Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB6442

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
99-1920 / HA ZA 124814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatige daad; oude waardepapieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 99-1920 / HA ZA 124814

Uitspraak: 10 oktober 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Algemeen Rijksarchief, inmiddels genaamd Nationaal Archief),

zetelende te ‘s-Gravenhage,

eiser,

procureur mr. B.J.R. van Tongeren,

advocaat mr. W. Heemskerk te Den Haag,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. M.P.P.M. Weerts,

advocaat mr. I. van Rooij te Rotterdam.

Partijen blijven hierna aangeduid als "de Staat" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank van 11 januari 2001 (hierna: “het vonnis”) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 november 2004 (hierna: “het arrest”);

- processen-verbaal van de op 11 april 2005, 3 oktober 2005 en 7 februari 2006 gehouden getuigenverhoren;

- conclusie na enquête tevens akte houdende producties van [gedaagde];

- antwoordconclusie na enquête, tevens houdende wijziging van eis van de Staat, met producties;

- akte uitlating producties tevens houdende producties van [gedaagde];

- antwoordakte van de Staat, met een productie;

- akte uitlating producties tevens houdende producties van [gedaagde];

- antwoordakte van de Staat.

2 De verdere beoordeling

2.1 De rechtbank heeft de Staat toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid:

- dat de in bijlage 2 bij het vonnis onder 32 bedoelde stukken zich bevonden hebben in het archief van Jacob van Kal, inventarisnummer 24, bij het Algemeen Rijksarchief;

- dat de in bijlage 2 bij het vonnis onder 33 bedoelde stukken zich bevonden hebben in het Algemeen Rijksarchief;

- dat [gedaagde] de in bijlage 1 en 2 bij het vonnis bedoelde stukken heeft gestolen of verduisterd;

en heeft [gedaagde] toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid:

- dat de in bijlage 1 bij het vonnis onder 1 tot en met 27 en de in bijlage 2 bij het vonnis onder 28 en 29 bedoelde stukken zich niet bevonden hebben in het archief van de VOC, onder inventarisnummer 13827, bij het Algemeen Rijksarchief;

- dat het in bijlage 2 bij het vonnis onder 30 bedoelde stuk (verbeterd gelezen als hebbende volgnummer 96 in plaats van 69) zich niet bevonden heeft in het archief van de Raad der Koloniën, onder inventarisnummer 113, bij het Algemeen Rijksarchief;

- dat de in bijlage 2 bij het vonnis onder 31 bedoelde stukken zich niet bevonden hebben in het archief van Jacob van Kal, inventarisnummer 24, bij het Algemeen Rijksarchief.

2.2. Het gerechtshof heeft:

- het vonnis vernietigd voor zover daarbij aan de Staat een drietal bewijsopdrachten is verstrekt;

- het vonnis voor het overige bekrachtigd;

- de aan [gedaagde] bij het vonnis gegeven bewijsopdrachten aldus aangevuld dat hij tevens dient te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid:

- dat de in bijlage 2 onder 32 van het bestreden vonnis bedoelde stukken zich niet hebben bevonden in het archief van Jacob van Kal, inventarisnummer 24, bij het Algemeen Rijksarchief;

- dat de in bijlage 2 onder 33 bedoelde stukken zich niet hebben bevonden in het Algemeen Rijksarchief;

- dat [gedaagde] de in bijlage 1 en 2 bedoelde stukken niet heeft gestolen of verduisterd;

- de zaak ter uitvoering van de (aangevulde) bewijsopdracht aan [gedaagde] en ter verdere beoordeling en beslissing verwezen naar deze rechtbank.

