Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7889

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
14-11-2007
Zaaknummer
261078 / HA ZA 06-1358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

levering constitutum possessorium (artikel 3:90 lid 1 BW juncto artikel 3:115 sub a BW); verbod van interversie van houderschap (artikel 3:111 BW); gehonoreerd verweer strekt mede ten gunste van niet in het geding verschenen gedaagde (artikel 140 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 261078 / HA ZA 06-1358

Uitspraak: 10 oktober 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEBIS AUTOLEASE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. J.H.A.M. Scheiffers,

advocaat mr. G.C. de Rooij te Amsterdam,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap

FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. P.A.J. Peeters,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MIDLAND REGISTERACCOUNTANTS,

gevestigd te Woerden,

gedaagde,

niet verschenen,

3. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

N.V. FORTIS LEASE CT,

gevestigd te Brussel (België),

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. M.J. Drop te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "Debis" respectievelijk "Fortis Bank", "Midland" en "Fortis Lease".

1 Het verloop van het geding

1.1 Tegen Midland is verstek verleend.

1.2 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen van 29 maart 2006, 7 april 2006 en 18 april 2006 en de door Debis overgelegde producties;

- akte houdende wijziging van eis, met productie;

- conclusie van antwoord aan de zijde van Fortis Bank, met producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van Fortis Lease, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank van 6 september 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de brief van mr. Larijn van 20 december 2006, verstuurd namens Debis, met bijlagen;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 16 januari 2007;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door Debis en Fortis Lease overgelegde spreekaantekeningen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Medio 2004 is tussen G Lease B.V. te Woerden (hierna: G Lease) en Debis een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen, waarbij G Lease twee vrachtwagens (met kentekens BL-TZ-73 respectievelijk BL-TZ-74) aan Debis heeft verkocht.

2.2 Op 1 juli 2004 zijn tussen Debis als lessor en G Lease als lessee twee lease-overeenkomsten tot stand gekomen met betrekking tot de vrachtwagens.

2.3 Op 16 augustus 2004 is ten verzoeke van Fortis Lease en ten laste van G Lease conservatoir beslag gelegd op de vrachtwagen met kenteken BL-TZ-73.

2.4 Op 20 juli 2005 is ten verzoeke van Fortis Bank en ten laste van G Lease pandhoudersbeslag gelegd op de vrachtwagens.

2.5 Op 26 oktober 2005 is het faillissement van G Lease uitgesproken.

2.6 Op 17 januari 2006 zijn de vrachtwagens in opdracht van Debis getaxeerd voor een totale handelswaarde van € 32.000,-- exclusief BTW.

2.7 Teneinde (verdere) waardevermindering van de vrachtwagens te voorkomen, zijn de vrachtwagens begin april 2006 met instemming van partijen en de curator in het faillissement van G Lease verkocht aan een derde voor in totaal € 29.750,-- inclusief BTW.

3 De vordering

3.1 De oorspronkelijke vordering luidt om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht te verklaren dat Debis eigenares is geworden van de bedrijfsauto’s met kentekennummers BL-TZ-73 respectievelijk BL-TZ-74 per 1 juli 2004, dan wel per een eerdere datum, doch in elk geval per 10 augustus 2004;

B. voor recht te verklaren dat Debis op grond van zaaksvervanging en op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken gerechtigd is tot betaling van het geheel van de eventuele bedragen die terzake de verkoop van de onder A. genoemde bedrijfsauto’s op een geblokkeerde derdenrekening onder de curator van het faillissement van G Lease (Mr L.J. van Apeldoorn dan wel degene die hem zal substitueren) berust;

C. voor recht te verklaren dat gedaagden sub 1. en 3. jegens eiseres onrechtmatig hebben gehandeld door de bedrijfsauto’s met kentekennummers BL-TZ-73 respectievelijk BL-TZ-74 als pretens pandhouder onder zich te nemen respectievelijk door als pretens eigenares conservatoir beslag op die bedrijfsauto’s te laten leggen;

D. voor recht te verklaren dat gedaagden sub 1. en 3. jegens eigenares aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van die onrechtmatige daad geleden schade, bestaande uit gemiste leasetermijnen van de auto’s, verminderde handelswaarde van de auto’s, rente en kosten, een en ander nader op te maken bij staat;

