Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7008

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
05-11-2007
Zaaknummer
253160 /HA ZA 06-42
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brand op zeiljacht dat op jachthaventerrein in winterstalling staat. Schade aan andere jachten. Aanvaringsregels. Schuld van het schip. Schadeoorzaak en causaal verband. Bedrijfsregeling Brandregres 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 253160 /HA ZA 06-42

Uitspraak: 10 oktober 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. de naamloze vennootschap UNIGARANT N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

eisers in renvooi,

procureur mr B.S. Janssen,

advocaat mr K.A. van Veen,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1], hierna: [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de naamloze vennootschap SCHEEPSVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ

COMPACT "DOV" N.V., hierna: DOV,

gevestigd te Groningen,

verweerders in renvooi,

procureur mr D.J.R.M. Braakenburg,

advocaat mr T. Roos.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- proces-verbaal van de op 14 oktober 2005 gehouden verificatievergadering inzake

de procedure tot beperking van de aansprakelijkheid van verweerders in renvooi,

onder zaak-/rekestnummer 235383/HA RK 05-73;

- conclusie van eis tot verificatie in renvooi, met producties;

- conclusie van antwoord in renvooi, met producties;

- conclusie van repliek in renvooi, met producties;

- conclusie van dupliek in renvooi, met producties;

- de door partijen overgelegde pleitnotities in eerste en tweede termijn van het

schriftelijke pleidooi.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 25 februari 2003 is brand uitgebroken op het aan [gedaagde sub 1] in eigendom toebehorende zeegaande zeilschip Rasmus, dat toen gestald stond op het terrein van Muiderzand B.V. te Almere, gelegen aan het IJmeer. Daardoor is schade toegebracht aan een aantal in de nabijheid van de Rasmus gestalde zeilschepen: de Kanjer, eigendom van [eiser sub 1], de Heaven can wait, eigendom van [eiser sub 2] en de X-Isle, eigendom van [eiser sub 3].

2.2

De Rasmus was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij DOV.

De Kanjer, de Heaven can wait en de X-Isle waren verzekerd bij Unigarant.

2.3

Eisers hebben [gedaagde sub 1] en Muiderzand in rechte aangesproken tot vergoeding van de door de brand ontstane schade. [gedaagde sub 1] en DOV zijn daarop bij de rechtbank Rotterdam een beperkingsprocedure begonnen (zaak-/rekestnummer 235383/HA RK 05-73). Nadat de rechtbank het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid wegens zaakschade had bepaald op SDR 100.000,-, hebben [gedaagde sub 1] en DOV voor dat bedrag een zakenfonds gesteld. Op de in deze beperkingsprocedure gehouden verificatievergadering hebben [gedaagde sub 1] en DOV de aansprakelijkheid van de Rasmus jegens onder meer eisers betwist, waarna deze partijen terzake van dat geschil zijn verwezen naar de rolzitting voor een renvooiprocedure (ook Muiderzand enerzijds en [gedaagde sub 1] en DOV anderzijds zijn voor hun geschil over aansprakelijkheid naar de rol verwezen).

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om voor recht te verklaren dat

[gedaagde sub 1] en DOV, althans één van hen, jegens eisers aansprakelijk is, alsmede te verklaren dat eisers tot een bedrag van € 189.202,35, met rente vanaf 26 februari [2003], althans vanaf de dag van dagvaarden [bedoeld zal zijn: de dag van het nemen van de conclusie van eis], gerechtigd zijn mee te delen in het zakenfonds, met veroordeling van verweerders in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben eisers aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

[gedaagde sub 1] is ingevolge de aanvaringsbepalingen aansprakelijk voor de door eisers geleden schade. De brand is op de Rasmus ontstaan door kortsluiting en door dat schip is de schade aan de andere schepen veroorzaakt. [gedaagde sub 1]/de Rasmus heeft schuld: (a) [gedaagde sub 1] heeft gehandeld in strijd met een veiligheidsnorm die ook is vastgelegd in het havenreglement, doordat hij de accu's in zijn schip aangesloten heeft gelaten op de elektriciteitsvoorziening van de jachthaven en de accudruppelaar (acculader) aan boord ingeschakeld heeft gelaten, hetgeen brandgevaar met zich meebrengt,

(b) de Rasmus voldeed niet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan haar mocht stellen; er is brand ontstaan door sluiting in het elektrische circuit aan boord; er was een ondeugdelijke accudruppelaar die spontaan in brand is gevlogen, (c) personeel van de jachthaven - dat ten behoeve van de Rasmus arbeid heeft verricht - heeft nagelaten de stekker uit de verdeelkast te trekken of de hoofdschakelaar uit te zetten en heeft onvoldoende gecontroleerd of de accu's afgekoppeld waren.