2.3. Het komt de rechtbank praktisch voor de bewijsopdrachten, zoals deze na het arrest luiden, genummerd weer te geven. [gedaagde] is - uiteindelijk - toegelaten tot tegenbewijs tegen de voorshands voldoende aannemelijk geachte stellingen:

1. dat de in bijlage 1 bij het vonnis onder 1 tot en met 27 en de in bijlage 2 bij het vonnis onder 28 en 29 bedoelde stukken zich bevonden hebben in het archief van de VOC, onder inventarisnummer 13827, bij het Algemeen Rijksarchief;

2. dat het in bijlage 2 bij het vonnis onder 30 bedoelde stuk (verbeterd gelezen als hebbende volgnummer 96 in plaats van 69) zich bevonden heeft in het archief van de Raad der Koloniën, onder inventarisnummer 113, bij het Algemeen Rijksarchief;

3. dat de in bijlage 2 bij het vonnis onder 31 en 32 bedoelde stukken zich bevonden hebben in het archief van Jacob van Kal, inventarisnummer 24, bij het Algemeen Rijksarchief.

4. dat de in bijlage 2 bij het vonnis onder 33 bedoelde stukken zich bevonden hebben in het Algemeen Rijksarchief;

5. dat [gedaagde] de in bijlage 1 en 2 bij het vonnis bedoelde stukken heeft gestolen of verduisterd.

2.4. [gedaagde] heeft als getuigen doen horen de heren [K], [R], [B], [D], [S], zijn echtgenote mevrouw […] en zichzelf. Voorts heeft [gedaagde] stukken in het geding gebracht, waaronder het rapport van 6 september 2006 van een in zijn opdracht door ing. J.J.A. Maat van TNO verricht onderzoek aan lakzegels in een obligatieboek uit het archief van Jacob van Kal (productie 24 bij conclusie na enquête).

2.5. De Staat heeft afgezien van contra-enquête.

Ad 1. De herkomst van de in bijlage 1 onder 1 tot en met 27 en in bijlage 2 onder 28 en 29 bedoelde stukken (gecancelleerde VOC-obligaties en recepisses daarvan)

2.6. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent is overwogen in het vonnis onder 5.3.1 en 2.10 en in het arrest onder 5 en 6.

2.7. Het in bijlage 1 onder 21 bedoelde stuk is afgebeeld in de boeken "de geschiedenis der Nederlanden” en "de geschiedenis van de VOC", met in beide boeken de vermelding: Algemeen Rijksarchief, Den Haag, archief VOC, inv.nr. 13827 (zie het vonnis onder 2.10). De rechtbank heeft op grond van dat feit aannemelijk geacht dat het genoemde stuk zich in het pak met inventarisnummer 13827 heeft bevonden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de andere in bijlage 1 bedoelde stukken en de in bijlage 2 onder 28 en 29 bedoelde stukken soortgelijke gecancelleerde obligaties of recepisses daarvan zijn die vallen onder de omschrijving van het pak met inventarisnummer 13827 en dat op 22 november 1994 bij huiszoeking in een bankkluis van [gedaagde] kopieën zijn aangetroffen van de in bijlage 1 bij het vonnis genoemde door de VOC uitgegeven gecancelleerde obligaties en recepisses van obligaties, alsmede dat in die bankkluis twee originele door de VOC uitgegeven en gecancelleerde obligaties zijn aangetroffen. Gelet op die en diverse bijkomende omstandigheden, een en ander als in het vonnis onder 5.3.1 nader omschreven, heeft de rechtbank voorshands voldoende aannemelijk geacht dat genoemde stukken zich bevonden hebben in het archief van de VOC, onder inventarisnummer 13827, bij het Algemeen Rijksarchief, waarna [gedaagde] is toegelaten tot tegenbewijs.

2.8. Uit hetgeen de getuigen hebben verklaard en uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt niet van feiten of omstandigheden die het vermoeden dat de rechtbank ontleent aan de in het vonnis genoemde vaststaande feiten ontkrachten. Weliswaar staat vast dat enkele exemplaren van de op de lijst voorkomende obligaties in het recente verleden op veilingen te koop zijn aangeboden en/of zijn verhandeld, maar daaruit volgt niet dat die stukken een andere herkomst hebben dan het Algemeen Rijksarchief. De rechtbank zal dit aspect nader behandelen bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] is geslaagd in het tegenbewijs dat hij de in bijlage 1 en 2 bij het vonnis bedoelde stukken niet heeft gestolen of verduisterd

2.9. [gedaagde] is niet geslaagd in het tegenbewijs.

