Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB7004

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
05-11-2007
Zaaknummer
276462 / HA ZA 07-151
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht - duurovereenkomst - opzegtermijn - beëindiging met wederzijds goedvinden - tegenbewijs. Een duurovereenkomst kan door opzegging tussentijds worden beëindigd. Als uitgangspunt hierbij dient te gelden dat beide partijen bevoegd zijn de overeenkomst op te zeggen, mits de contractuele opzegtermijn van één maand in acht genomen wordt. De stelling, dat partijen de onderhavige overeenkomst van opdracht met wederzijds goedvinden hebben beëindigd, acht de rechtbank voorshands bewezen, nu [eiseres] akkoord is gegaan met de beëindiging van de werkzaamheden van haar werknemer/directeur en met de beëindiging van de daarmee verband houdende opdracht zonder enige restrictie. [Eiseres] wordt in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 276462 / HA ZA 07-151

Uitspraak: 19 september 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[EISERES],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

advocaat mr. A. Schippers te ‘s-Gravenhage,

- tegen -

1. de vennootschap onder firma

BETUWELIJN COMBINATIE IMTECH GTI V.O.F.,

gevestigd te Ridderkerk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GTI INFRA B.V.,

gevestigd te Heijnenoord,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMTECH PROJECTS B.V.,

gevestigd te Gouda,

gedaagden,

procureur mr. R.P.L.H. Burger,

advocaat mr. P.H. Bos te Zoetermeer.

Partijen worden hierna aangeduid als "HEC" respectievelijk "BeCIG".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 8 januari 2007 en de door HEC overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 maart 2007, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 24 juli 2007;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door BeCIG overgelegde

verklaring van de heer [Y], projectdirecteur, van 23 april 2007.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 BeCIG heeft tot doel het ontwerpen, detailleren, vervaardigen, leveren, installeren,

in bedrijf stellen, bedrijfsvaardig opleveren en onderhouden van alle tunneltechnische

installaties (TTI) ten behoeve van de Betuwe lijn.

HEC geeft adviezen op het gebied van elektrotechniek en elektrotechnische

installaties en begeleidt installatieprojecten, alles in de ruimste zin.

De heer [X] (hierna ook verder te noemen: “[X]”) is directeur

van HEC.

2.2 Op 20 december 2005 hebben BeCIG en HEC een overeenkomst (“Inkooporder”) gesloten, waarbij HEC [X] aan BeCIG ter beschikking heeft gesteld als

‘lead engineer’/engineering manager om de voltooiing te begeleiden van een technische tunnelinstallatie (TTI cluster Sophia/Giessen) die deel uitmaakt van de Betuweroute.

Deze overeenkomst is door beide partijen aangemerkt als een overeenkomst van opdracht. In de overeenkomst staat onder meer vermeld:

“Inleen van [X] – Coördinator E/W

Overuren:

Ma.-Vr. : 100%

Za. : 100%

Zo. : 100%

(…) Zakelijke km’s: EUR 0,29 / km

Alle vermelde tarieven zijn: All-In en vast gedurende het project.

Facturatie kan alleen geschieden op basis van gewerkte uren en d.m.v. kopie van door BeCIG afgetekende urenstaat bij te sluiten.

Betalingstermijn: 42 dagen.

Contractduur: I.o.m. […]

Opzegtermijn: 1 maand.

Proefperiode: N.v.t.

(…)

Functiewijziging per 01-11-2005 : Manager ETB

Tariefswijziging per 01-11-2005 : EUR 68,00 (…).”

2.3 [X] heeft gedurende de periode van november 2005 tot en met 23 juni 2006 werkzaamheden verricht voor BeCIG.

2.4 Op vrijdag 16 juni 2006 heeft een fysieke confrontatie plaatsgevonden tussen [X], voornoemd, en de heer [Z] van BeCIG, onder wiens leiding het ‘centraal opleverteam’ stond.

2.5 Bij brief van 21 juni 2006 heeft de heer [Y], voornoemd, namens BeCIG aan HEC, ter attentie van de heer [X], het navolgende bevestigd:

“Gezien de reeds eerdere, maar zeker naar aanleiding van de gebeurtenissen van afgelopen vrijdag 16 juni en de daaruit ontstane, niet langer houdbare werksituatie is afgelopen vrijdag mondeling besproken en overeengekomen tussen u en de directie, dat u tot en met 23 juni 2006 al uw lopende werkzaamheden op professionele wijze binnen de BeCIG organisatie zal overdragen.

Dit betekent dat 23 juni 2006 uw laatste werkdag is in dienst van de BeCIG organisatie.

Uiteraard zullen wij [BeCIG] zorg dragen voor een correcte afhandeling van de eventuele financiële en administratieve verplichtingen tot en met 23 juni 2006.”

HEC is hiermee akkoord gegaan.

2.6 [X] heeft zijn werkzaamheden bij BeCIG overgedragen aan een ander en is op 23 juni 2006 van het werk vertrokken. Na 23 juni 2006 heeft [X] geen werk meer voor BeCIG verricht.

