzuim geweest.

Voorts hadden de nieuwbouwkassen nooit op de bestaande aansluiting kunnen worden aangesloten. Dit was ook niet de intentie van gedaagde.

6.2 De in de dagvaarding onder 1. ingestelde vordering was niet onhaalbaar. Van misbruik van procesrecht is geen sprake.

6.3 Eiser betwist het terrein van gedaagde nog te gebruiken voor het deponeren van rommel. De onder 3. vermelde vordering is te ruim geformuleerd. Toewijzing van deze vordering zou betekenen dat eiser de uitoefening van de erfdienstbaarheid wordt ontzegd.

6.4 Eiser betwist glas kapot te hebben gemaakt.

7 De beoordeling

In conventie

7.1 Partijen twisten over de vraag of gedaagde sinds de bouw van de nieuwe kas inbreuk maakt op de erfdienstbaarheid als hiervoor vermeld onder 2.1. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Vast staat dat het betonnen pad vermeld in de erfdienstbaarheid door de bouw van de nieuwe kas over ongeveer de halve lengte (ongeveer 24 meter) is versmald. Voorts staat vast dat het betonnen pad ook aan de achterzijde van de loods sinds de bouw van de nieuwe kas is verkleind. Het is mitsdien de vraag of het betonnen pad nog voldoende ruimte biedt aan eiser om te functioneren als uitweg als bedoeld in de erfdienstbaarheid.

Bij de uitleg van deze erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen. In beginsel dient er een uitleg naar objectieve maatstaven plaats te vinden, doch nu eiser en gedaagde partij bij de vestiging van de erfdienstbaarheid waren, dient er ook rekening te worden gehouden met de subjectieve partijbedoelingen.

De rechtbank acht een descente als bedoeld in artikel 201 Rv noodzakelijk teneinde te kunnen bepalen of het huidige betonnen pad nog een uitweg biedt als in de akte bedoeld.

Hierbij acht de rechtbank onder andere de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- op welke wijze het recht van uitweg vanaf 1988 werd uitgeoefend;

- op welke wijze het betonnen pad in de jaren voorafgaand aan 1988 door eiser werd gebruikt;

- op welke wijze eiser het recht van uitweg in de toekomst dient te gebruiken;

- hoe het kan dat in de transportakte van 13 april 1998 is bepaald dat de zuidwest grens van het aan eiser verkochte perceel door het midden van het betonnen pad loopt, terwijl – naar gedaagde onbetwist heeft gesteld – de huidige erfgrens van het perceel van eiser zich 1,5 meter zijwaarts uit de loods bevindt;

- in hoeverre het voor eiser mogelijk is om over het thans bestaande pad zijn caravan in de loods te stallen.

Tijdens de descente zullen voormelde punten aan de orde worden gesteld teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich hieromtrent uit te laten.

7.2 Alvorens over te gaan tot het gelasten van een descente overweegt de rechtbank echter het volgende. Gelet op de aard van het conflict en de positie van partijen ten opzichte van elkaar, acht de rechtbank de procedure vooralsnog geschikt voor doorverwijzing naar een mediator. De rechtbank zal de zaak daarom eerst naar de rol verwijzen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich hieromtrent bij akte uit te laten. Indien partijen doorverwijzing naar een mediator willen, zal een mediationtraject worden ingezet. Indien partijen geen doorverwijzing naar een mediator willen, zal een descente worden gelast.

7.3. Wat betreft de door eiser gevorderde schade op te maken bij staat, overweegt de rechtbank nu reeds het volgende. Deze vordering ziet op verschillende schadeveroorzakende gedragingen van gedaagde.

7.3.1 Ten eerste ziet de vordering op schade als gevolg van de inbreuk op de erfdienstbaarheid (zie hiervoor 3.2 en 3.5). De rechtbank is van oordeel dat deze schade inmiddels grotendeels zo niet geheel begroot moet kunnen worden. Eiser wordt verzocht bij voormelde akte een dergelijke begroting over te leggen, zodat deze tijdens het mediationtraject dan wel de descente aan de orde kan worden gesteld.