Ad 2. De herkomst van het in bijlage 2 onder 30 bedoelde stuk (een akte van transport van de West Indische Compagnie)

2.10. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent is overwogen in het vonnis onder 5.3.2.

2.11. [gedaagde] heeft als getuige verklaard dat hij volgens de bezoekersadministratie weliswaar het relevante inventarisnummer 113 betreffende het archief van de Raad van Koloniën bij het Algemeen Rijksarchief heeft ingezien, hetgeen volgens hem best zou kunnen, maar dat hij daar geen concrete herinnering aan heeft. Nadat [gedaagde] er van de zijde van de Staat op is gewezen dat een ander origineel stuk uit hetzelfde archief van de Raad van Koloniën met nummer 92 onder hem in beslag is genomen, heeft hij verklaard zich niet kunnen herinneren hoe hij aan dat stuk is gekomen.

2.12. Overigens hebben de getuigen hieromtrent geen relevante mededelingen gedaan.

2.13. [gedaagde] is niet geslaagd in het tegenbewijs.

Ad 3. De herkomst van de in bijlage 2 bij het vonnis onder 31 en 32 bedoelde stukken (twee obligaties in Chinese karakters respectievelijk veertien in het Nederlands gestelde obligaties, alle van Jacob van Kal)

2.14. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent is overwogen in het vonnis onder 5.3.3 en in het arrest onder 7 en 32.

2.15. De zestien obligaties zouden zich hebben bevonden in het Algemeen Rijksarchief, in het archief van Jacob van Kal, in een obligatieboek dat in een inventarislijst uit 1978 als volgt is omschreven (productie 27 bij conclusie van eis):

“24. Obligatieboek met inliggend 3 losse obligaties en een authentiek afschrift van een transportakte, 1791-1792. 1 deel en 4 stukken.

N.B. Vijf obligaties in het Chinees.”

2.16. Uit de omschrijving blijkt niet hoeveel obligaties in totaal (los of bevestigd) in het boek aanwezig waren, toen die omschrijving werd gemaakt. Vast staat dat in het obligatieboek nog steeds aanwezig zijn: de drie losse obligaties (in Chinese karakters) en twee vaste obligaties in de Nederlandse taal.

2.17. De rechtbank heeft voorshands voldoende aannemelijk geacht dat de in bijlage 2 onder 31 bedoelde stukken, twee obligaties in Chinese karakters, voordat deze werden vermist, zich bevonden hebben in het archief van Jacob van Kal, bij het Algemeen Rijksarchief. Het hof heeft voorshands voldoende aannemelijk geacht dat ook de in bijlage 2 onder 32 bedoelde veertien in het Nederlands gestelde obligaties zich in dat archief bevonden hebben.

2.18. [gedaagde] heeft TNO Industrie en Techniek verzocht om vast te stellen of uit het obligatieboek eerder of later dan 1990 een aantal, met behulp van lakzegel bevestigde, Chinese obligaties zijn verdwenen. Het obligatieboek is daartoe door het Algemeen Rijksarchief aan TNO ter beschikking gesteld. Het op 6 september 2006 naar aanleiding van het verrichte onderzoek opgestelde TNO-rapport (productie 24 bij conclusie na enquête) vermeldt als conclusie dat de obligaties minimaal 25 jaar geleden, derhalve vóór 1981, uit het obligatieboek zijn verwijderd.

2.19. Bij antwoordconclusie na enquête onder 5.6 stelt de Staat dat TNO de lakzegels waarmee de Chinese obligaties waren ingeplakt niet heeft onderzocht. Voor het overige heeft de Staat geen inhoudelijke bezwaren tegen het TNO-rapport aangevoerd.