In elk geval moet op grond van feitelijke vermoedens voorshands bewezen worden geacht dat de brand is veroorzaakt door kortsluiting op de Rasmus.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van eisers in de kosten van het geding.

Verweerders hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

DOV - geen eigenaar maar slechts aansprakelijkheidsverzekeraar van de Rasmus - kan niet aansprakelijk worden gehouden.

4.2

De oorzaak van de brand, die is ontstaan aan boord van de Rasmus, kan niet worden vastgesteld, zodat niet kan worden vastgesteld of de brand is veroorzaakt door schuld van de Rasmus of door een omstandigheid waarvoor de eigenaar van de Rasmus aansprakelijk is. Daarom dient de schade te worden gedragen door hen die haar hebben geleden.

4.3

De aan [gedaagde sub 1]/de Rasmus gerichte verwijten kunnen geen doel treffen.

De door eisers genoemde regels waren niet van toepassing, zeker niet tussen de scheepseigenaren onderling. Deze regels strekten niet tot het voorkomen van brand en behelsden geen veiligheidsnorm. [gedaagde sub 1] heeft deze regels niet overtreden. Causaal verband tussen de gestelde normschending en de brand ontbreekt.

Niet is vastgesteld dat sprake was van een gebrek, noch dat de brand door zo'n gebrek is veroorzaakt.

De verwijten aan het personeel van de jachthaven zijn ongegrond en bewijs van oorzakelijk verband tussen de gestelde fouten en de brand ontbreekt. De jachthaven verrichtte geen arbeid ten behoeve van de Rasmus.

4.4

Unigarant is, als gesubrogeerde verzekeraar, niet gerechtigd de schade te verhalen, gelet op de destijds geldende Bedrijfsregeling Brandregres.

5. De beoordeling

5.1

De vordering om voor recht te verklaren dat DOV aansprakelijk is jegens eisers kan niet slagen. Er is geen rechtsgrond voor een rechtstreekse aanspraak van eisers jegens de

WA-verzekeraar van [gedaagde sub 1].

5.2

Partijen zijn het erover eens dat de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] dient te worden beoordeeld naar de regels voor aanvaring (artt. 8:540 ev. BW).

5.3

Overgelegd zijn onder meer een rapport van Stekelenburg Schade Onderzoek Bureau B.V. en een rapport van Biesboer Expertise B.V. met bijgevoegd een verklaring van [gedaagde sub 1] en zijn vader, alsmede een verklaring van een technisch rechercheur van de politie. Op grond van een en ander kan - samengevat - het volgende als vaststaand worden aangenomen.

(a) De Rasmus stond, net als een aantal andere zeilschepen eromheen, voor [eiser sub 1]berging gestald op het open terrein van Muiderzand. De Rasmus was geplaatst op een metalen bok en was geheel afgedekt met een zwaar zeil.

(b) [gedaagde sub 1] was voor het laatst op 16 februari 2003 bij de Rasmus geweest en had het schip aangesloten op de walstroom (220 Volt), door vanaf het schip een verlengsnoer te leggen naar een verdeelkast op het terrein en de stekker van het snoer in de verdeelkast te steken. Aldus had hij het schip achtergelaten. Aan boord bevonden zich drie accu's

(12 Volt) en een daarmee verbonden accudruppelaar (acculader). Deze acculader was aangesloten op de walstroom en stond ingeschakeld teineinde de accu's op peil te houden.

Er waren geen andere stroomverbruikers aan boord ingeschakeld; alleen was mogelijk een kleine ventilator in de kajuit nog aangesloten op de walstroom.

(c) Door de brand op de avond van 25 februari 2003 was het schip aan de binnenzijde van de romp grotendeels vernietigd, waardoor een onderzoek naar het ontstaan en het verloop van de brand nauwelijks mogelijk was. Duidelijk was wel dat de brand was ontstaan aan boord van de Rasmus. De precieze plaats van het ontstaan kon niet worden vastgesteld. Volgens de expert van Biesboer heeft het vuur in aanvang gewoed in de in het midden gesitueerde woonvertrekken (in de kajuit).