E. gedaagden sub 1. en 3. hoofdelijk te veroordelen aan eiseres de buitengerechtelijke kosten, begroot op € 5.000 tot aan de datum van dagvaarding, te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van voldoening;

F. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2 De gewijzigde vordering luidt om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht te verklaren dat Debis eigenares is geworden van de bedrijfsauto’s met kentekennummers BL-TZ-73 respectievelijk BL-TZ-74 per 1 juli 2004, dan wel per een eerdere datum, doch in elk geval per 10 augustus 2004;

B. voor recht te verklaren dat gedaagden sub 1. en 3. geen rechten op de auto’s kunnen doen gelden en jegens Debis onrechtmatig hebben gehandeld door de bedrijfsauto’s met kentekennummers BL-TZ-73 respectievelijk BL-TZ-74 als pretens pandhouder onder zich te nemen respectievelijk door als pretens eigenares conservatoir beslag op die bedrijfsauto’s te laten leggen;

C. voor recht te verklaren dat gedaagde sub 2. geen rechten op de auto’s kan doen gelden;

D. voor recht te verklaren dat gedaagden sub 1. en 3. jegens Debis aansprakelijk zijn voor de door Debis ten gevolge van het onder B. genoemde onrechtmatig handelen geleden schade, bestaande uit (i) gemiste leasetermijnen van de auto’s (ii) de handelswaarde van de auto’s (iii) rente en (iv) buitengerechtelijke kosten;

E. gedaagden sub 1. en 3. te veroordelen de onder C. [naar de rechtbank begrijpt: onder D.] genoemde schade aan Debis te vergoeden, dat wil zeggen gedaagden te veroordelen binnen 14 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Debis te voldoen de navolgende bedragen:

i. € 15.378,60 terzake gemiste leasetermijnen (ad € 984 per auto per maand exclusief BTW) over de periode 1 juli 2005 (zijnde de datum waarop de auto’s na het eindigen van de lease-overeenkomsten met G Lease weer voor lease door Debis beschikbaar zouden zijn geweest) tot 17 januari 2006 (zijnde de datum van taxatie van de handelswaarde van de auto’s);

ii. € 32.000 terzake de handelswaarde van de auto’s per 17 januari 2006;

iii. de onder i. en ii. genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dagvaarding;

iv. € 5.000 terzake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van voldoening;

F. Gedaagden sub 1., 2. en 3. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.3 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Debis aan zowel de oorspronkelijke als de gewijzigde vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.3.1 Debis heeft op 1 juli 2004 de eigendom van de vrachtwagens verkregen. De vrachtwagens zijn ten titel van verkoop aan Debis geleverd door G Lease, die bevoegd was daarover te beschikken. Daarbij is overeengekomen dat G Lease de vrachtwagens voortaan ten titel van lease voor Debis houdt.

3.3.2 Indien G Lease niet bevoegd was over de vrachtwagens te beschikken, heeft Debis de eigendom van de vrachtwagens verkregen krachtens artikel 3:86 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Debis was te goeder trouw en heeft voldaan aan de in het kader van artikel 3:86 BW op haar rustende onderzoeksplicht. Voorts is sprake van bekrachtiging in de zin van artikel 3:58 BW, doordat G Lease op 20 juli 2005 alsnog beschikkingsbevoegd werd.

3.3.3 Door conservatoir beslag respectievelijk pandhoudersbeslag te leggen op de vrachtwagens hebben Fortis Lease en Fortis Bank inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Debis en aldus onrechtmatig jegens Debis gehandeld.

3.3.4 Als gevolg van het onrechtmatig handelen van Fortis Lease en Fortis Bank heeft Debis schade geleden, bestaande uit – kort gezegd – gemiste lease-termijnen en de totale handelswaarde van de vrachtwagens per 17 januari 2006.

3.3.5 Naast vergoeding van schade maakt Debis tevens aanspraak op vergoeding van rente en buitengerechtelijke kosten, welke laatste door Debis zijn begroot op € 5.000,--.

3.3.6 Nu Midland aanvankelijk eveneens aanspraak op de vrachtwagens heeft gemaakt en heeft ingestemd met de verkoop van de vrachtwagens aan een derde en de toedeling van de opbrengst daarvan aan diegene die bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis als rechthebbende met betrekking tot de vrachtwagens zal worden aangemerkt, was het noodzakelijk haar in deze procedure te betrekken en dienen mitsdien de proceskosten ook voor haar rekening te komen.

