Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB6441

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
240114 / HA ZA 05-1665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging overeenkomst van opdracht met administratiekantoor nadat deze vele jaren heeft voortgeduurd. Gefixeerde schadevergoeding bij onregelmatige opzegging? Rekening en verantwoording ter beoordeling van de hoogte van de facturen over de afgelopen vijf jaren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 240114 / HA ZA 05-1665

Uitspraak: 3 oktober 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de maatschap MAATSCHAP ADMINISTRATIEKANTOOR [X],

gevestigd te [woonplaats],

alsmede haar vennoten

2. [vennoot 1],

3. [vennoot 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

procureur mr E.M. Buijs-van Bemmel,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[T] B.V.,

gevestigd te woonplaats,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr T.G. Kleefman.

Partijen worden hierna aangeduid als "Administratiekantoor [X]" respectievelijk "[T] B.V.".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding van 21 mei 2005, met producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in

reconventie, met producties;

- conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in

reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in

reconventie;

- conclusie van dupliek in reconventie, met producties.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [T] B.V. drijft sinds 1924 een machinefabriek en een reparatie-bedrijf, vanaf 1971 in de huidige rechtsvorm. Sindsdien bestond de directie uit A. [T], overleden in 1989, A.C. [T], overleden in 2000 en J.C. [T] sr.

Na het overlijden van J.C. [T] sr. op 8 mei 2001 is J.C. [T] jr. hem als directeur van de vennootschap opgevolgd en beheert J. [T] de financiële zaken van de onderneming.

2.2 Sedert 1980 heeft Administratiekantoor [X] in de persoon van [vennoot 2], hierna: [vennoot 2], administratieve werkzaamheden verricht in opdracht van [T] B.V.. Daarnaast verrichte [vennoot 2] allerhande hand- en spandiensten en verleende hij adviezen die rechtstreeks of zijdelings de bedrijfsvoering van [T] B.V. raakten.

2.3 Ter zake van administratieve werkzaamheden heeft Administratiekantoor [X] sedert 2000 ter zake van administratie in het betreffende jaar gefactureerd als volgt:

- 15 januari 2000: fl. 94.000,-- (€ 42.655) inclusief BTW;

- 15 januari 2001: fl. 101.150,-- (€ 45.900) inclusief BTW;

- 20 januari 2002: € 45.900,-- inclusief BTW;

- op 24 januari 2003: € 57.800,--; en

- op 7 januari 2004: € 58.595,--.

Deze bedragen zijn telkens onder de vermelding van “voorschot” door [T] B.V. aan Administratiekantoor [X] betaald.

De facturen van Administratiekantoor [X] zijn steeds in overleg met de directie van [T] B.V. opgesteld en tot in 2004 zonder opmerkingen voldaan. De voorschotbetalingen zijn nimmer door eindafrekeningen gevolgd.

2.4 Op 26 juli 2004 heeft Administratiekantoor [X] aan [T] B.V. een factuur ad € 5.950,-- inclusief BTW gezonden ter zake van ‘Advieskosten volgens afspraak’. [T] B.V. heeft deze factuur voor akkoord getekend, maar onbetaald gelaten.

2.5 Bij brief van 30 september 2004 heeft [T] B.V. Administratiekantoor [X] bericht dat zowel op het communicatieve vlak als in kwalitatief opzicht onvrede bestaat met het functioneren van Administratiekantoor [X] en dat daarom met onmiddellijke ingang de opdracht wordt opgezegd.

2.6 Op 7 oktober 2004 heeft Administratiekantoor [X] [T] aansprakelijk laten stellen voor de schade, ontstaan door de tussentijdse opzegging van de opdracht die eerst op 31 december 2008 zou eindigen.

2.7 In opdracht van [T] B.V. is door een schriftexpert onderzoek gedaan naar enkele handtekeningen op brieven van [T] B.V., waarop telkens als ondertekenaar J.C. [T] is vermeld. De conclusie luidt dat de onderzochte handtekeningen waarschijnlijk niet zijn gezet door J.C. [T] zelf. Voor dat onderzoek heeft de schriftexpert € 765,-- in rekening gebracht.

2.8 Op 20 september 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden Administratiekantoor [X] veroordeeld tot afgifte van de nader in dat vonnis aangeduide delen van de administratie aan [T] B.V..