(d) Op twee plaatsen werden sporen aangetroffen van uitgebreide elektrische sluiting: ten eerste nagenoeg midscheeps aan stuurboord en ten tweede in de omgeving van de accu's en de acculader, die zich hadden bevonden onder een zitbank in de kajuit aan bakboord bij de houten scheidingswand met de kuip. De accu's vertoonden een eenvormig brandbeeld, zonder aanwijzingen dat een bepaalde accu overmatig heftig had gereageerd of de brand had veroorzaakt. Ook in restanten van de acculader kon geen oorzaak worden bepaald.

(e) Na de brand werd geconstateerd dat de stekker van het verlengsnoer van de Rasmus in het stopcontact van de verdeelkast van de jachthaven stak.

De expert van Biesboer leidt uit de kortsluitsporen af dat de elektrische installatie aan boord tijdens de brand en de bluswerkzaamheden naar alle waarschijnlijkheid onder spanning heeft gestaan. De expert van Stekelenburg spreekt dat niet tegen, doch merkt op dat niet meer kon worden vastgesteld of een (eventuele) elektrische sluiting de oorzaak of het gevolg van de brand was. Voor een andere mogelijke technische oorzaak dan een elektrische werden geen aanwijzingen aangetroffen.

Niet blijkt dat de accu's met een massasleutel waren afgesloten van het elektrische circuit, dat er hoofdschakelaars waren die uitgeschakeld stonden of dat het elektrische systeem was voorzien van zekeringen.

(f) Een onderzoek naar de aanwezigheid of afwezigheid van sporen van braak of verbreking aan boord van de Rasmus kon vanwege de grote vernietiging door de brand niet meer worden uitgevoerd. Het haventerrein was zowel over land als over het water vrij eenvoudig te betreden. Enkele dagen vóór de brand zou de havenmeester een aantal diefstallen aan boord van jachten hebben bekeken. Er bevonden zich vele honderden schepen in de jachthaven, deels op bokken aan de wal, deels in het water aan de steigers; verdere bijzonderheden over de bedoelde diefstallen zijn niet meegedeeld.

(g) De conclusies van de experts komen erop neer dat de oorzaak van het ontstaan van de brand niet kan worden vastgesteld. Mogelijk was deze het gevolg van een technisch mankement in de elektrische installatie aan boord van de Rasmus, maar onvoorzichtigheid met vuur of brandstichting kan niet worden uitgesloten.

5.4

Voor winterstalling gold een overeenkomst tussen Muiderzand en [gedaagde sub 1]. Daarop was van toepassing het Havenreglement van Muiderzand. In artikel 7 van dit Havenreglement was onder meer bepaald:

"Tijdens de (overdekte) winterstallingsperiode is het niet toegestaan, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de havenexploitant/havenmeester

a. licht ontvlambare stoffen zoals gas, benzine, petroleum en cerosine aan boord te hebben of te gebruiken;

b. de (scheeps)verwarming te gebruiken

c. accus's aangekoppeld te laten (...)."

De rechtbank leest hierin geen beperking tot schepen die op een overdekte plaats zijn gestald. Op het terrein van Muiderzand bevond zich blijkbaar ook geen overdekte stalling.

5.5

Gelet ook op de onderlinge samenhang van deze regels, is het duidelijk dat deze regels zijn opgesteld vanwege de gevaren die aan de genoemde gedragingen zijn verbonden, in het bijzonder het ontstaan van brand. Deze regels hadden klaarblijkelijk de strekking om te voorkomen dat op het jachthaventerrein brand zou optreden doordat het aan die gedragingen verbonden gevaar zich zou verwezenlijken.

Ook los van deze bepaling kan als feit van algemene bekendheid bij jachteigenaren worden aangemerkt dat moet worden gewaakt voor brand aan boord en dat ter voorkoming van brand mede moet worden gezorgd dat geen kortsluiting kan ontstaan in het elektrische systeem en de daarop aangesloten toestellen. Daartoe kan onder meer dienen het afsluiten van de stroom bij vertrek. Eisers hebben dit geadstrueerd aan de hand van enkele producties.

Het niet afkoppelen van de accu's doch - integendeel - het op de walstroom aansluiten van ingeschakelde onderdelen van dat elektrische systeem van het schip en het vervolgens (voor langere tijd) aldus onbeheerd achterlaten van het schip is met die zorg niet in overeenstemming.

[gedaagde sub 1] heeft derhalve gehandeld in strijd met een zorgverplichting die strekte tot het voorkomen van brand.

