Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7429

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
276830 / HA RK 07-13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet door een Nederlandse partij tegen een aan haar Duitse wederpartij verleend verlof tot tenuitvoerlegging (exequatur) van een Duits vonnis op grond van de EEX-Verordening (EEX-Vo). Wegvervoer. CMR. Litispendentie. Beoordeling of in de Nederlandse en Duitse procedures sprake is van 'dezelfde partijen'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 76

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rekestnummer: 276830 / HA RK 07-13

Uitspraak: 21 augustus 2007

BESCHIKKING van de enkelvoudige kamer op het verzoekschrift van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KLG EERSEL EUROPE B.V., voorheen KUIJKEN INTERNATIONAAL TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Eersel,

verzoekster,

procureur mr. M. Spanjaart,

- tegen -

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging REEDEREI KONTOR ADOLF ZEUNER GMBH,

gevestigd te Düsseldorf, Duitsland,

gerequestreerde,

procureur mr. P. Ruitinga.

Partijen worden hierna aangeduid als "KLG" respectievelijk "Zeuner".

Het procesverloop blijkt uit het griffiedossier, waar de rechtbank kennis van heeft genomen. Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 2 juli 2007.

1 De vaststaande feiten

1.1 In juli 2000 heeft Zeuner aan “K.” Line (Nederland) B.V. (hierna: K-Line) opdracht gegeven een partij camera’s (hierna: de zending) te vervoeren van Rotterdam naar Langenfeld in Duitsland ten behoeve van Agfa-Gevaert AG (hierna: Agfa). K-Line heeft het vervoer uitbesteed aan Kuijken (rechtsvoorgangster van KLG), die De Jong & Grauss heeft ingeschakeld. Laatstgenoemde heeft Van Wonderen ingeschakeld, die het vervoer heeft uitgevoerd.

1.2 Tijdens het vervoer is de zending gestolen. Dit voorval zal hierna ook worden aangeduid als: de diefstal.

1.3 In februari 2001 heeft Zeuner aan K-Line last en volmacht gegeven om alle rechten die Zeuner mogelijkerwijs zou hebben vis-à-vis derden ter zake van de diefstal in haar eigen naam uit te oefenen.

1.4 In mei 2001 heeft Gerling als gesubrogeerde verzekeraar van Agfa een procedure tegen Zeuner aanhangig gemaakt voor het Landgericht Hamburg, Duitsland. Gerling heeft gevorderd dat Zeuner wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding als gevolg van de diefstal ten bedrage van USD 87.556,= met rente en kosten. Deze procedure wordt hierna ook aangeduid als: de Hamburgse procedure.

1.5 Op 17 januari 2003 heeft Kuijken een procedure tegen K-Line, De Jong & Grauss, Van Wonderen en Gerling aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. Kuijken heeft een verklaring voor recht gevorderd dat zij tegenover deze gedaagden primair niet, subsidiair beperkt aansprakelijk is voor schade als gevolg van de diefstal. Deze procedure wordt hierna ook aangeduid als: de Rotterdamse procedure.

1.6 In februari 2004 heeft K-Line al haar rechten ter zake van de diefstal gecedeerd aan Zeuner. Deze cessie wordt hierna ook aangeduid als: de cessie.

1.7 Op 19 april 2004 is Zeuner in de Hamburgse procedure veroordeeld tot betaling aan Gerling van de gevorderde schadevergoeding.

1.8 In juli 2004 heeft Zeuner een procedure tegen onder meer Kuijken aanhangig gemaakt voor het Landgericht Düsseldorf. Zeuner heeft gevorderd dat onder meer Kuijken wordt veroordeeld tot het betalen van - voor zover hier van belang - a) hetgeen waartoe Zeuner in de Hamburgse procedure is veroordeeld en b) de door K-Line ter zake van de gestolen zending betaalde douanerechten ten bedrage van EUR 21.410.

1.9 Op 20 januari 2006 is Kuijken in de Düsseldorfse procedure veroordeeld tot het betalen aan Zeuner van - voor zover hier van belang - hetgeen waartoe Zeuner in de Hamburgse procedure is veroordeeld en de door K-Line betaalde douanerechten.

1.10 Op 1 juni 2006 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank op verzoek van Zeuner verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het Düsseldorfse vonnis verleend. Dit verlof wordt hierna ook aangeduid als: de exequator.

1.11 Op 14 juni 2006 is in de Rotterdamse procedure in de zaak tegen K-Line iedere beslissing aangehouden en is op 27 september 2006 (bij verstek) voor recht verklaard dat Kuijken niet aansprakelijk is jegens K-Line.

2 Het verzet en de beoordeling daarvan

2.1 KLG heeft verzet ingesteld tegen de exequator. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft zij gesteld dat deze beslissing niet in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden, omdat de Rotterdamse procedure reeds liep toen de Düsseldorfse procedure aanhangig werd gemaakt.