[X] is vervolgens aansluitend (te weten: met ingang van 26 juni 2006) werkzaamheden gaan verrichten in opdracht van Baas Telematica B.V., althans voor een vennootschap die deel uitmaakt van het TBI concern (hierna verder ook te noemen: “TBI Baas”). In dit verband heeft hij gedurende enige tijd werkzaamheden verricht bij het project Sophia/Giessen van BeCIG.

2.7 HEC heeft op 3 september 2006 aan BeCIG een factuur verzonden ter hoogte van

€ 12.947,20 met de omschrijving “Afwikkeling contract B003456, 1 maand opzegtermijn”.

2.8 Bij brief van 8 september 2006 heeft BeCIG deze factuur geretourneerd aan HEC onder vermelding dat het dienstverband met de heer [X] per 23 juni 2006 was beëindigd.

2.9 Bij brief van 10 september 2006 heeft HEC aan BeCIG een aangepaste factuur toegezonden (aangepast in die zin: “Uren volgens bijgaande getekende weeklijsten weeknummers 26, 27, 28 en 29”).

2.10 Bij brief van 15 september 2006 heeft BeCIG ook deze factuur aan HEC geretourneerd.

2.11 Bij brief van 30 oktober 2006 is BeCIG door de raadsman van HEC tot betaling gesommeerd en in gebreke gesteld.

2.12 Bij brief van 9 november 2006 heeft BeCIG de vordering tot betaling afgewezen.

3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden, hoofdelijk des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten,

te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van in totaal € 13.957,46,

met rente ex artikel 6:119 BW vanaf 27 november 2006 en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft HEC aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Uit hoofde van de overeenkomst tot opdracht is BeCIG aan HEC verschuldigd het loon van [X] over de opzegtermijn van één maand, nu ten onrechte geen rekening is gehouden met deze opzegtermijn en er geen sprake is van een gewichtige reden.

3.2 Vanwege het feit dat BeCIG niet aan haar verplichtingen voldoet, heeft HEC zich

genoodzaakt een advocaat in te schakelen. Deze kosten bedragen conform het

advies van de commissie Voorwerk II € 904,00.

3.3 Tevens vordert HEC de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 18 september 2006, zijnde 15 dagen na factuurdatum over het totaal verschuldigde bedrag.

3.4 HEC heeft haar vordering als volgt gespecificeerd:

- Loon over 160 uur à € 68,00 per uur + 19% BTW € 12.947,20

- Buitengerechtelijke kosten € 904,00

- Wettelijke rente tot 27 november 2006 € 106,26

Totaal € 13.957,46

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van HEC in de kosten van het geding.

BeCIG heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Primair is de vordering van HEC rechtens zonder grondslag. De overeenkomst is

met wederzijds goedvinden beëindigd per 23 juni 2006. BeCIG heeft aan haar financiële verplichtingen tot 23 juni 2006 voldaan, zodat HEC niets meer te vorderen heeft.

4.2 Subsidiair heeft BeCIG deze overeenkomst opgezegd en heeft BeCIG kunnen opzeggen zonder inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn, omdat van de zijde van BeCIG ernstige bezwaren waren gerezen tegen [X] en het vertrouwen in hem compleet was verdwenen.

Voorts hebben zich zodanige onvoorziene, niet in de overeenkomst verdisconteerde omstandigheden voorgedaan, die niet voor rekening van BeCIG komen en die van zo ernstige aard zijn dat HEC naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

4.3 Meer subsidiair leidt een onregelmatige opzegging van de zijde van BeCIG slechts tot schadeplichtigheid. HEC heeft geen schade geleden omdat [X] aansluitend op de beëindigingdatum zijn werkzaamheden heeft voortgezet bij TBI Baas.

4.4 BeCIG betwist voorts dat HEC buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, althans in die omvang.

5 De beoordeling

5.1 Niet is in geschil dat een “duurovereenkomst” als de onderhavige tussentijds door

opzegging kan worden beëindigd. Uit de tekst van de onderhavige overeenkomst

volgt dat partijen een opzegtermijn van één maand zijn overeengekomen.

Als uitgangspunt dient dan ook te gelden dat op basis van de onderhavige

overeenkomst beide partijen bevoegd zijn de overeenkomst op te zeggen, mits de

contractuele opzegtermijn van één maand in acht genomen wordt.

5.2 BeCIG beroept zich er op dat partijen - in afwijking van voormelde tussen partijen

overeengekomen opzegtermijn - de onderhavige overeenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd per 23 juni 2006.

Op BeCIG rust, gelet op de betwisting door HEC, overeenkomstig het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bewijslast van haar stellingen op dit punt.

