Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7873

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
14-11-2007
Zaaknummer
268145 / HA ZA 06-2457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onttrekking procureur; beroep op opschorting; afwijzing schadevergoeding nader op te maken bij staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 268145 / HA ZA 06-2457

Uitspraak: 17 oktober 2007

VONNIS van de enke[eiser] kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. M. Bonarius,

advocaat mr. R.A. van der Hansz te ‘s-Gravenhage,

- tegen -

[gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

thans zonder procureur.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 21 augustus 2006 en de door eiser overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 20 december 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 28 februari 2007;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [eiser] overgelegde producties.

1.2 Bij faxbericht van 27 februari 2007 heeft [advocaat] aangegeven niet langer te zullen optreden als advocaat van [gedaagde]. Ter comparitie van partijen d.d. 28 februari 2007 is niemand namens [gedaagde] verschenen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Soman is sinds 17 januari 2005 eigenaar van een eenmanszaak genaamd [eiser], welke onderneming zich onder meer bezighoudt met het detacheren van personeel.

2.2 [gedaagde] is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het verrichten van facilitaire schoonmaakwerkzaamheden.

2.3 Partijen hebben op 12 oktober 2005 een “overeenkomst tot aanbesteding en aanneming van uitzendkrachten” (hierna: de overeenkomst) gesloten. De overeenkomst bevat - voor zover relevant - de volgende bepalingen:

“Algemene voorwaarden:

(…)

- Indien de onderaannemer buitenlandse werknemers inschakelt bij uitvoering van de werkzaamheden en diensten, dan dient hij te voldoen aan de bepalingen uit de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers en [gedaagde] B.V. te vrijwaren voor eventuele aanspraken in dezen. (…)

(…)

Facturering:

Facturering dient plaats te vinden in een wekelijkse cyclus, maximaal vijf dagen na het verstrijken van de betreffende maand, onder bijvoeging van ondertekende werkbonnen.

(…)”

2.4 [gedaagde] heeft tot en met 31 december 2005 uitzendkrachten ingeleend van [eiser], waarvoor [eiser] aan [gedaagde] facturen met een totaalbedrag van € 255.215,79 heeft verzonden. [gedaagde] heeft betaling van de facturen, waarvan de factuurdatum ligt op of na 12 oktober 2005 achterwege gelaten. De betalingstermijn van de facturen is telkens 60 dagen na factuurdatum.

3 Het geschil

3.1 De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 64.204,15, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met buitengerechtelijke kosten, proceskosten en de nakosten, alsmede tot betaling van de schade geleden door [eiser], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering het volgende ten grondslag gelegd:

- [gedaagde] laat ondanks sommatie daartoe betaling van facturen ten bedrage van in totaal € 64.204,15 na. [eiser] maakt aanspraak op betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [gedaagde] heeft in strijd met de overeengekomen opzegtermijn de onder 2.3 bedoelde overeenkomst met onmiddellijke ingang mondeling opgezegd per eind 2005;

- [eiser] heeft schade geleden tengevolge van de weigering van [gedaagde] om de facturen te betalen;

- [eiser] heeft aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

3.3 [gedaagde] heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding.

3.4 [gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

- [gedaagde] heeft van de door [eiser] verzonden facturen in totaal een bedrag van € 196.077,04 voldaan, zodat de vordering van [eiser] onjuist is;

- [gedaagde] is gerechtigd betaling van de nog niet betaalde facturen op te schorten, omdat de door [eiser] gedetacheerde werknemers korter werden ingezet dan waarvoor [gedaagde] ze had ingehuurd, en omdat werknemers van [eiser] afwezig zijn geweest;

- de onbetaald gebleven facturen komen niet voor betaling in aanmerking omdat [eiser] in strijd met de onder 2.3 genoemde overeenkomst heeft nagelaten ondertekende werkbonnen bij de facturen te voegen;

- [gedaagde] is gerechtigd betaling van de nog niet betaalde facturen op te schorten, omdat [eiser] in strijd met de onder 2.3 bedoelde overeenkomst illegale werknemers aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld. Aan [gedaagde] zal in verband hiermee een boete worden opgelegd van naar verwachting € 36.000,--;

- [gedaagde] heeft de onder 2.3 bedoelde overeenkomst niet opgezegd. [gedaagde] betwist dat [eiser] de door haar gestelde schade heeft geleden.

4 De beoordeling

4.1 [eiser] heeft aan haar vordering tot betaling van een bedrag van € 64.204,15 ten grondslag gelegd dat [gedaagde] door haar verschuldigde facturen niet heeft voldaan. [gedaagde] heeft hiertegenover aangevoerd dat zij een hoger bedrag dan door [eiser] gesteld, namelijk € 196.077,04, in mindering heeft voldaan, hetgeen zou blijken uit het door haar als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde overzicht. [eiser] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen d.d. 28 februari 2007, waar [gedaagde] niet is verschenen, betwist dat [gedaagde] in totaal € 196.077,04 in mindering heeft voldaan. Gelet hierop, en gelet op het feit dat de rechtbank de door [gedaagde] in het geding gebrachte productie waaruit zou moeten blijken dat [gedaagde] het door haar gestelde bedrag in mindering heeft voldaan zonder nadere toelichting, die [gedaagde] niet heeft gegeven, onbegrijpelijk vindt, gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] van de door [eiser] verzonden facturen een bedrag ad € 64.204,15 onbetaald heeft gelaten.