5.6

Aan de thans gebleken feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank het vermoeden dat de brand aan boord van de Rasmus is ontstaan door een tekortkoming in het elektrische systeem, met name door kortsluiting. Aan te nemen valt dat deze tekortkoming tot brand kon leiden doordat er spanning op dat elektrische systeem stond, afkomstig van de walstroom en/of van de accu's.

5.7

Nu [gedaagde sub 1] een norm heeft overtreden die erop was gericht het optreden van brand te voorkomen en nu dit brandrisico zich heeft verwezenlijkt, kan tot op tegenbewijs worden aangenomen dat de brand en de schade die daarvan het gevolg was zijn veroorzaakt door de onzorgvuldige handelwijze van [gedaagde sub 1], zodat kan worden gesproken van schuld van de Rasmus.

5.8

Dat brand kon ontstaan door een tekortkoming in het onder spanning staande elektrische systeem, wijst erop dat het elektrische systeem en de aangesloten apparatuur op de Rasmus niet in orde waren en dat tevens sprake is van de verwezenlijking van een bijzonder gevaar dat in het leven is geroepen doordat de Rasmus niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen, hetgeen eveneens schuld van dat schip oplevert.

5.9

Verweerders zullen in de gelegenheid worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs.

5.10

Niet kan worden aangenomen dat personeel van de jachthaven ten behoeve van de Rasmus arbeid verrichtte toen het schip in de stalling op een bok stond en dat dit personeel uit dien hoofde verplicht was de stekker van het verlengsnoer naar het gestalde schip uit de verdeelkast te trekken of anderszins te zorgen dat er geen walstroom op het elektrische systeem van het schip stond, zoals op de avond van 24 februari 2003 wel het geval was. Dit kan derhalve niet leiden tot aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] (hiermee wordt geen oordeel gegeven over eventuele aansprakelijkheid van Muiderzand tegenover eisers).

5.11

Unigarant spreekt verweerders aan in de hoedanigheid van 'cascoverzekeraar' van de andere eisers, die door vergoeding van de onder de polissen gedekte schade in hun rechten jegens verweerders ([gedaagde sub 1]) is gesubrogeerd. De andere eisers hebben nog slechts een niet verzekerd bedrag aan eigen risico te vorderen.

5.12

Verweerders stellen (a) dat Unigarant als lid van het Verbond van Verzekeraars is gebonden aan de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 (hierna: BBr), (b) dat de tussen Unigarant en de andere eisers gesloten verzekering onder meer dekking bood tegen brandschade, zodat Unigarant moet worden aangemerkt als "brandverzekeraar" en deze verzekering als "brandverzekering" in de zin van de artt. 7.1 en 7.2 BBr, dan wel dat deze verzekering daarmee op één lijn is te stellen, en (c) dat dit betekent dat Unigarant ingevolge art. 1 BBr geen verhaal kan nemen op [gedaagde sub 1] en daarvan afstand heeft gedaan.

Eisers hebben deze stellingen gemotiveerd weersproken.

5.13

Art. 1 BBr bepaalt:"Brandverzekeraars zullen noch direct noch indirect verhaal nemen op particulieren die uitsluitend in hun particuliere hoedanigheid aansprakelijk zijn voor de door de brandverzekeraar uitgekeerde schade."

Art. 7.1 BBr luidt:"Brandverzekeraar De leden van het Verbond van Verzekeraars die in hun hoedanigheid van brandverzekeraar, terzake van de schadegebeurtenis een brandverzekering hebben gesloten."

In art. 7.2 BBr staat:"Brandverzekering Onder brandverzekering zijn de navolgende soorten verzekering te verstaan:

a. brandverzekering;

b. inbraakverzekering;

c. diefstalverzekering;

d. stormschadeverzekering;

[...]

i. brandverzekering, uitgebreid met dekking tegen andere gevaren dan brand;

j. verzekering van bedrijfsschade en andere indirecte schade, die het gevolg zijn van één van de hiervoor onder a. tot en met i. bedoelde gevaren;

k. alle andere soorten verzekering, die krachtens besluit van het sectorbestuur Schadeverzekering van het Verbond van Verzekeraars als behorend tot of verwant aan het brandverzekeringsbedrijf beschouwd dienen te worden."

Art. 3 aanhef en onder c luidt:"In afwijking van het onder [art.] 1. (...) bepaalde blijft het wettelijk recht van verhaal onbeperkt van toepassing (...) terzake van aanvaringsschade (...)".

