Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7005

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
05-11-2007
Zaaknummer
241242 / HA ZA 05-1856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

trefwoorden:

bestuurdersaansprakelijkheid - onrechtmatige daad - persoonlijk verwijt - bewerkstelligd en/of toegelaten - nakoming van verplichtingen uit hoofde van een koopovereenkomst - onwil - stelplicht

inhoudsindicatie:

Als maatstaf geldt dat er sprake dient te zijn van een persoonlijk en voldoende ernstig verwijt om een bestuurder persoonlijk aansprakelijk te houden op grond van onrechtmatig handelen. In het geval van gedaagde sub 2. geldt dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld om het persoonlijk verwijt - zoals een nauwe betrokkenheid bij de overeenkomst - te kunnen onderbouwen. In het geval van gedaagde sub 1. geldt dat [eiseres] zal worden toegelaten tot het bewijs dat deze bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet zijn nagekomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2008, 178
JIN 2008/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 241242 / HA ZA 05-1856

Uitspraak: 10 oktober 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de rechtspersoon naar publiek recht POLITIE REGIO ROTTERDAM-RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. M.A.T. Schroots,

- tegen -

1. [X],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 1,

procureur mr. D.L.J. Martens,

en

2. [Y],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2,

niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als "PRR" respectievelijk "[X]" en “[Y]”,

hierna ook wel verder genoemd: “[X cs]”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 17 juni 2005 en de door PRR overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 5 oktober 2005, waarbij een comparitie van

partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 november 2005;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek, met producties;

- akte aan de zijde van PRR;

- de stukken van het op 3 mei 2005 ten verzoeke van PRR en ten laste van

[X] op de aan hem toebehorende onverdeelde helft van het recht van erfpacht op de onroerende zaak met daarop gebouwde gebouwen, staande en gelegen aan de […] te […], gelegde conservatoire beslag.

1.2 Tegen gedaagde sub 2. ([Y]) is verstek verleend.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 PRR is beschikt over een eigen dienst “zeehavenpolitie”. Deze dienst heeft in 2002 besloten haar vloot uit te breiden met een nieuwe, snelle boot. Zij heeft daartoe contact gezocht met “Toekomst Maritime B.V.” (hierna verder ook te noemen: “Toekomst Maritime”).

2.2 Enig aandeelhouder en bestuurder van Toekomst Maritime is de vennootschap

[Y & X] Beheer B.V., gevestigd te Vlaardingen (hierna verder ook te noemen: “[Y & X] Beheer”). De bestuurders van [Y & X] Beheer zijn [Y] en [X]

(hierna verder ook te noemen: “[X cs]”).

2.3 PRR en Toekomst Maritime hebben op 20 december 2002 een koopovereenkomst gesloten betreffende de koop en de levering van een boot, type Rigid inflatable,

7.5 mtr., kleur RAL 5002 (hierna verder ook te noemen: “de boot”).

Deze koopovereenkomst is tot stand gekomen naar aanleiding van een offerte van Toekomst Maritime van 9 december 2002. De koopprijs van genoemde boot bedroeg € 189.150,-- exclusief BTW.

Partijen zijn blijkens de offerte voorts nog het volgende overeengekomen:

Levertijd : circa 20 weken bij opdracht

Betaling : 30% bij opdracht

30% bij aanvang werkzaamheden

30% bij inbouw motor

10% bij aflevering

De levering van de boot diende derhalve plaats te vinden op of omstreeks 9 mei 2003.

2.4 Onder verwijzing naar de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft Toekomst Maritime bij facturen van 20 december 2002 (de eerste en de tweede termijn) en

van 1 mei 2003 (de derde termijn) driemaal een bedrag van € 56.745,--

[derhalve in totaal een bedrag van € 170.235,-- ] bij PRR in rekening gebracht,

welke bedragen door PRR aan Toekomst Maritime zijn voldaan.

2.5 Bij brief van 23 december 2003 heeft Toekomst Maritime aan PRR bericht dat de opgegeven levertijd niet was gehaald, omdat “de (Engelse) fabriek te lichtvaardig over de bevestiging (van de tube) had nagedacht en het resultaat was dat de tube niet goed bevestigd kon worden op de flange” en dat “hierna is geprobeerd de flange er af te zagen en een nieuwe flange te monteren, maar dat daarbij de boot licht getordeerd is”. Toekomst Maritime heeft vervolgens aangegeven dat “(..) toen is afgesproken dat er een geheel nieuwe hull gebouwd moest worden. (..) Het volgende is nu afgesproken met de fabriek in Engeland. De boot zal eind februari 2004 klaar zijn en dan hebben wij (Toekomst Maritime) nog circa 6 weken nodig hebben om deze bi j ons af te bouwen.(..)”.