2.20. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de resultaten van het onderzoek door TNO, geen gronden meer bestaan die kunnen rechtvaardigen dat bewezen wordt geacht dat de zich niet meer in het obligatieboek van Jacob van Kal bevindende obligaties daaruit na 1981 zijn weggenomen. De stelling van de Staat dat TNO de lakzegels waarmee de Chinese obligaties waren ingeplakt niet heeft onderzocht, is door de Staat niet gemotiveerd. Deze stelling komt de rechtbank onaannemelijk voor. De aan TNO verstrekte opdracht had immers juist betrekking op de Chinese obligaties. Bovendien hield de voorshands bewezen geachte stelling van de Staat in dat niet alleen twee Chinese obligaties, maar ook veertien in het Nederlands gestelde obligaties na 1989 (door [gedaagde]) uit het obligatieboek zijn weggenomen. Uit de resultaten van het onderzoek door TNO volgt dat die stelling niet juist kan zijn. Uit louter de omschrijving van het obligatieboek op de inventarislijst uit 1978 kan in deze omstandigheden ook niet worden afgeleid dat zich na 1980 nog vijf obligaties in het Chinees in het obligatieboek van Van Kal bevonden (waarvan er twee door [gedaagde] zouden zijn weggenomen).

2.21. [gedaagde] is geslaagd in het tegenbewijs.

Ad 4. De herkomst van de in bijlage 2 bij het vonnis onder 33 bedoelde stukken (twee obligaties van de kamer Rotterdam van de VOC; een op 23 juli 1653 uitgegeven aan Pieter Sonmans (hierna: obligatie-Sonmans) en een op 30 augustus 1653 uitgegeven aan Isaac Hochepied (hierna: obligatie-Hochepied))

2.22. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent is overwogen in het vonnis onder 5.3.4 en in het arrest onder 8 en 32.

2.23. In de visie van de Staat hebben beide obligaties deel uitgemaakt van het onder het Nationaal Archief berustende VOC-archief, onder inventarisnummer 14303.

2.24. [gedaagde] wijst er bij conclusie na enquête onder 58 op dat het archief van de VOC de volgende omschrijving vermeldt van inventarisnummer 14303: "kwitanties voor ontvangen rente op obligaties, uitgegeven door de kamer Rotterdam 1654-1656, 1 pak". Nu de twee stukken dateren uit 1653 en de omschrijving het woord kwitanties en niet het woord obligaties gebruikt, acht [gedaagde] het niet aannemelijk dat deze stukken zich bevonden hebben in het Nationaal Archief.

2.25. De Staat stelt dat de stukken zijn geïnventariseerd op uitbetalingsdatum. Uit de obligatie-Hochepied blijkt dat deze op 30 augustus 1654 is uitbetaald, waarna Hochepied de binnenkant voor ontvangst heeft ondertekend. De obligatie-Sonmans voorzag eveneens in uitbetaling na 12 maanden. Dit verklaart in de visie van de Staat de wijze van archivering: de stukken werden na uitbetaling en ondertekening als kwitanties achtergelaten bij het betreffende VOC-kantoor. [gedaagde] heeft hier bij akte uitlating producties van 31 januari 2007 onder 48 nog op gereageerd, maar heeft deze toelichting van de zijde van de Staat niet voldoende gemotiveerd weersproken.

2.26. De rechtbank acht de toelichting van de zijde van de Staat overtuigend. De van de obligaties deel uitmakende kwitanties zijn te herleiden tot de periode die in de omschrijving bij het inventarisnummer is vermeld. Aannemelijk is dat de stukken, nadat Hochepied en Sonmans waren uitbetaald en de kwitanties hadden getekend, onder de VOC bleven rusten en - evenals de gecancelleerde obligaties - deel zijn gaan uitmaken van het tegenwoordig onder het Algemeen Rijksarchief berustende VOC-archief.

2.27. [gedaagde] is niet geslaagd in het tegenbewijs.