5.14

Bij de uitleg van een regeling als de BBr moet vooral worden gelet op de bewoordingen ervan, gelezen in het licht van de gehele tekst en op de bijbehorende, voor derden toegankelijke toelichting, waarbij het gaat om de betekenis en eventuele bedoeling van de opstellers die daaruit naar objectieve maatstaven volgt.

In de toelichting op de BBr staat onder meer (Artikel 7):"Definities brandverzekeraar en brandverzekering De definitie benadrukt dat de verzekeraar moet handelen in de kwaliteit van brandverzekeraar en dat de verzekering daadwerkelijk een brandverzekering moet betreffen, volgens criteria die ten tijde van het tot stand komen van het BBR 1984

[de voorloper van de BBr] golden voor het lidmaatschap van de Vereniging van Brandassuradeuren in Nederland. Deze bedrijfsregeling ziet dus niet op verzekeraars die handelen in een hoedanigheid welke traditioneel tot een andere branche gerekend wordt, zoals motorrijtuigen-, transport of technische verzekeraars. De regeling ziet evenmin op verzekeringen waar het brandrisico onderdeel van de dekking kan zijn, maar die traditioneel niet tot de brandverzekering gerekend worden, zoals hagel-, CAR-, elektronica- en transportverzekeringen.

Een aparte glas- of kostbaarhedenverzekering valt niet onder de werking van dit besluit, omdat het geen brandverzekering is in de definitie die hier gegeven wordt. Echter een glas- of kostbaarhedendekking binnen een bestaande brandverzekering valt volgens punt i. van de definitie wel onder het begrip brandverzekering en daarmee onder de werking van dit besluit."

5.15

De door Unigarant met de andere eisers afgesloten verzekering was kennelijk - er is geen polis overgelegd - een 'watersportverzekering', die dekking bood tegen vele risico's, zoals wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde met of door het vaartuig veroorzaakt [aanvaringsschade], brand, zelfontbranding en brandblussing, ontploffing, storm, inbraak, diefstal, andere plotseling van buiten komende schadegebeurtenissen en de gevolgen van eigen gebrek of constructiefout.

5.16

Unigarant wijst nog op de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Art 15 aanhef en onder 6, 8 en 12 bepaalde:"Het schadeverzekeringsbedrijf wordt onderscheiden naar branches, die de volgende benamingen dragen en waartoe de daaronder vermelde risico's behoren. (...)

6. Casco zee- en binnenschepen: schaden aan zee- en binnenschepen. (...) 8. Brand en natuurevenementen: schaden aan zaken (met uitzondering van schaden, begrepen onder de branches (...) Casco zee- en binnenschepen (...)), wanneer deze zijn veroorzaakt door brand, ontploffing, storm of andere natuurevenementen (...) 12. Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen: aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van zee- en binnenschepen, aansprakelijkheden van de vervoerder daaronder begrepen."

Weliswaar is deze wet inmiddels vervallen, maar in de genoemde bepaling is niettemin een aanwijzing te vinden voor het traditionele onderscheid van verzekeringsbranches.

5.17

De rechtbank acht het niet duidelijk geworden dat de onderhavige watersportverzekering van Unigarant valt onder de BBr en dat Unigarant ingevolge de BBr niet gerechtigd is tot verhaal op [gedaagde sub 1] ter zake van de hier aan de orde zijnde brandschade.

Verweerders zullen dat dienen aan te tonen. Mogelijk zal een deskundigenbericht moeten worden ingewonnen.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen:

laat verweerders toe te bewijzen,

(a) dat de brand op de Rasmus niet is ontstaan door een tekortkoming in het onder spanning staande elektrische systeem, als nader aangegeven onder 5.6 tot en met 5.8,

(b) dat de tussen Unigarant en de andere eisers afgesloten verzekering valt onder de BBr en dat Unigarant krachtens de BBr niet gerechtigd is tot verhaal op [gedaagde sub 1] ter zake van de hier aan de orde zijnde schade;

bepaalt dat, indien partijen daartoe getuigen willen doen horen, het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr A.N. van Zelm van Eldik op een door deze in overleg met de procureurs nader vast te stellen tijdstip;

verzoekt de procureur van verweerders om binnen vier weken na de uitspraak van dit vonnis aan de rechter en de procureur van de wederpartij mee te delen of hij getuigen wil voorbrengen en om, in dat geval, opgave te doen van het aantal getuigen en van zijn verhinderdata en zo mogelijk die van de getuigen in de periode van februari tot en met mei 2008,

en verzoekt de procureur van eisers om, in dat geval, binnen twee weken na die opgave zijn eigen verhinderdata in dezelfde periode op te geven.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10.