4.2 [gedaagde] heeft voorts tot haar verweer aangevoerd dat haar een opschortingsrecht toekomt, omdat [eiser] - kort samengevat - in strijd met de overeenkomst werknemers te kort of niet inzette, en illegale werknemers inzette, en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. De rechtbank overweegt het volgende. Een tekortkoming aan de zijde van de wederpartij, zoals door [gedaagde] gesteld, ontslaat een partij in beginsel niet van zijn betalingsverplichting. Bij een ondeugdelijke prestatie van de wederpartij dient de schuldenaar die zich op een opschortingsrecht beroept, duidelijk te maken of hij wil dat de wederpartij alsnog zijn verbintenis nakomt, of dat hij de overeenkomst wil ontbinden en/of schadevergoeding wegens de wanprestatie wil vorderen. Laat hij een dergelijke keuze achterwege, dan verspeelt hij in beginsel zijn opschortingsrecht. In het onderhavige geval heeft [gedaagde] ten aanzien van haar betoog dat [eiser] werknemers te kort of niet inzette, slechts een beroep gedaan op opschorting van de betaling, zonder dat is aangegeven tot welk doel de opschorting strekt. Gelet hierop kan [gedaagde] zich niet gerechtvaardigd op opschorting van de betaling beroepen, en dient haar verweer dienaangaande te worden verworpen. Ten aanzien van haar betoog dat [eiser] illegale werknemers inzette, heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij betaling wenst op te schorten met het oog op verrekening, aangezien zij voor het inzetten van illegale werknemers door [eiser] een boete tegemoet kan zien van naar verwachting € 36.000,--. Ter comparitie, waar [gedaagde] niet is verschenen, heeft [eiser] betwist, dat aan [gedaagde] een boete is opgelegd en gesteld dat het inzetten van illegale werknemers gebeurde met instemming van [gedaagde]. [gedaagde] heeft deze nadere stellingname niet weersproken en daarmee het ter zake door haar gevoerde verweer niet gemotiveerd gehandhaafd. Dit betekent dat aan [gedaagde] geen gerechtvaardigde grond voor opschorting van haar betaling toekomt.

4.3 [gedaagde] heeft verder nog tot haar verweer aangevoerd dat zij niet gehouden is tot betaling van de door [eiser] gevorderde facturen, omdat [eiser] in strijd met de overeenkomst heeft nagelaten ondertekende werkbonnen bij de facturen te voegen. Ter comparitie heeft [eiser] in reactie hierop aangevoerd dat bij de facturering nimmer gebruik werd gemaakt van werkbonnen, maar dat urendeclaraties naar [gedaagde] werden gezonden per e-mail en vervolgens door [gedaagde] al dan niet werden geaccordeerd, waarna de facturen door [eiser] werden opgemaakt. [gedaagde] heeft deze nadere stellingname niet weersproken en daarmee het terzake door haar gevoerde verweer niet gemotiveerd gehandhaafd. Dit betekent dat de rechtbank er vanuit gaat dat, zoals [eiser] onbetwist heeft gesteld, het nalaten van het bijvoegen van werkbonnen bij de facturen niet in de weg staat aan de opeisbaarheid van de factuurbedragen.

4.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vordering van [eiser] tot betaling van de onbetaalde facturen ad in totaal € 64.204,15 toewijsbaar is. De rechtbank zal ook de wettelijke rente toewijzen als gevorderd, te weten 60 dagen na de respectieve factuurdata, nu verschuldigdheid daarvan niet is betwist.

4.5 [eiser] heeft aan haar vordering tot schadevergoeding ten grondslag gelegd, dat zij als gevolg van de weigering van [gedaagde] om de facturen te betalen schade heeft geleden, bestaande uit een door de belastingdienst opgelegde boete en rentekosten voor een met de bank overeengekomen rekening-courantverhouding, en dat zij als gevolg van het niet in acht nemen van de opzegtermijn door [gedaagde] eveneens schade heeft geleden. [eiser] vordert in dit geding verwijzing naar de schadestaatprocedure. [gedaagde] heeft betwist dat [eiser] schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt als volgt. De vordering van [eiser] tot vergoeding van rentekosten is niet toewijsbaar, aangezien deze kosten moeten worden beschouwd als kosten, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, die vallen onder de regeling van artikel 6:119 BW, welke kosten de rechtbank, zoals hiervoor overwogen onder 4.4., reeds heeft toegewezen.

Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde boete overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat en op grond waarvan de door [eiser] gestelde boete het gevolg is van te late betaling door [gedaagde], zodat de vordering reeds hierom niet toewijsbaar is.

Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde schade als gevolg van het niet in acht nemen van de opzegtermijn door [gedaagde] overweegt de rechtbank dat [eiser] heeft nagelaten nader te adstrueren waarom en in hoeverre het niet in acht nemen van de opzegtermijn, zoals door [eiser] gesteld, schade heeft veroorzaakt bij [eiser]. De stellingen van [eiser] op dit punt leveren daarom onvoldoende feitelijke grondslag op om haar tot levering van het bewijs dat [eiser] schade heeft geleden toe te laten. De vordering tot schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.

4.6 [eiser] heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [gedaagde] heeft de vordering niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] voldoende aangetoond dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De rechtbank zal conform het Rapport Voorwerk II de buitengerechtelijke kosten matigen tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde € 1.788,--. Dit bedrag zal worden toegewezen.

4.7 De rechtbank zal [gedaagde] als de voornamelijk in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de proceskosten. Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde nakosten overweegt de rechtbank dat deze moeten worden beschouwd als kosten in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis die vallen onder de regeling van artikel 237 lid 4 Rv, zodat de vordering terzake van deze kosten als prematuur en derhalve ongegrond moet worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag van € 64.204,15 (zegge: vierenzestigduizend tweehonderdvier euro en vijftien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW vanaf 60 dagen na de respectieve factuurdata, telkens tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.788,--;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 1.410,-- aan vast recht, op € 71,32 aan overige verschotten en op € 1.788,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog.

Uitgesproken in het openbaar.

548/1581