Ad 5. De diefstal of verduistering van de in bijlage 1 en 2 bij het vonnis bedoelde stukken

2.28. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent is overwogen in het arrest onder 9 tot en met 28 en 32.

2.29. Voor wat betreft de in bijlage 2 onder 31 en 32 genoemde stukken (obligaties van Jacob van Kal) is [gedaagde] geslaagd in het tegenbewijs.

2.30. Gelet op de uitkomst van het onderzoek door TNO bestaan er geen gronden meer om voorshands bewezen te achten dat de zich niet meer in het obligatieboek van Jacob van Kal bevindende obligaties daaruit na 1980 zijn weggenomen. De Staat heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde] de obligaties dan mogelijk al voor 1981 uit het obligatieboek heeft weggenomen, maar die stelling is niet onderbouwd. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] het obligatieboek voor 1981 heeft ingezien en daaruit obligaties heeft weggenomen. In dit verband is ook van belang dat geen van de in het obligatieboek ontbrekende obligaties in origineel of in kopievorm is aangetroffen onder [gedaagde] en/of onder derden.

2.31. Voor wat betreft de overige stukken is [gedaagde] niet geslaagd in het tegenbewijs. Uit de verklaringen van de op verzoek van [gedaagde] gehoorde getuigen en uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt niet van feiten of omstandigheden die meebrengen dat niet (meer) voldoende bewezen kan worden geacht dat [gedaagde] die stukken heeft gestolen of verduisterd. De rechtbank zal dit oordeel hierna toelichten.

2.32. Dat denkbaar is dat een ander of anderen dan [gedaagde] stukken uit het Algemeen Rijksarchief heeft/hebben gestolen of verduisterd, verklaart niet de veelheid uit het Algemeen Rijksarchief afkomstige stukken die als origineel of in kopievorm onder [gedaagde] zijn aangetroffen. [gedaagde] is er niet in geslaagd een redelijke verklaring te verstrekken voor de wijze waarop hij die stukken in zijn bezit heeft gekregen.

2.33. [gedaagde] heeft als getuige verklaard in totaal over zo'n zes tot acht stukken van de VOC te hebben beschikt. Die zou hij bij twee verschillende aankopen hebben gekocht. Een eerste transactie betrof 3 à 4 stukken uit de periode 1621-1623 die hij rond 1990 kocht op de jaarbeurs te Utrecht. Een stuk of drie van die stukken waren gecancelleerde stukken. Bij de aanschaf zou een getuige aanwezig zijn geweest.

2.34. De door [gedaagde] bedoelde getuige, [S], is gehoord. [S] heeft verklaard dat [gedaagde] hem een keer op de jaarbeurs Utrecht oude documenten toonde waarvan hij vertelde dat hij die zojuist had gekocht. Dit betrof 4 tot 5 documenten op A4-formaat en 10 à 11 documenten op A5-formaat. De laatste stonden vol letters met strepen erdoor en als je de tekst las kon je zien dat het VOC-stukken betrof. Ook de stukken op A4-formaat waren in de beleving van [S] VOC-stukken. [gedaagde] zou [S] over de getoonde stukken hebben medegedeeld dat de stukken een paar honderd gulden per stuk waard waren.

2.35. Uit de verklaring van [S] blijkt dat hij niet aanwezig is geweest bij de door [gedaagde] gestelde transactie. Verder valt op dat het volgens [gedaagde] om 3 à 4 VOC-stukken ging, terwijl [S] het over een veel groter aantal heeft, 14 tot 16 VOC-stukken. De waarde die [gedaagde] aan [S] zou hebben genoemd, strookt bovendien niet met de werkelijke waarde van betreffende stukken. In de zeer uitvoerige conclusie na enquête van [gedaagde] en in de daarna nog genomen aktes ontbreekt een verklaring voor deze discrepanties.

