Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB8196

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
19-11-2007
Zaaknummer
246324/ HA ZA 05-2659
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat eiseres heeft toegestaan dat gedaagde de kredietlimiet aanzienlijk heeft overschreden. Voor de beantwoording van de vraag of deze omstandigheid (mede) aan eiseres dient te worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW is van belang dat zij uit hoofde van haar maatschappelijke functie als bank een zorgplicht jegens haar cliënten heeft. Deze vloeit voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, naar de aard van een contractuele verhouding tussen een bank en haar cliënt. De strekking van bedoelde zorgplicht is om de cliënt te beschermen tegen het gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. De reikwijdte van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 59
JE 2008, 163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 246324/ HA ZA 05-2659

Uitspraak: 24 oktober 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. D.L.A. van Voskuilen,

advocaat mr. A.M. van Heest te Rotterdam,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. A.T. Bol.

Partijen blijven verder aangeduid als "ABN AMRO" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 31 januari 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- akte na tussenvonnis, tevens wijziging van eis, met producties;

- antwoordakte.

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij voormeld vonnis is ABN AMRO in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over:

- de gronden van haar eis;

- de specificatie van haar vordering naar hoofdsom en rente;

- welke termijnbedragen [gedaagde] onbetaald heeft gelaten en gedurende welke periode;

- de stelling van [gedaagde] dat zij de termijnbedragen steeds heeft voldaan, doch dat deze termijnen zijn aangewend ter voldoening van de rente ten aanzien van het boven het kredietplafond verstrekte bedrag;

- een melding van ABN AMRO van de overschrijding van de kredietlimiet bij het BKR.

[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld bij antwoordakte op het voorgaande te reageren.

2.2

ABN AMRO heeft in haar voornoemde akte de gronden van haar eis in die zin gewijzigd dat zij tevens aan haar vordering ten grondslag legt dat de kredietovereenkomst is beëindigd op grond van de omstandigheid dat [gedaagde] gedurende een onafgebroken periode van twee maanden, namelijk vanaf 1 augustus 2003, de kredietlimiet op het onderhavige bankrekeningnummer heeft overschreden met een bedrag van minimaal 5% van de kredietlimiet. ABN AMRO was tot deze beëindiging gerechtigd op grond van artikel 6 van de kredietovereenkomst, aldus ABN AMRO. [gedaagde] heeft hetgeen door ABN AMRO is aangevoerd bij antwoordakte niet, althans niet gemotiveerd weersproken. Vaststaat dat [gedaagde] de kredietlimiet van € 20.000,00 met een bedrag van meer dan 5% heeft overschreden. Voorts staat vast dat ABN AMRO [gedaagde] op 22 augustus 2003 en op

30 september 2003 op de kredietoverschrijding heeft geattendeerd en dat [gedaagde] ook na ingebrekestelling de limietoverschrijding niet heeft aangezuiverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ABN AMRO ingevolge het bepaalde in artikel 6 van de overeenkomst gerechtigd was de kredietovereenkomst te beëindigen.

2.3

ABN AMRO heeft voorts aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] gedurende tenminste twee maanden een vervallen termijnbedrag onbetaald heeft gelaten en dat zij deze achterstand ondanks aanmaning en ingebrekestelling niet heeft aangezuiverd. ABN AMRO heeft zich voor de opeisbaarheid van haar vordering derhalve beroepen op (onder meer) artikel 10 van de kredietovereenkomst. De overeenkomst waarop ABN AMRO zich beroept is een krediettransactie is als bedoeld in de Wet op het Consumentenkrediet (verder: WCK). De in artikel 10 van de kredietovereenkomst genoemde voorwaarden zijn niet in strijd met de vereisten voor vervroegde opeisbaarheid genoemd in artikel 33 aanhef onder c sub 1 WCK, zodat ABN AMRO de vordering ineens en vervroegd kan opeisen indien aan de in artikel 10 van de kredietovereenkomst genoemde voorwaarden is voldaan.

2.4

[gedaagde] stelt dat zij steeds haar termijnbedragen heeft voldaan, doch dat deze zijn aangewend ter voldoening van de rente ten aanzien van het boven het kredietplafond verstrekte bedrag. ABN AMRO heeft in haar akte haar vordering gespecificeerd en ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat [gedaagde] een maandbetaling van

€ 500,00 diende te doen. Indien zij dit niet deed, dan kon zij volstaan met een creditering van de rekening met minimaal € 2.000,00 (10% van de kredietlimiet). Het voorgaande volgt volgens ABN AMRO uit artikel 3b - zoals weergegeven onder 2.2 van het vonnis d.d.

31 januari 2007 - en artikel 3c van de kredietovereenkomst, welk artikel luidt als volgt:

“zolang de bovengenoemde bankrekening ten minste eenmaal per maand wordt gecrediteerd (de “voeding”) met een bedrag ter grootte van ten minste 10% van de kredietlimiet, wordt de maandtermijn als bedoeld onder b geacht in de voeding begrepen te zijn.”