4 Het verweer

4.1 Het verweer van Fortis Lease strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Debis in de kosten van het geding. Fortis Lease heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1.1 Fortis Lease heeft in augustus 2001 de eigendom van de vrachtwagens verkregen. Nadien heeft Fortis Lease de vrachtwagens aan G Lease geleased.

4.1.2 Op grond van de lease-overeenkomst met Fortis Lease hield G Lease de vrachtwagens ten tijde van de levering aan Debis voor Fortis Lease. Ingevolge artikel 3:111 BW juncto artikel 3:115 a BW kan een houder door constitutum possessorium geen bezit verschaffen. Mitsdien ontbreekt een geldige levering en komt Debis geen beroep toe op artikel 3:86 BW.

4.1.3 Indien de levering geldig is, kan deze ingevolge artikel 3:90 lid 2 BW niet door Debis aan Fortis Lease worden tegengeworpen, omdat Fortis Lease een ouder (eigendoms)recht dan Debis op de vrachtwagens heeft. Nu de vrachtwagens op geen enkel moment in handen van Debis zijn gekomen, komt Debis geen beroep toe op artikel 3:86 BW.

4.1.4 Debis was niet te goeder trouw, althans heeft niet voldaan aan de in het kader van artikel 3:86 BW op haar rustende onderzoeksplicht, zodat zij de bescherming van artikel 3:86 BW ontbeert.

4.1.5 Fortis Lease betwist de hoogte van de gevorderde schade. Fortis Lease betwist voorts de verschuldigdheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, alsmede de hoogte daarvan.

4.2 Het verweer van Fortis Bank strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Debis in de kosten van het geding. Fortis Bank heeft daartoe in aanvulling op het verweer van Fortis Lease nog het volgende aangevoerd:

4.2.1 G Lease heeft op 20 juli 2005 de eigendom van de vrachtwagens verkregen. De vrachtwagens zijn ten titel van verkoop aan G Lease geleverd door Fortis Lease, die bevoegd was daarover te beschikken. Levering van de vrachtwagens is geschied doordat aan de bewaarder van de vrachtwagens (VSH Holding B.V. te Schijndel) door Fortis Lease mededeling van de overdracht is gedaan.

4.2.2 G Lease heeft bij onderhandse akte van 28 oktober 2004 (geregistreerd op 18 november 2004) aan Fortis Bank in pand gegeven haar gehele toenmalige en toekomstige inventaris en bedrijfsuitrusting, daaronder begrepen auto’s. Nadat G Lease op 20 juli 2005 de eigendom van de vrachtwagens heeft verkregen, was Fortis Bank uit hoofde van voormelde pandakte gerechtigd beslag te leggen op de vrachtwagens.

5 De beoordeling

5.1 Debis heeft bij akte haar eis gewijzigd. Midland is niet in het geding verschenen. Nu gesteld noch gebleken is dat Debis haar eiswijziging tijdig bij exploot aan Midland kenbaar heeft gemaakt, wordt ten opzichte van Midland op de oorspronkelijke eis recht gedaan. Fortis Lease en Fortis Bank hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Nu de eiswijziging geen strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde, wordt ten opzichte van Fortis Lease en Fortis Bank op de gewijzigde eis recht gedaan.

5.2 Voor overdracht van een goed is vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken (artikel 3:84 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat de titel van de gestelde overdracht van de vrachtwagens aan Debis geldig is. Als niet weersproken staat vast dat G Lease heeft beoogd de vrachtwagens aan Debis te leveren bij wege van bezitsverschaffing door middel van een tweezijdige verklaring, krachtens welke G Lease de vrachtwagens, die op dat moment in haar macht waren, voortaan ten titel van lease voor Debis houdt (artikel 3:90 lid 1 BW juncto artikel 3:115 sub a BW; levering door constitutum possessorium).

5.3 Fortis Lease heeft primair aangevoerd dat een rechtsgeldige levering ontbreekt, nu G Lease krachtens de leaseovereenkomst met Fortis Lease de vrachtwagens voor haar hield, zodat G Lease (op grond van artikel 3:111 BW) geen bezit heeft kunnen verschaffen aan Debis. Dit verweer slaagt op de navolgende gronden.