2.36. Over de tweede transactie waarbij [gedaagde] VOC-stukken zou hebben verworven, heeft [gedaagde] als volgt verklaard:

“De tweede transactie betreft naar mijn herinnering een keer dat ik werd gebeld door iemand die stukken aanbood. Dat kwam destijds veelvuldig voor. We adverteerden veel. In een dergelijk geval spreek je ergens af met de potentiële verkoper. Concreet kan ik mij de transactie niet herinneren. Deze transactie betrof de resterende VOC stukken, omstreeks vier, naar mijn herinnering uit de periode 1739-1748. Ook hier weet ik niet precies wat ik voor de stukken heb betaald. Destijds betaalde ik niet zoveel. Ik schat omstreeks nlg. 600,-voor de stukken tezamen. Ik weet niet welke van de twee transacties eerder heeft plaatsgevonden. Er heeft niet zoveel tijd tussen gezeten. In ieder geval geen jaren. De tweede transactie betrof langere stukken die ook wel recepissen worden genoemd.

Voor beide transactie geldt dat het zou kunnen dat het stukken van de lijst betreft, maar het zou ook kunnen van niet.”

2.37. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat [gedaagde] zo weinig concrete herinnering heeft aan dergelijke voor hem uiterst lucratieve transacties. Nu [gedaagde] als professioneel handelaar in oude waardepapieren volgens zijn verklaring slechts tweemaal enkele VOC-stukken heeft kunnen kopen, is niet goed te verklaren dat [gedaagde] omtrent die transacties slechts zeer globale oncontroleerbare informatie kan verstrekken. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat [gedaagde] zich - in ieder geval nadat hij door De Staat in een procedure werd betrokken - niet heeft verdiept in de vraag of de door hem gekochte VOC-stukken wel of niet stukken van de door de Staat opgestelde lijst betroffen.

2.38. Omtrent de in zijn kluis aangetroffen kopieën van bij het Algemeen Rijksarchief verdwenen stukken heeft [gedaagde] als getuige als volgt verklaard:

“De in kopie in mijn kluis aangetroffen stukken betreffen kopieën die ik heb verkregen tezamen met de door mij gekochte stukken. Als mr. Heemskerk mij voorhoudt dat het kopieën betrof van beide soorten stukken, dan neem ik aan dat bij beide aankopen kopieën van stukken waren gevoegd. Naar mijn herinnering heb ik niets op die kopieën geschreven. Ik herinner me niet dat ik het initialen of woorden of data op heb geschreven. Ik zou mij kunnen voorstellen dat ik er data op zou schrijven, bijvoorbeeld als door mij was gezien dat een dergelijk stuk in origineel op een veiling was aangeboden. Ik ben altijd benieuwd waar dergelijke stukken opduiken. Ik kan me echter niet concreet herinneren dat soort notities te hebben gemaakt. Daarvoor is het te lang geleden.”

2.39. De verklaring van [gedaagde] omtrent de in zijn kluis aangetroffen kopieën van bij het Algemeen Rijksarchief verdwenen stukken, is niet controleerbaar en niet logisch. Het ligt niet in de rede dat [gedaagde] bij de door hem gestelde transacties behalve enkele waardepapieren ook een groot aantal kopieën van waardepapieren zou hebben verkregen. [gedaagde] heeft daarvoor ook geen logische verklaring verstrekt. Veeleer is een logische verklaring voor het in de kluis van [gedaagde] aangetroffen zijn van die kopieën (en enkele originelen) dat [gedaagde] kopieën bewaarde van de stukken waar hij de originelen van in zijn bezit had gehad en dat hij na verkoop van het origineel op de daarvan gemaakte kopie notities maakte omtrent de datum waarop en/of de persoon (bijvoorbeeld initialen) waaraan hij het origineel had verkocht.