2.2 Zeuner heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3 Ingevolge artikel 34 aanhef en sub 3 EEX-Vo wordt een beslissing niet erkend, en dus ook niet ten uitvoer gelegd - zie artikel 35 EEX-Vo -, indien deze beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing. De CMR kent een dergelijke bepaling niet. In artikel 31 lid 2 van dit verdrag is evenwel bepaald dat wanneer in een rechtsgeding, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, een vordering aanhangig is voor een volgens dat lid bevoegd gerecht, of wanneer in een zodanig geding door een zodanig gerecht een uitspraak is gedaan, geen nieuwe vordering omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen kan worden ingesteld, tenzij de uitspraak van het gerecht, waarvoor de eerste vordering aanhangig is gemaakt, niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging in het land, waarin de nieuwe vordering wordt ingesteld.

2.4 Artikel 34 aanhef en sub 3 EEX-Vo en/of artikel 31 lid 2 CMR kunnen slechts in de weg staan aan tenuitvoerlegging van het Düsseldorfse vonnis in Nederland, indien dezelfde partijen in beide procedures betrokken waren.

2.5 Van ‘dezelfde partijen’ als bedoeld in artikel 34 aanhef en sub 3 EEX, Vo is sprake indien de belangen van de ene partij identiek aan en onlosmakelijk verbonden zijn met die van de andere partij. (HvJ EG 19 mei 1998, NJ 2000, 135).

2.6 Beide procedures gaan over dezelfde diefstal tijdens het vervoer. Niet in geschil is dat KLG en/of haar rechtsvoorganger(s) partij zijn bij beide procedures en gelden als dezelfde partij. In geschil is of K-Line, die partij was in de Rotterdamse en niet in de Düsseldorfse procedure, geldt als dezelfde partij als Zeuner, die partij was in de Düsseldorfse procedure, maar niet in de Rotterdamse.

2.7 (Terecht) niet in geschil is dat Zeuner en K-Line allebei gelden als (papieren) vervoerder en niet reeds op grond van hun positie in de vervoerketen en hun daarop gebaseerde (buiten)contractuele verhouding ten opzichte van KLG en/of haar rechtsopvolger(s) zijn aan te merken als dezelfde partij als bedoeld in artikel 34 aanhef en sub 3 EEX-Vo en/of artikel 31 lid 2 CMR.

2.8 De in de Rotterdamse procedure gevorderde verklaring voor recht had in algemene termen betrekking op de schade, die (in de dagvaarding onder 7) werd gesteld op een bedrag van USD 97.000,00 “eventueel nog te vermeerderen met boetes en/of heffingen”.

Niet blijkt dat de door K-Line betaalde douanerechten deel uitmaken van het gestelde schadebedrag van USD 97.000,00. Dit geldt eens temeer daar de dagvaarding (onder 8) vervolgt met de stelling dat Gerling deze (cursivering rechtbank) schade aan Agfa heeft voldaan en in de rechten van Agfa is gesubrogeerd en niet blijkt dat de door K-Line betaalde douanerechten deel uitmaken van de uitkering van Gerling aan Agfa. Ook uit de stelling dat deze schade eventueel (cursivering rechtbank) wordt vermeerderd met boetes en heffingen kan worden afgeleid dat deze schadeposten kennelijk (nog) geen deel uitmaken van de schade waar de verklaring voor recht op ziet. De grondslag van de vordering is niet later in de procedure uitgebreid naar boetes en heffingen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Rotterdamse procedure, anders dan de Düsseldorfse, niet (mede) zag op de aansprakelijkheid van KLG (en/of haar rechtsvoorganger(s)) jegens K-Line ter zake van de door haar betaalde douanerechten.

2.9 In de ‘Klage’ waarmee zij de Düsseldorfse procedure heeft ingeleid heeft Zeuner gesteld dat zij zowel uit eigen hoofde en krachtens de cessie vorderingsgerechtigd is. Uit de overwegingen die ten grondslag zijn gelegd aan de toewijzing van de vordering ter zake van hetgeen waartoe Zeuner in de Hamburgse procedure veroordeeld was, blijkt niet dat deze veroordeling (mede) is gebaseerd op (de rechtsovergang van de rechten van K-Line op Zeuner op grond van) de cessie. Ook in het Hamburgse vonnis is slechts Zeuners eigen positie (als (papieren) vervoerder) in de vervoerketen in aanmerking genomen. In de Rotterdamse procedure is slechts de positie van K-Line beoordeeld en is niet ingegaan op de positie van Zeuner, laat staan dat de overgang van Zeuners rechten op K-Line in de beoordeling is betrokken.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de belangen van Zeuner in de Düsseldorfse procedure niet identiek aan en onlosmakelijk verbonden zijn met die van K-Line in de Rotterdamse procedure. Er is dus geen sprake van ‘dezelfde partij’ in de zin van artikel 34 aanhef en sub 3 EEX-Vo.

2.11 Het voorgaande staat eveneens in de weg aan het aanmerken van Zeuner en K-Line als ‘dezelfde partij’ in de zin van artikel 31 lid 2 CMR.

2.12 Het verzet wordt ongegrond verklaard, met veroordeling van KLG in de proceskosten. De overige geschilpunten kunnen onbesproken blijven.

3 De beslissing

De rechtbank,

verklaart het verzet ongegrond,

veroordeelt KLG in de proceskosten, die aan de zijde van Zeuner zijn bepaald op EUR 154 aan verschotten en EUR 904 aan salaris voor de procureur;

verklaart deze beschikking wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. de Loor-Alwin.

Uitgesproken in het openbaar.

901/1548