7.3.2 Ten tweede ziet de vordering op schade doordat gedaagde tot 1 april 2005 vele goederen en rommel heeft opgeslagen op de strook grond die eigendom is van eiser. Eiser heeft echter niet aangegeven op welke wijze hij hierdoor schade heeft geleden, anders dan de schade die hij lijdt doordat hij zijn caravan niet op die plek kon stallen, welke schade reeds hiervoor onder 7.3.1 is vermeld. Eiser heeft derhalve onvoldoende gesteld om tot toewijzing van dit onderdeel van de vordering te komen.

7.3.3 Ten derde ziet de vordering op schade aan de caravan. Bij dagvaarding heeft eiser hieromtrent gesteld dat gedaagde tijdens de bouw van de nieuwe kas de caravan heeft laten wegslepen, waardoor aanzienlijke schade is ontstaan. Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde erkend dat hij de caravan van eiser heeft verplaatst, doch ontkend dat hierbij schade aan de caravan is ontstaan. Het had vervolgens op de weg van eiser gelegen om concreet aan te geven welke schade aan de caravan is ontstaan en door welke concrete gedragingen deze is veroorzaakt. In zijn conclusie van repliek in conventie stelt eiser echter slechts dat het hoogst aannemelijk is dat gedaagde of door hem ingeschakelde (hulp)personen zich hebben “vergaloppeerd” en daardoor de schade aan de caravan hebben toegebracht. De rechtbank acht deze stelling onvoldoende concreet, zodat deze wordt gepasseerd. Eiser heeft mitsdien ook onvoldoende gesteld om tot toewijzing van dit onderdeel van de vordering te komen.

In reconventie

7.4 Wat betreft de vordering hiervoor onder 1. vermeld overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank begrijpt de vordering en de stellingen van gedaagde aldus dat hij schade vordert die hij stelt te hebben geleden door het onrechtmatig handelen van eiser, bestaande uit het herhaaldelijk afsluiten van de elektriciteit, waardoor gedaagde gedwongen was eigen infrastructurele voorzieningen voor de levering van energie en water te treffen. Eiser heeft in zijn conclusie van dupliek in reconventie onder meer gesteld dat de nieuwbouwkassen nooit op de bestaande aansluiting hadden kunnen worden aangesloten en dat dit ook niet de intentie van gedaagde was. Gedaagde heeft op deze stelling nog niet kunnen reageren. De rechtbank stelt hem in de gelegenheid dit in de hiervoor onder 7.2 vermelde akte alsnog te doen. Voorts komt het de rechtbank voor dat gedaagde de hier bedoelde schade inmiddels geheel kan begroten. Hij wordt verzocht een dergelijke begroting bij voormelde akte over te leggen.

Dit onderdeel van de vordering kan dan tijdens het mediationtraject dan wel de descente verder met partijen besproken worden.

7.5 Elke beslissing ten aanzien van de hiervoor onder 2. vermelde vordering zal worden aangehouden totdat de rechtbank een beslissing ten aanzien van de proceskosten-veroordeling zal nemen.

7.6 Ook de stelling van gedaagde dat eiser nog steeds troep op het terrein dat eigendom is van gedaagde deponeert, hetgeen door eiser wordt betwist, zal tijdens het mediationtraject dan wel de descente aan de orde (kunnen) komen. De rechtbank merkt echter ten aanzien van de hiervoor onder 3. vermelde vordering thans reeds op dat deze, gezien de bestaande erfdienstbaarheid, niet voor integrale toewijzing in aanmerking komt.

7.7 Wat betreft de vordering hiervoor onder 4. vermeld overweegt de rechtbank het volgende. Tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, rust in beginsel op gedaagde de bewijslast van zijn stelling dat eiser medio juni 2005 een houten kist met tuinbouwglas van gedaagde kapot heeft laten vallen. Gedaagde zal in de gelegenheid worden gesteld om in de hiervoor onder 7.2 vermelde akte een specifiek bewijsaanbod op dit punt te doen.

In conventie en in reconventie

7.8 Indien te zijner tijd een descente noodzakelijk mocht blijken te zijn, doordat partijen niet kiezen voor een mediationtraject, zal de descente mede worden gebruikt om te trachten een algehele minnelijke schikking te bereiken.

8 De beslissing

De rechtbank,

in conventie en in reconventie

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 28 november 2007 voor het nemen van een akte door eiser als hiervoor vermeld onder 7.2 en 7.3.1 en door gedaagde als hiervoor vermeld onder 7.2, 7.4 en 7.7;

houdt iedere overige beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204