2.40. Getuige [D] heeft verklaard dat hij tussen 1989 en 1990 op een ruilbeurs te Amsterdam van de heer [van A] voor een relatief beperkt bedrag een stuk heeft gekocht dat is uitgegeven door de Kamer Rotterdam van de VOC op 23 juli 1653. Een kopie van het stuk heeft de getuige ter zitting overgelegd en is aan het proces-verbaal gehecht. Omstreeks 1995 zou [D] dat stuk in Duitsland hebben verkocht. Het door [D] overgelegde stuk is een kopie van de obligatie-Sonmans. De verklaring van [D] zou erop kunnen wijzen dat een op bijlage 2 vermeld stuk al in 1989/1990 werd verhandeld zonder dat [gedaagde] daar op enigerlei wijze bij betrokken was. Bij antwoordconclusie na enquête onder 2.3 heeft de Staat echter gesteld - en met bewijsstukken onderbouwd - dat [gedaagde] de obligatie-Sonmans op 31 januari 2002 voor fl. 70.000,00 heeft verkocht aan de heer [H]. Bij akte uitlating van 31 januari 2007 onder 26 heeft [gedaagde] vervolgens aangevoerd dat de obligatie-Sonmans in beslag is genomen bij de huiszoeking in november 1994 en dat [gedaagde] het stuk op 9 oktober 2000 weer heeft ontvangen van de politie. [gedaagde] heeft deze stelling onderbouwd door als productie 6 bij de genoemde akte een specificatie over te leggen van de inhoud van een doos met waardepapieren, afkomstig van de inbeslagname uit zijn kluis, welke waardepapieren op 9 oktober 2000 door de Regiopolitie Amsterdam Amstelland aan [gedaagde] teruggegeven zijn. Nummer 16 op die lijst is een VOC-obligatie, met kenmerken: "ƒ 3400, Rotterdam 1653", welke kenmerken overeenkomen met die van de obligatie-Sonmans.

2.41. Uit de door [gedaagde] verstrekte informatie blijkt dat de verklaring van [D] niet juist is. Het is onmogelijk dat [D] over de obligatie-Sonmans heeft beschikt, en deze omstreeks 1995 in Duitsland heeft verkocht (aan een hem niet bekende koper), terwijl hetzelfde stuk in november 1994 onder [gedaagde] in beslag is genomen, waarna het onder beslag is gebleven tot het op 9 oktober 2000 door de politie werd teruggegeven aan [gedaagde].

2.42. Als verklaring voor de geconstateerde onjuistheden in de verklaring van [D] voert [gedaagde] in zijn akte van 31 januari 2007 onder 29 aan dat [D] zich vergist heeft en dat het heel goed mogelijk is dat [D] niet de juiste kopie heeft meegenomen naar het getuigenverhoor. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig. [D] heeft als getuige heel specifiek verklaard over de enige VOC-obligatie die hij - volgens zijn verklaring - in zijn bezit had gehad. Hij verklaarde dat hij daarvan nog slechts een kopie bezat omdat hij het origineel omstreeks 1995, in een periode dat het minder goed ging met de beurs, heeft moeten verkopen. Het is uiterst onaannemelijk dat [D] vervolgens een kopie van een andere obligatie - waarvan hij het origineel nooit in zijn bezit heeft gehad - zou meenemen naar het getuigenverhoor.

2.43. Uit de stelling van [gedaagde] dat de obligatie-Sonmans onder hem in beslag is genomen en later aan hem is geretourneerd, blijkt voorts de onjuistheid van zijn verklaring als getuige dat de twee obligaties van de kamer Rotterdam in München zijn gevonden en niet bij hem. De Staat heeft er bij antwoordconclusie na enquête onder 5.7 ter opheldering van het op dit punt ontstane misverstand op gewezen dat niet juist is dat betreffende obligaties in München zijn aangetroffen. Het overzicht van "aangetroffen stukken, te herleiden tot archieven", dat door de Staat als productie 22 bij conclusie van eis is overgelegd, achter een verslag van een dienstreis van de heer [X] van het Algemeen Rijksarchief naar München, heeft betrekking op de kluisinhoud van [gedaagde] en niet op in München aangetroffen stukken. [gedaagde] heeft deze uitleg in zijn na de antwoordconclusie na enquête nog genomen uitvoerige akten niet weersproken.