2.9 De nieuwe accountant van [T] B.V., Accountants- en Belasting-adviesbureau Hermans & Partners (hierna: H&P) heeft in haar opdracht in oktober 2005 de administratie van [T] B.V. over de boekjaren 1998 tot en met 2002 onderzocht. Een eerste resultaat daarvan is neergelegd in een brief van 15 juli 2005 met daarin een opsomming van enkele geconstateerde onregelmatigheden.

3 De vordering in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. [T] B.V. te veroordelen tot vergoeding van door Administratiekantoor [X] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de opzegging van de opdracht, vast te stellen op € 160.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. [T] B.V. te veroordelen € 5.950,-- aan Administratiekantoor [X] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

c. [T] B.V. te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Administratiekantoor [X] aan de vordering, zakelijk weergegeven, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Op 2 januari 1989 is Administratiekantoor [X] met [T] B.V. een schriftelijke overeenkomst aangegaan tot het verrichten van nader omschreven administratieve werkzaamheden gedurende 20 jaren, te beginnen met het boekjaar 1989.

3.2 De in die overeenkomst vermelde vaste jaarlijkse vergoeding van fl 45.000,--, (€ 20.420,11) is gedurende de looptijd van de overeenkomst geleidelijk hoger vastgesteld. Steeds werd gefactureerd in overleg met de directie van [T] B.V..

3.3 Voorts werden in de loop van de jaren ook meer en andere werkzaamheden verricht dat die, welke omschreven zijn in de schriftelijke overeenkomst van partijen; dergelijke werkzaamheden werden ook wel afzonderlijk gefactureerd.

3.4 Weliswaar was [T] B.V. bevoegd de overeenkomst op te zeggen op de voet van artikel 7:408 BW, maar uit dit artikel volgt tevens dat bij opzegging door de opdrachtgever de opdrachtnemer bij wege van schadevergoeding loon toekomt. De schade laat zich begroten op een omzetderving van € 160.000,-- in totaal.

3.5 Zonder goede grond heeft [T] B.V. de onder 2.4 bedoelde factuur onbetaald gelaten, zodat ter zake eveneens een veroordeling van [T] B.V. wordt gevorderd.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Administratiekantoor [X] in de kosten van het geding.

[T] B.V. heeft daartoe, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd:

4.1 Er is geen overeenkomst tot het verrichten van administratieve werkzaamheden met Administratiekantoor [X] gesloten voor de duur van 20 jaren; [T] B.V. ontkent dat de door Administratiekantoor [X] overgelegde overeenkomst is ondertekend door haar toenmalige directeur A.C. [T]. Het onder 2.7 bedoelde rapport voedt het vermoeden dat diens handtekening onder het document waarop Administratiekantoor [X] zich beroept, is nagebootst.

4.2 Ook indien die overeenkomst wel zou zijn ondertekend door A.C. [T], is deze nietig, althans wordt deze thans vernietigd omdat hij niet zelfstandig bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen.

4.3 Administratiekantoor [X] heeft de opzegging als zodanig, gelet op de formulering van haar vorderingen, aanvaard.

4.4 [T] B.V. heeft de opdracht op goede gronden opgezegd en zij was daartoe ook bevoegd op grond van artikel 7:408 BW.

4.5 Administratiekantoor [X] heeft niet in opdracht van Machinefabriek [T] werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij bij factuur van 26 juli 2004 € 5.950,-- inclusief BTW in rekening kon brengen, en dat boven het bedrag van € 58.950,-- dat over 2004 al in rekening gebracht en betaald was.

4.6 Administratiekantoor [X] lijdt geen schade als gevolg van de opzegging van de opdracht. Administratiekantoor [X] maakt kennelijk, maar zonder goede grond, aanspraak op een gefixeerd bedrag dat is gerelateerd aan omzetderving.

5 De vordering in reconventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Administratiekantoor [X], [vennoot 2] en [vennoot 1] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [T] B.V. binnen vijf dagen na het in dezen te wijzen vonnis:

- rekening en verantwoording af te leggen van de aan [T] B.V. in rekening gebrachte werkzaamheden;

- te betalen 25% van de voorschotfactuur 2004, te weten € 14.648,75, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

- te betalen een nader bij staat op te maken schadevergoeding wegens te hoge facturen over de jaren 2000, 2001, 2002, 2003, en 2004;

- te betalen € 32.628,22 aan kosten verband houdende met de werkzaamheden van Hermans & Partners, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

- te betalen € 765,-- ter zake van een rapport van een handschriftdeskundige,

een en ander te vermeerderen met rente en kosten.