2.6 Bij brief van 9 januari 2004 heeft PRR in reactie aangegeven dat, indien de afleverdatum van 1 april 2004 niet gehaald zou worden, er operationele problemen zouden ontstaan voor de Zeehavenpolitie.

2.7 Bij vonnis van deze rechtbank van 6 april 2004 zijn zowel Toekomst Maritime als haar bestuurder tevens enige aandeelhouder, de vennootschap [Y&X] Beheer BV, op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.

2.8 De door PRR bij Toekomst Maritime bestelde boot is niet geleverd.

2.9 PRR heeft haar vordering ingediend bij de curator in het faillissement van Toekomst Maritime, die deze voor een totaalbedrag van € 196.787,86 heeft opgenomen in de crediteurenlijst.

2.10 In het tweede faillissementsverslag, gedateerd 9 november 2004, heeft de curator het voornemen uitgesproken om het faillissement op korte termijn voor opheffing bij gebrek aan baten voor te dragen. Een uitkering aan concurrente en/of preferente schuldeisers is niet te verwachten.

3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zij gekweten, te veroordelen om aan PRR te voldoen een bedrag van € 195.474,52 met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft PRR aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Toekomst Maritime is ernstig tekort geschoten in de nakoming van haar

verplichtingen in de door haar gesloten overeenkomst met PRR tot levering van de boot. Deze wanprestatie levert, gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval, tevens een onrechtmatige daad op van het bestuur van Toekomst Maritime.

3.2 Het bestuur van Toekomst Maritime, vertegenwoordigd door [X], heeft een overeenkomst gesloten met PRR tot het bouwen en leveren van een boot, maar heeft kennelijk nooit de intentie gehad die overeenkomst na te komen.

Zij heeft geen uitvoering gegeven aan die overeenkomst en de uitvoering zelfs verhinderd door geen definitieve bestelling te plaatsen en deze te bevestigen bij de Engelse fabriek, Delta Power Services gevestigd te Cheshire (hierna verder ook te noemen: “Delta”), die het onderschip van de boot zou bouwen. Ook heeft zij de

levering van de motor voor de boot verhinderd door geen betaling te verrichten aan Volvo.

Ook overigens heeft [X cs] niets gedaan om spoedige aflevering van de boot aan PRR

te bevorderen, terwijl [X cs] ondertussen wel facturen aan PRR heeft laten zenden alsof reeds een aanvang met de bouw was gemaakt en alsof de motor in de – vergevorderde – boot was geplaatst.

Toekomst Maritime heeft zelfs nadrukkelijk en bewust in strijd met de waarheid aan PRR verklaard bij brief van 23 december 2003 dat met de bouw van de boot vertraging was ontstaan door fouten van de Engelse bouwer, terwijl zij wist dat met de aanvang van de bouw van de boot nog in het geheel geen aanvang was gemaakt.

3.3 Het bestuur van Toekomst Maritime heeft PRR bedrogen. Zij heeft PRR aanzienlijke sommen geld laten betalen, terwijl zij wist dat daar nooit een tegenprestatie tegenover zou komen te staan. Dit handelen van het bestuur van Toekomst Maritime en van [X cs] in persoon is onrechtmatig jegens PRR.

3.4 Het bestuur van Toekomst Maritime, [Y & X] Beheer, is een rechtspersoon. In geval van aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder rust die aansprakelijkheid tevens hoofdelijk op eenieder die van die rechtspersoon bestuurder was, in dit geval [X cs]. Ook om die reden is [X cs] privé jegens PRR aansprakelijk.

Bij repliek voegt PRR hieraan toe dat [X cs] ter zake persoonlijk een (zeer ernstig) verwijt treft, nu [X cs] jegens PRR heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en met dat handelen PRR schade heeft toegebracht.

3.5 De schade van PRR is gelijk aan de door haar aan Toekomst Maritime verrichte betalingen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betaling aan Toekomst Maritime. Daarnaast heeft PRR kosten moeten maken tot verhaal van haar vordering op [X cs]. Ook voor deze kosten is [X cs] aansprakelijk.

PRR heeft haar vordering als volgt gespecificeerd:

a. een hoofdsom van (3 x € 56.745,--) € 170.235,00

b. wettelijke rente (berekend tot 31 maart 2005) € 17.804,14

c. buitengerechtelijke incassokosten € 7.435,38

Totaal € 195.474,52

4 Het verweer van [X]

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van PRR in de kosten van het geding, met bepaling dat PRR deze kosten aan [X] dient te voldoen binnen

8 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan PRR de wettelijke rente over deze proceskosten verschuldigd is.

[X] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [X] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld. Hij betwist dat er tijdens het in rekening brengen van de eerste drie termijnen op enig moment zicht is geweest op een faillissement van Toekomst Maritime. [X] wist absoluut niet dat Toekomst Maritime haar verplichtingen uiteindelijk niet zou kunnen nakomen en dit is ook niet door PRR aangetoond.

