Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7420

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-10-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
283703 / J1 RK 07-546
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In verband met voortdurend plaatsgebrek verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming plaatsing in een niet formeel erkende inrichting. Dit verzoek is door de kinderrechter toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 15 oktober 2007

Zaak-/rekestnummer: 283703 / J1 RK 07-546

Beschikking in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de Raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op 18 augustus 1993 te [gemeente],

kind van [X] en van de met het gezag belaste ouder,

[Y], wonende [woonplaats].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 17 juli 2007 is – onder meer – de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De behandeling van de zaak is voor het overig verzochte aangehouden.

De stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: de stichting) heeft op 11 oktober 2007 in het kader van de onderhavige procedure een verzoekschrift ingediend strekkende tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting beveiligde justitiële jeugdinrichting in verband met ernstige gedragsproblemen van de minderjarige. Het plan van aanpak en het indicatiebesluit zijn daarbij gevoegd.

De onderhavige zaak is verder behandeld op 15 oktober 2007.

De minderjarige is gehoord.

Ter zitting heeft de Raad het onderhavige verzoek gewijzigd in die zin, dat, in aanvulling op verlenging van de ondertoezichtstelling, wordt gevraagd om een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een residentiële instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Ter zitting heeft de kinderrechter telefonisch contact opgenomen met mw. C. Eendhuizen van het Indicatietoewijzingsteam van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam.

De beoordeling

Nu de plaatsing van de minderjarige in het RMPI is misgelopen en plaatsing van de minderjarige in De Plataan eveneens, heeft de stichting inmiddels een verzoek tot plaatsing in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting ingediend. De moeder heeft plaatsing bepleit in het project “Emri Borne”. Het betreft hier een niet-erkende instelling, maar de moeder deelt mede dat Bureau Jeugdzorg te Groningen wel kinderen bij deze instelling plaatst, via een persoonsgeboden budget.

Ter zitting is gebleken, dat de wel erkende instelling Horizon vergelijkbare projecten heeft, waar echter een wachtlijst voor bestaat.

Gezien de situatie van de minderjarige is uitstel van plaatsing naar het oordeel van de kinderrechter niet verantwoord. Gelet op alle omstandigheden ziet de kinderrechter aanleiding om de plaatsing van de minderjarige in het project “Emri Borne” – achter welke plaatsing de Raad zich heeft geschaard, om welke reden de Raad ter zitting zijn verzoek in die zin heeft aangevuld – goed te keuren, en het verzoek toe te wijzen. De kinderrechter gaat er bij het vorenstaande van uit, dat de stichting een passende indicatiestelling regelt om deze plaatsing mogelijk te maken.

De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking, dat hij ter terechtzitting het Indicatieteam heeft geraadpleegd. Hij is van oordeel, dat in deze tijd van voortdurend plaatsgebrek, hetgeen in bepaalde gevallen tot lamlegging van de hulpverlening leidt, er grond bestaat om van de regel van formele erkenning af te wijken. De kinderrechter neemt daar in dit geval bij deze de verantwoordelijkheid voor.

Het verzoek van de stichting tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting wordt, als thans te verstrekkend, afgewezen.

Op grond van de overgelegde stukken, de afgelegde verklaringen en hetgeen hiervoor is overwogen, is de kinderrechter van oordeel dat de duur van de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, en dat de plaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De beslissing

Verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 17 juli 2008.

Verleent op het ter zitting gedane verzoek van de Raad met ingang van 15 oktober 2007 machtiging tot plaatsing van de minderjarige in het project “Emri Borne” tot 17 juli 2008.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het verzoek van de stichting tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Groot, kinderrechter, in bijzijn van A. Gerde, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift door tussenkomst van een procureur ter griffie van het Gerechtshof te Den Haag.