Als onvoldoende weersproken staat vast dat G Lease krachtens de leaseovereenkomst met Fortis Lease de vrachtwagens voor Fortis Lease hield. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

Bij conclusie van antwoord heeft Fortis Lease aangevoerd bedrijfsmatig auto’s en andere activa door middel van financial lease te financieren. Fortis Lease stelt de onderhavige vrachtwagens in augustus 2001 in eigendom te hebben verkregen door levering door Schouten Utrecht B.V. en vervolgens te hebben geleased aan B.V.B.A. Holtkemper Transport. Toen deze haar verplichtingen niet nakwam heeft G Lease, die tot dezelfde groep van vennootschappen behoorde als Holtkemper, de verplichtingen uit de leaseovereenkomst overgenomen, doch ook zij kwam haar verplichtingen niet na, aldus Fortis Lease. Bij vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 23 maart 2005 is voor recht verklaard dat Fortis Lease eigenares was van de beide vrachtwagens en is G Lease veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan Fortis Lease.

Debis heeft hier tegenover slechts aangevoerd dat het vonnis van 23 maart 2005 geen rechtskracht heeft in de onderhavige relatie en dat daaruit bovendien slechts blijkt dat Fortis Lease op 23 maart 2005 rechthebbende zou zijn. Dit is evenwel niet voldoende als betwisting van voormelde stellingen van Fortis Lease omtrent haar positie als eigenares van de vrachtwagens en omtrent de positie van de G Lease.

Op grond van artikel 3:111 BW (het zogenoemde verbod van interversie van houderschap) heeft G Lease, als houder voor Fortis Lease, zichzelf niet tot houder voor Debis kunnen maken. Gesteld noch gebleken is dat de in genoemd artikel geregelde uitzonderingen op dit interversie-verbod zich hebben voorgedaan. Voorts is – anders dan Debis blijkens haar stellingen ter comparitie mogelijk heeft willen aanvoeren – voor de werking van het verbod van artikel 3:111 BW niet van belang of Debis al dan niet als derde te goede trouw kan worden aangemerkt.

Nu G Lease zichzelf niet tot houder voor Debis heeft kunnen maken, heeft laatstgenoemde niet het bezit van de vrachtwagens verkregen, hetgeen op grond van artikel 3:90 BW wel is vereist voor de levering daarvan.

Nu derhalve geen juridische levering heeft plaatsgevonden, heeft reeds op die grond geen overdracht van de vrachtwagens aan Debis plaatsgevonden. De stellingen van partijen over beschikkings(on)bevoegdheid, die over bescherming van derden te goeder trouw en bekrachtiging daaronder begrepen, kunnen derhalve onbesproken blijven.

5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Debis geen rechthebbende op de vrachtwagens is geworden. De vordering jegens Fortis Lease en Fortis Bank moet dan ook worden afgewezen. Debis zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van zowel Fortis Lease als Fortis Bank. De door Fortis Bank gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring daarvan ligt als onweersproken voor toewijzing gereed.

5.5 De oorspronkelijke eis van Debis jegens Midland is evenals haar gewijzigde eis jegens Fortis Lease en Fortis Bank gegrond op het eigendomsrecht dat Debis op de vrachtwagens stelt te hebben en heeft - mede gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de toedeling van de verkoopopbrengst van de vrachtwagens - betrekking op een geschil waarin het rechtens noodzakelijk is dat ten aanzien van Fortis Lease, Fortis Bank en Midland een gelijke beslissing wordt gegeven. Mitsdien moet het door Fortis Lease en Fortis Bank gevoerde en door de rechtbank aanvaarde verweer ten aanzien van de ongeldigheid van de levering van de vrachtwagens aan Debis mede ten gunste van Midland (als niet in het geding verschenen partij) strekken.

5.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering jegens Midland als ongegrond moet worden afgewezen. Debis zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Midland, die worden bepaald op nihil.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Debis in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fortis Bank bepaald op € 296,00 aan vast recht en op € 1.788,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Debis in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fortis Lease bepaald op € 296,00 aan vast recht en op € 1.788,00 aan salaris voor de procureur;

veroordeelt Debis in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Midland bepaald op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Boot.

Uitgesproken in het openbaar.

801/1694