5.3 De rechtbank acht voorshands bewezen - behoudens nader te bespreken tegenbewijs - de stelling van BeCIG, dat partijen de onderhavige overeenkomst van opdracht met wederzijds goedvinden hebben beëindigd per 23 juni 2006, nu HEC akkoord is gegaan met de beëindiging van de werkzaamheden van [X] en met de beëindiging van de daarmee verband houdende opdracht zonder enige restrictie.

De rechtbank heeft hierbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

- Onbetwist is dat op 16 juni 2006 een escalatie van de werksituatie heeft

plaatsgevonden na een fysieke confrontatie tussen de heren [X] en [Z], voornoemd.

- Onbetwist is voorts dat het de bedoeling van BeCIG was de contractuele relatie met

[X] te beëindigen uiterlijk per 23 juni 2006 en dat partijen het er over eens

waren dat de werksituatie van [X] bij BeCIG onhoudbaar was geworden.

BeCIG heeft dit vervolgens in haar brief van 21 juni 2006 aan HEC bevestigd en de

daaruit voortvloeiende afspraken medegedeeld.

- Niet is gesteld of gebleken dat HEC tegen deze gang van zaken of tegen (de inhoud

van) voormelde brief heeft geprotesteerd dan wel zich ondubbelzinnig en duidelijk

voor een ieder kenbaar heeft beroepen op de contractuele opzegtermijn als genoemd

in de tussen partijen gesloten overeenkomst (Inkooporder).

In dit verband wordt nog opgemerkt dat ook uit de eigen stellingen van HEC volgt

dat HEC akkoord was met de beëindiging van de werkzaamheden van [X] bij

BeCIG per 23 juni 2006.

- Vaststaat dat [X] na 23 juni 2006 geen werkzaamheden meer voor BeCIG

heeft verricht en dat hij aansluitend aan het werk is gegaan bij een derde

(TBI Baas).

- Bij brief van 30 oktober 2006 heeft de raadsman van HEC eveneens bevestigd

dat de opdracht per 23 juni 2006 is beëindigd.

5.6 Dat [X] aansluitend bij een derde (TBI Baas) aan het werk is gegaan en via deze derde vervolgens toch weer betrokken is geraakt bij het project van BeCIG ter realisatie van de technische tunnelinstallatie Sophia/Giessen, is in dit verband niet relevant en evenmin van belang voor de verdere beoordeling.

Hierbij wordt overwogen dat HEC namelijk niet, anders dan BeCIG stelt, een schadevergoeding vordert, maar er kennelijk van uit gaat dat de opzegging per 23 juni 2006 moet worden geconverteerd naar een beëindiging van de overeenkomst met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn.

5.8 Gelet op de betwisting door HEC en in overeenstemming met het door haar gedane bewijsaanbod, zal HEC in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van BeCIG dat partijen de onderhavige overeenkomst hebben beëindigd met wederzijds goedvinden per 23 juni 2006.

5.9 In het geval HEC zal slagen in het door haar te leveren tegenbewijs, overweegt de rechtbank om redenen van proceseconomie reeds thans dat de gestelde feiten en omstandigheden, zoals die uit het voorliggende dossier blijken, onvoldoende zijn om een dringende reden aan te nemen die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt dat BeCIG aan de opzegtermijn zou moeten worden gehouden.

In dat geval heeft de rechtbank nog behoefte aan nadere inlichtingen. Partijen worden verzocht zich bij akte na enquête uit te laten over de vraag wat zij destijds met de overeengekomen opzegtermijn hebben bedoeld: de overeenkomst spreekt namelijk over een opzegtermijn van één maand en niet een periode van 4 weken, zoals door HEC aan BeCIG is gefactureerd overeenkomstig de bij de factuur gevoegde weekoverzichten (week 26 tot en met 29).

Uit de stellingen van HEC leidt de rechtbank af dat zij bedoelt dat de opzegging op

16 juni 2006 tegen 23 juni 2006 wordt geconverteerd in een opzegging met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van een maand, zodat 17 juli 2006 als meest voor de hand liggende einddatum in aanmerking komt. In dat geval zou het gaan om de periode van week 25 tot en met week 28, waarbij week 25 al is voldaan. Daarentegen kan het ook zo zijn dat HEC heeft bedoeld te stellen dat zij altijd één maand extra dient mee te krijgen, zodat moet worden uitgegaan van een datum van beëindiging van de overeenkomst per 23 juli 2006, zijnde één maand na de beëindiging van de werkzaamheden van [X] per 23 juni 2006.

5.10 In afwachting van voormelde bewijslevering, houdt de rechtbank iedere verdere

beslissing aan.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt HEC op het tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van BeCIG dat partijen de onderhavige overeenkomst van opdracht met wederzijds

goedvinden hebben beëindigd per 23 juni 2006 – derhalve in afwijking van de tussen partijen contractueel overeengekomen opzegtermijn van één maand;

bepaalt dat indien HEC dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. E.J. Rutten;

bepaalt dat de procureur van HEC binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden november 2007 tot en met februari 2008 en dat de procureur van BeCIG binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

209 / 196