Aan deze vordering heeft [T] B.V. naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

5.1 Administratiekantoor [X] is op grond van artikel 7:403 BW verplicht omtrent de door haar in rekening gebrachte voorschotbedragen rekening en verantwoording af te leggen. Deze verplichting volgt ook uit de tussen partijen bestaande rechtsverhouding, alsmede uit hetgeen onder de gegeven omstandigheden op grond van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is (HR 8 december 1995, NJ 1996, 274).

5.2 De werkzaamheden van Administratiekantoor [X] rechtvaardigen niet de voorschotten zoals deze zijn betaald.

5.3 Wegens onverschuldigde betaling, althans tekortkoming in de nakoming, althans onrechtmatige daad is Administratiekantoor [X] gehouden tot terugbetaling van het teveel betaalde. Omdat het saldo daarvan, bij gebreke van rekening en verantwoording, nog niet bekend is, moet dit bij staat worden opgemaakt.

5.4 Op grond van het bepaalde in artikel 7:411 BW dient Administratiekantoor [X] 25% van het voorschot over 2004, dat is € 14.648,75, terug te betalen omdat vanaf oktober 2004 geen werkzaamheden meer zijn verricht.

5.5 [T] B.V. heeft schade geleden doordat Administratiekantoor [X] aanvankelijk weigerde de administratie af te geven. H&P heeft daardoor extra werkzaamheden moeten verrichten en H&P heeft ook nog werkzaamheden moeten verrichten die niet nodig zouden zijn geweest, indien Administratiekantoor [X] haar werk naar behoren zou hebben verricht. De kosten die met een en ander gemoeid zijn, € 32.628,22, dient Administratiekantoor [X] aan [T] B.V. te vergoeden. De grond daarvoor is toerekenbare tekortkoming in de nakoming, althans onrechtmatig handelen van Administratiekantoor [X], althans (de aanvullende werking van) redelijkheid en billijkheid.

5.6 Gelet op de nabootsing van de handtekening van J.C. [T] jr. door [vennoot 2] is Administratiekantoor [X] aansprakelijk voor de kosten van het handschriftonderzoek ad € 765,--.

6 Het verweer in reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [T] B.V. in de kosten van het geding.

Naast hetgeen Administratiekantoor [X] in conventie heeft betoogd, heeft zij daartoe het volgende aangevoerd:

6.1 De hoogte van de facturen van Administratiekantoor [X] werd bepaald door de hoeveelheid werkzaamheden die zij voor [T] B.V. verrichtte. Deze waren zo uitgebreid, divers en veelomvattend, dat specificatie onmogelijk is. In het verleden is daar ook nooit om gevraagd. Tussen partijen was niet van belang hoeveel uren Administratiekantoor [X] aan haar werkzaamheden voor [T] B.V. besteedde.

6.2 De wijze waarop Administratiekantoor [X] bij [T] B.V. declareerde, was al jarenlang vaste gewoonte. Betalingen hebben dan ook niet onverschuldigd plaatsgevonden.

6.3 Er is geen grond voor terugbetaling van 25% van de betaling over 2004 omdat de werkzaamheden van Administratiekantoor [X] zich niet in kwartalen laten indelen.

6.4 De aanvankelijke weigering de administratie af te geven heeft [T] B.V. geen schade berokkend. Met de beschikbaar gestelde stukken kon de administratie na 30 september 2004 op de normale wijze worden voortgezet.

6.5 Administratiekantoor [X] is niet tekortgeschoten in de uitvoering van haar werkzaamheden; de aan de hand van de stukken van H&P gesignaleerde verschillen van inzicht kunnen dat verwijt in ieder geval niet dragen.

6.6 Niet valt in te zien waarom Administratiekantoor [X] de kosten van het handtekeningonderzoek zou moeten dragen. Immers, het staat niet vast dat [vennoot 2] handtekeningen heeft vervalst.

7 De beoordeling

In conventie en in reconventie

Algemeen

7.1 Vaststaat dat Administratiekantoor [X] gedurende een lange reeks van jaren voor [T] B.V. administratieve werkzaamheden heeft verricht en ook dat zij daarnaast allerhande hand- en spandiensten verrichtte die rechtstreeks of zijdelings de bedrijfsvoering van [T] B.V. raakten.

