Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7624

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2007
Datum publicatie
12-11-2007
Zaaknummer
278803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking afgewezen. Gelet op het karakter van een comparitie van partijen, staat het de rechter vrij om partijen in kennis te stellen van hetgeen hij tot dan toe uit de gedingstukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, heeft afgeleid en daaromtrent zijn voorlopig oordeel te geven. Het middel van wraking dient er niet toe om bezwaren naar voren te brengen tegen het geen de rechter ter comparitie over wijziging van eis, de bewijslastverdeling of de verlangde bewijsmiddelen zou hebben gezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 278803

Rekestnummer : HA RK 07-29

Uitspraak : 26 maart 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[verzoeker]

en

[verzoekster],

beiden wonende te [adres],

verzoekers,

strekkende tot wraking van [de rechter], kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Op 11 januari 2007 is door de rechter in de zaak die door de stichting [naam stichting] tegen verzoekers aanhangig is gemaakt, welke procedure als zaaknummer heeft [kenmerk], een comparitie van partijen gehouden.

Bij brief van 21 februari 2007 hebben verzoekers de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting van 11 januari 2007.

Verzoekers, de rechter en de gemachtigde van de stichting [naam stichting] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld.

Verzoekers en de rechter zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 12 maart 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verzoekers verschenen. Zij hebben aan de hand van een pleitnota hun standpunt nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek hebben verzoekers het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Tijdens de comparitie van partijen had de rechter zich al een oordeel gevormd ten aanzien van het verweer van verzoekers aangezien hij hen wanbetalers heeft genoemd. De rechter is niet ingegaan op het door verzoekers gevoerde verweer.

2.1.2

Ter zitting van 11 januari 2007 is van de zijde van de stichting [naam stichting] toegegeven dat zij haar vordering niet kan onderbouwen en dat zij niet weet welke huurperiode verzoekers onbetaald zouden hebben gelaten. Dit had moeten leiden tot afwijzing van de vordering van de stichting [naam stichting].

2.1.3

Ondanks het feit dat verzoekers een bewijs van betaling hadden overgelegd met betrekking tot een maand waarover volgens de stichting [naam stichting] nog betaling van huur verschuldigd zou zijn, wijst de rechter de vordering niet af, maar geeft de rechter de stichting [naam stichting] gelegenheid haar vordering te wijzigen.

2.1.4

Verzoekers zijn door de rechter verplicht de door hen in het geding te brengen producties ruim voorafgaande aan de comparitie van partijen toe te zenden aan de rechtbank en de wederpartij, terwijl de gemachtigde van de stichting [naam stichting] door de rechter is toegestaan kort voor aanvang van de comparitie van partijen nog een nieuw stuk aan te reiken.

2.1.5

De rechter heeft aan verzoekers opgelegd op het kantoor van de gemachtigde van de stichting [naam stichting] de bewijzen van betaling van de huurprijs over de achterliggende vijf jaren te overleggen. Dit gaat de eisen van redelijkheid en billijkheid te buiten en vormt een schending van het recht van verzoekers op privacy.

2.1.6

Verzoekers hebben geen gelegenheid gekregen te reageren op een van de zijde van de stichting [naam stichting] na de comparitie van partijen nog bij akte ingebrachte nieuwe productie.

2.1.7

Verzoekers zijn op grond van het vorenstaande van mening dat de rechter de stichting [naam stichting] heeft bevoordeeld en dat van rechterlijke onpartijdigheid geen sprake is.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

3. De beoordeling

3.1

Ter beoordeling is de vraag of aan de door verzoekers aangevoerde omstandigheden een aanwijzing valt te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoekers bestaande vrees dat de rechter jegens hen een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld zij dat, gelet op het karakter van een comparitie van partijen, het de rechter vrij staat om partijen in kennis te stellen van hetgeen hij tot dan toe uit de gedingstukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, heeft afgeleid en daaromtrent zijn voorlopig oordeel te geven. Dat door de rechter in dat verband zou zijn gezegd dat verzoekers "wanbetalers" zijn blijkt niet uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen, nog daargelaten dat een dergelijke opmerking niet onmiddellijk blijk behoeft te geven van partijdigheid of vooringenomenheid. Aan de inhoud van het proces-verbaal, dat volgens verzoekers voor het overige geen onjuistheden bevat, kan de rechtbank geen grond ontlenen voor het oordeel dat is afgeweken van de normale gang van zaken bij een dergelijke zitting en dat de rechter partijdig of vooringenomen zou zijn geweest ten opzichte van verzoekers.

3.3

Verzoekers voeren met de stelling dat de rechter enerzijds aan de stichting [naam stichting] ter comparitie (en mogelijk ook daarna) heeft toegestaan de grondslag van de vordering te wijzigen en anderzijds van verzoekers heeft verlangd betalingsbewijzen over een periode van vijf jaar over te leggen, een juridisch argument aan tegen de nog te nemen beslissing. Het middel van wraking dient er evenwel niet toe om bezwaren naar voren te brengen tegen hetgeen de rechter ter comparitie over wijziging van eis, de bewijslast-verdeling of de verlangde bewijsmiddelen zou hebben gezegd. In de omstandigheden van dit geval kan aan de wijze waarop de rechter aan zijn taak uitvoering heeft gegeven geen aanwijzing ontleend worden voor de stelling van verzoekers dat sprake was van een subjectieve of objectieve vooringenomenheid.

3.4

Evenmin is grond voor wraking gelegen in de stelling dat het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden omdat aan verzoekers niet is toegestaan op de "akte uitlating stand van zaken" aan de zijde van de stichting [naam stichting] te reageren. Weliswaar kunnen verzoekers er belang bij hebben als reactie op de akte eventuele misvattingen weg te nemen en/of hun argumenten aan te scherpen, maar de rechter is niet verplicht hen daartoe in de gelegenheid te stellen. Immers eerst in het vonnis geeft de rechter aan hoe hij tegen de zaak aankijkt en kan blijken of het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De stelling is kennelijk gelegen in het op voorhand niet eens zijn met een te verwachten wijze van beoordeling van een vordering, hetwelk geen grond voor wraking oplevert.

3.5

Aan bovengenoemde gang van zaken valt derhalve geen aanwijzing te ontlenen voor het bestaan van subjectieve of objectieve partijdigheid van de rechter.

3.6

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [de rechter].

Deze beslissing is gegeven op 26 maart 2007 door mr. M.J.A.M. Ahsmann, voorzitter, mr. L.A.C. van Nifterick en mr. D.C.J. Peeck, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.