De schade.

2.44. Bij antwoordconclusie na enquête, tevens houdende wijziging van eis heeft de Staat zijn vordering aangepast in die zin dat de Staat thans vordert - kort gezegd - [gedaagde] bij vonnis, uitvoer bij voorraad, te veroordelen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.190.000,00 met rente en kosten. Nu [gedaagde] tegen de wijziging van eis geen bezwaar heeft gemaakt, zal de rechtbank op de gewijzigde eis recht doen.

2.45. [gedaagde] is uit onrechtmatige daad jegens de Staat aansprakelijk voor de schade die de Staat heeft geleden doordat voor de Staat verloren zijn gegaan de stukken die zijn genoemd op de bijlagen 1 en 2 bij het vonnis onder 1 tot en met 30 en 33.

2.46. Voor wat betreft de omvang van zijn schade beroept de Staat zich op een rapport van 29 juni 2005 van de heer [H] van Antiquariaat Forum B.V. (productie 25 bij conclusie na enquête). [gedaagde] heeft daartegenover gesteld een rapport van december 2005 van de in deze procedure ook als getuige gehoorde heer [R] (eveneens overgelegd als productie 25 bij conclusie na enquête).

2.47. [H] begroot de waarde van de op bijlage 1 en 2 genoemde stukken - inclusief de stukken onder de nummers 31 en 32 - op € 1.190.000,00. [R] begroot de waarde op € 242.000. Beiden hebben deze schatting in hun rapport per stuk gespecificeerd.

2.48. De rechtbank acht de bij de taxatie door [H] behorende motivatie overtuigend. Hierbij komt belangrijk gewicht toe aan de door [H] aangehaalde referenties. Deze ontbreken in de bij de taxatie van [R] behorende motivatie. Aan de door [H] genoemde referenties kan worden toegevoegd de transactie van 31 januari 2002 tussen [gedaagde] en Homburg, waarbij de obligatie-Sonmans, nummer 33 van bijlage 2 bij het vonnis, door [gedaagde] aan Homburg werd verkocht voor een bedrag van fl. 70.000,00 (€ 31.764,62). [R] heeft deze obligatie getaxeerd op € 5.000,00. [H] heeft deze obligatie getaxeerd op € 15.000,00.

2.49. De referenties duiden op aanmerkelijk hogere waarden dan zijn vermeld in het rapport van [R]. Het rapport van [H] is meer in overeenstemming met de uit de referenties af te leiden waarden. De rechtbank ziet geen aanleiding om zich omtrent de waarde van de voor de Staat verloren gegane stukken nader door een of meer andere deskundigen te doen voorlichten.

2.50. Nu de door de Staat geleden schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de rechtbank deze schatten. De rechtbank schat de schade, met inachtneming van de taxatiebedragen als vermeld in de specificatie in het rapport van [H], op (€ 1.190.000 - 2 * € 15.000 - 14 * € 15.000=) € 950.000,00. De wettelijke rente over dat bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum waarop dit vonnis wordt gewezen.

Proceskosten

2.51. Gelet op de uitkomst van deze procedure kan [gedaagde] worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Voor wat betreft de beslissing over de proceskosten acht de rechtbank echter tevens het volgende van belang. [gedaagde] heeft in overleg met de Staat, op kosten van [gedaagde], een uiterst kostbaar deskundigenonderzoek door TNO laten uitvoeren. Slechts op die wijze kon [gedaagde] de onjuistheid aantonen van stellingen van de Staat op grond waarvan voorshands bewezen werd geacht dat [gedaagde] (ook) de in bijlage 2 onder 31 en 32 genoemde stukken heeft gestolen of verduisterd. Nu [gedaagde] in zoverre is geslaagd in het tegenbewijs, zijn partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld en ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

3 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Staat te betalen een bedrag van € 950.000,00 (zegge: negenhonderdvijftigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf 10 oktober 2007 tot aan de dag der voldoening;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729