4.2 Direct na het accepteren van de offerte door PRR op 20 december 2002 is Toekomst Maritime gestart met de werkzaamheden voor het realiseren van de boot. Na die datum heeft Toekomst Maritime materialen ingekocht en zijn de benodigde tekeningen vervaardigd. Dit is dan ook de reden geweest dat zij op 20 december 2002 zoals overeengekomen de eerste twee termijnen aan PRR in rekening heeft gebracht.

Betreffende de contacten met Delta, aan wie de bouw van het onderschip was uitbesteed, stelt [X] dat Toekomst Maritime de tekeningen zou vervaardigen, die Delta vervolgens zou implementeren in haar eigen systeem. Toekomst Maritime wenste pas een aanbetaling aan Delta te verrichten, zodra uit de door Delta geïmplementeerde tekeningen bleek dat alles in orde was. Een en ander bleek niet te kloppen. Onder meer was de flange-bevestiging van het onderschip aan de tube (het opblaasbaar gedeelte) onjuist. Delta heeft vervolgens het project voor zich uitgeschoven.

4.3 Toekomst Maritime heeft allerlei werkzaamheden verricht ten behoeve van de ‘inbouw van de motor’, waarbij het – kort gezegd – er om gaat alle voorbereidingen te treffen voor de plaatsing en de aansluiting van de motor. In april 2003 heeft [X cs] de voor het schip bestemde motor bij Volvo besteld. De motor diende bij afname te worden betaald. Aangezien met het inbouwen van de voorzieningen voor de motor door Toekomst Maritime een aanvang was gemaakt, was Toekomst Maritime gerechtigd om ook de derde termijn in rekening te brengen. Er was op dat moment geen reden aan te nemen dat het niet goed zou gaan met de vennootschap.

4.4 In april 2003 en in december 2003 is er door [X cs] privé nog een bedrag van respectievelijk € 45.000,-- en € 15.000,-- in Toekomst Maritime gestoken, zodat ook daaruit kan worden afgeleid dat er tijdens het in rekening brengen van de eerste drie termijnen geen enkel zicht is geweest op een faillissement van Toekomst Maritime.

4.5 [X] heeft met het bovenstaande voldoende aangetoond, dat hem niets te verwijten valt, althans dat er zeer zeker geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. Ook de curator in het faillissement van Toekomst Maritime heeft geen enkele reden gezien om [X cs] in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk aansprakelijk te stellen. [X cs] valt geen persoonlijk verwijt te maken.

4.6 [X] betwist voorts de verschuldigdheid en de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten.

5 De beoordeling

5.1 Een bestuurder van een vennootschap kan jegens een derde persoonlijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW wegens een specifiek jegens deze derde gepleegde onrechtmatige daad. Maatstaf voor deze persoonlijke aansprakelijkheid is

- volgens vaste jurisprudentie - of de bestuurder terzake een persoonlijk en voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

5.2 In de onderhavige zaak is aan de orde de vraag of [X cs] (hoofdelijk), als indirect bestuurder(s) van Toekomst Maritime, bij het aangaan van de in het geding zijnde koopovereenkomst, derhalve op 20 december 2002, wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat Toekomst Maritime deze koopovereenkomst niet of niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die PRR ten gevolge van deze wanprestatie zou lijden.

Is hiervan sprake dan geldt in het algemeen - behoudens door de bestuurder aan te voeren zijn handelswijze rechtvaardigende of verontschuldigende omstandigheden - dat moet worden aangenomen dat de bestuurder een zodanig verwijt treft dat hij persoonlijk jegens de wederpartij van de vennootschap aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen.

5.3 Ook dient beoordeeld te worden de vraag of [X cs], in de hoedanigheid van bestuurder(s) van Toekomst Maritime, heeft/hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Toekomst Maritime de koopovereenkomst niet is nagekomen en daardoor aan PRR schade heeft berokkend.

5.4 PRR heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat [X cs] (D-J. en/of [Y]) als indirect bestuurder van Toekomst Maritime ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst met PRR, derhalve op of omstreeks

20 december 2002, wist(en) of redelijkerwijze behoorde(n) te begrijpen dat

Toekomst Maritime deze overeenkomst niet of niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen. Ook is niet gesteld of gebleken dat ten tijde van het aangaan van voormelde koopovereenkomst het faillissement van Toekomst Maritime en [Y & X] Beheer te voorzien was geweest.

5.5 Zelfs indien er van uit gegaan zou worden dat de financiële omstandigheden van beide voornoemde ondernemingen niet rooskleurig zouden zijn geweest, moet voorop gesteld worden dat het in beginsel niet reeds onrechtmatig is indien de bestuurder van een onderneming, dit wetende, desondanks doorgaat met de bedrijfsactiviteiten in een poging het tij te keren dan wel door middel van die activiteiten de schuldenlast van die onderneming te verminderen of teniet doen gaan. Om te concluderen dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, dient er sprake te zijn van bijkomende omstandigheden, die voorzienbaar waren en op grond van die voorzienbaarheid aan die bestuurder kunnen worden tegengeworpen of voor zijn risico komen.