ABN AMRO stelt dat [gedaagde] gedurende de periode van 2 juni 2003 tot en met

31 januari 2006 geen aflossingstermijn van € 500,00 heeft voldaan. Ook heeft [gedaagde] volgens ABN AMRO na 1 oktober 2003 de rekening niet meer maandelijks gecrediteerd met minimaal € 2.000,00. ABN AMRO heeft ter onderbouwing van haar vordering tevens rekeningoverzichten overgelegd. [gedaagde] heeft genoemde stellingen van ABN AMRO bij haar antwoordakte niet gemotiveerd weersproken, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Daarmee staat vast dat aan de in artikel 10 van de kredietovereenkomst genoemde voorwaarden is voldaan en de vordering in zoverre vervroegd en geheel opeisbaar is.

2.5

De rechtbank begrijpt hetgeen [gedaagde] ten aanzien van de overschrijding van de kredietlimiet heeft aangevoerd - zoals weergegeven in het vonnis d.d. 31 januari 2007 onder 4.2 - als een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Ter comparitie van partijen heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij nadat de rekening was geblokkeerd, geen inzage meer heeft gehad in de bij- en afschrijvingen op haar rekening. Volgens [gedaagde] zijn er boekingen op de rekening gedaan waar zij zelf geen invloed op had. [gedaagde] stelt dat zij ABN AMRO heeft verzocht een regeling te treffen.

2.6

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat ABN AMRO heeft toegestaan dat [gedaagde] de kredietlimiet aanzienlijk heeft overschreden. Voor de beantwoording van de vraag of deze omstandigheid (mede) aan ABN AMRO dient te worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW is van belang dat ABN AMRO uit hoofde van haar maatschappelijke functie als bank een zorgplicht jegens haar cliënten heeft. Deze vloeit voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, naar de aard van een contractuele verhouding tussen een bank en haar cliënt. De strekking van bedoelde zorgplicht is om de cliënt te beschermen tegen het gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. De reikwijdte van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

2.7

Als onweersproken is komen vast te staan dat ABN AMRO [gedaagde] meerdere malen op de kredietoverschrijding heeft gewezen. ABN AMRO heeft aangevoerd dat na genoemde waarschuwingen hoge bedragen van de rekening zijn afgeschreven door het gebruik van [gedaagde] van haar creditcard. ABN AMRO stelt voorts van de overschrijding van de kredietlimiet melding te hebben gemaakt bij het BKR en tevens meerdere malen te hebben getracht met [gedaagde] een betalingsregeling te treffen. Tevens is ter comparitie van partijen namens ABN AMRO - onbetwist - aangevoerd dat op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] niet direct tot blokkering van de bankrekening is overgegaan. Gelet op voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat ABN AMRO tekort is geschoten in haar zorgplicht, zodat het beroep op eigen schuld van ABN AMRO wordt verworpen.

2.8

[gedaagde] heeft tevens aangevoerd dat ABN AMRO door haar een bedrag boven de kredietlimiet beschikbaar te stellen, gehandeld heeft in strijd met artikel 35 WCK.

[gedaagde] heeft de nietigheid, althans vernietiging van de overeenkomst ingeroepen. Dit verweer faalt, nu artikel 35 WCK de ten hoogst toegelaten kredietvergoeding betreft.

2.9

[gedaagde] stelt tot slot dat het door ABN AMRO in rekening gebrachte rentepercentage in strijd is met de WCK. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de in rekening gebrachte rente bijna tweemaal zo hoog is als de wettelijke rente. Dit verweer faalt als onvoldoende onderbouwd, reeds gelet op het in artikel 35 WCK juncto artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding bepaalde terzake de ten hoogst toegelaten kredietvergoeding.

2.10

Gelet op het voorgaande zal het door ABN AMRO gevorderde bedrag van € 31.893,83 - het saldo van de kredietsom inclusief de kredietvergoeding - als overigens onbetwist worden toegewezen. Voorts zal de overeengekomen kredietvergoeding over dit bedrag worden toegewezen, doch niet meer dan het maximaal toegestane percentage krachtens de WCK, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening.

2.11

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van ABN AMRO. De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen proceskosten, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis, zal als onweersproken eveneens worden toegewezen.

3 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ABN AMRO te betalen het bedrag van € 31.893,83 (zegge: eenendertigduizend achthonderddrieënnegentig euro en drieëntachtig eurocent, vermeerderd met de overeengekomen rente over dit bedrag, doch niet meer dan het maximaal toegestane percentage krachtens de WCK, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO bepaald op € 700,00 aan vast recht, op € 92,60 aan overige verschotten en op € 1.447,50 aan salaris voor de procureur;

bepaalt dat [gedaagde] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW verschuldigd is over de proceskosten vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Pit.

1905/344

Uitgesproken in het openbaar.