Ontbreekt immers die voorzienbaarheid dan kan aan de bestuurder geen verwijt gemaakt worden en komt daarmee de grondslag aan eventuele aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad van de bestuurder(s) van de vennootschap te ontvallen.

PRR heeft ook overigens in dit verband geen bijkomende omstandigheden gesteld, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat ten tijde van het sluiten van de tussen partijen gesloten overeenkomst voorzienbaar was dat Toekomst Maritime deze overeenkomst niet of niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen.

5.6 In het licht van het vorenstaande dient de onder 5.2 geformuleerde vraag naar het oordeel van de rechtbank ontkennend beantwoord te worden.

5.7 Voor de beantwoording van de onder 5.3 geformuleerde vraag dient eveneens te worden vastgesteld dat de bestuurder ter zake een persoonlijk en voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

5.8 Ten aanzien van de bestuurder [Y] (gedaagde sub 2) overweegt de rechtbank het navolgende.

Het algemene uitgangspunt is dat, als een gedaagde partij geen verweer heeft gevoerd, de vordering van de eisende partij in beginsel, voor zover deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, voor toewijzing vatbaar is. In dit verband is wel van belang dat het gestelde de vordering en het beoogde rechtsgevolg moet dragen.

Uit het voorliggend dossier en op grond van hetgeen door PRR is aangevoerd, concludeert de rechtbank dat niet [Y], maar zijn medebestuurder van de vennootschap [Y & X] Beheer, [X] (gedaagde sub 1), de onderhavige koop-/verkoopovereenkomst met PRR heeft gesloten, alsmede dat [Y] met de verdere afwikkeling van de overeenkomst geen enkele bemoeienis heeft gehad.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verwijt jegens [Y] dient te zijn dat hij alleen aansprakelijk is, indien hem een persoonlijk verwijt van de door PRR geleden schade kan worden gemaakt. Dat hij niet de onderhavige overeenkomst heeft gesloten, sluit zijn aansprakelijkheid niet uit, maar daartoe zijn wel bijzondere omstandigheden vereist. In ieder geval is vereist dat [Y] anderszins nauw bij de overeenkomst betrokken moet zijn geweest. De stelplicht omtrent de aanwezigheid van voormelde bijzondere omstandigheden - kort gezegd: de nauwe betrokkenheid - ligt bij PRR. PRR heeft echter niets, althans onvoldoende gesteld om het persoonlijke verwijt jegens [Y] te kunnen schragen.

Op grond van het vorenstaande dient de vordering van PRR jegens [Y] als onvoldoende gegrond te worden afgewezen. PRR zal - bij eindvonnis - als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [Y], met dien verstande dat, gelet op het feit dat geen verweer is gevoerd, deze kosten zullen worden begroot op nihil.

5.9 Ten aanzien van de bestuurder [X] (gedaagde sub 1, hierna verder ook te noemen: “[X]”) overweegt de rechtbank het volgende.

Als maatstaf geldt in dit verband dat weliswaar sprake kan zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van onrechtmatig handelen, maar dat het van de concrete omstandigheden van het geval zal afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden.

In het algemeen kan niet worden aanvaard dat een bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk schuldig maakt aan een onrechtmatige daad tegenover een schuldeiser, wanneer hij niet erop toeziet dat deze vennootschap tijdig haar financiële verplichtingen tegenover een schuldeiser nakomt. Een weigering van een bestuurder om een verbintenis na te komen kan echter onder bepaalde omstandigheden wel een onrechtmatige daad opleveren. Er dient dan bijvoorbeeld sprake te zijn van “onwil” (bijvoorbeeld: onwil tot betaling) of roekeloosheid.

Gelet op de betwisting door [X] (als vermeld onder 4.2 en 4.3), rust overeenkomstig het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op PRR de bewijslast van haar stellingen. In overeenstemming met het door PRR daartoe strekkende bewijsaanbod, zal zij worden toegelaten tot het bewijs dat [X], in de hoedanigheid van bestuurder van Toekomst Maritime, heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Toekomst Maritime de koopovereenkomst niet is nagekomen.

5.10 In afwachting van voormelde bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt PRR op te bewijzen dat [X], in de hoedanigheid van bestuurder van Toekomst Maritime, heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Toekomst Maritime de koopovereenkomst niet is nagekomen;

bepaalt dat indien PRR dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. E.J. Rutten;

bepaalt dat de procureur van PRR binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank

- sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden december 2007 tot en met maart 2008 en dat de procureur van [X] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

209 / 196