7.2 Niet in geschil is dat Administratiekantoor [X] ten dienste van [T] B.V. werkzaamheden verrichtte ter uitvoering van een voortdurende overeenkomst van opdracht.

7.3 Gelet op het bepaalde in artikel 68a lid 1 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek dient het geschil van partijen te worden beoordeeld naar het sinds 1 januari 1992 geldende recht en wel aan de hand van het bepaalde in artikel 7:400 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In conventie voorts

De opzegging

7.4 Op grond van het bepaalde in artikel 7:408 BW is de opdrachtgever te allen tijde bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Ten nadele van een professionele opdrachtgever, zoals [T] B.V., kan van deze bepaling worden afgeweken door de bevoegdheid tot opzegging bij overeenkomst uit te sluiten of te beperken.

7.5 Hoewel Administratiekantoor [X] zich ter onderbouwing van haar vordering beroept op een schriftelijke overeenkomst met [T] B.V. waarin is opgenomen dat zij gedurende 20 jaren de daarin nader omschreven werkzaamheden zal verrichten, stelt ook zij zich - evenals [T] B.V. - op het standpunt dat [T] B.V. op zichzelf bezien bevoegd was de overeenkomst op te zeggen, ook al waren op dat moment die 20 jaren nog niet verstreken.

Bij de verdere beoordeling zal ook de rechtbank daarom daarvan uitgaan.

Met de opzegging op 30 september 2004 is de overeenkomst van partijen dan ook tot een einde gekomen, ongeacht het antwoord op de vraag of daadwerkelijk in 1989 de schriftelijke overeenkomst waarop Administratiekantoor [X] zich beroept is aangegaan.

7.6 Administratiekantoor [X] vordert geen vergoeding van daadwerkelijk geleden schade, maar een bedrag als gefixeerde schadevergoeding ter zake van onregelmatige opzegging van de overeenkomst.

7.7 De kern van het betoog van Administratiekantoor [X] in dit verband is, dat artikel 7:408 BW bepaalt dat de opdrachtgever te allen tijde bevoegd is de overeenkomst op te zeggen en dat aan de opdrachtgever dan bij wege van schadevergoeding loon toekomt, althans dat de opzeggende opdrachtgever aan de opdrachtnemer in dat geval schadevergoeding dient te voldoen.

7.8 De rechtbank volgt Administratiekantoor [X] daarin niet. Artikel 7:408 BW vestigt niet een aanspraak op een schadevergoeding bij een tussentijdse opzegging van de opdracht.

Voor zover het schadevergoeding betreft, houdt artikel 7:408 BW in het derde lid slechts in dat een particuliere opdrachtgever ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd is, zulks, naar valt aan te nemen, omdat de bevoegdheid van een particuliere opdrachtgever tot opzegging van de overeenkomst nimmer uitgesloten of beperkt kan worden.

Die situatie is in dit geding niet aan de orde.

Ook overigens biedt het bepaalde in artikel 7:408 e.v. BW geen rechtstreeks aanknopingspunt voor een aanspraak op enige vorm van schadevergoeding bij ‘tussentijdse’ opzegging van de overeenkomst.

7.9 Administratiekantoor [X] heeft, met inachtneming van hetgeen onder 7.5 is overwogen, voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de slotsom kunnen leiden dat krachtens overeenkomst of anderszins de bevoegdheid tot opzegging van de overeenkomst tussen partijen is beperkt of uitgesloten.

7.10 Bij gebreke daarvan kan ook niet worden geoordeeld dat de opzegging van de overeenkomst wanprestatie, en een daaruit voortvloeiende aanspraak op schadevergoeding oplevert.

7.11 Anders dan Administratiekantoor [X] ook nog heeft aangevoerd, valt in de stellingen van [T] B.V. niet te lezen dat zij de vordering op dit onderdeel in ieder geval tot € 20.420,11 per jaar voor de resterende vier jaren heeft erkend. [T] B.V. heeft er immers slechts op gewezen dat de vordering van tot betaling van viermaal € 40.000,-- per jaar niet valt te verenigen met de inhoud van de omstreden overeenkomst uit 1989 die niet alleen rept van werkzaamheden gedurende 20 jaren, maar ook van een vaste prijs van € 20.420,11 per jaar.

7.12 De slotsom moet dan ook zijn dat de vordering onder a. niet toewijsbaar is en dat hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd omtrent de omstreden schriftelijke overeenkomst uit 1989, en omtrent de vraag of er al of niet goede gronden bestonden voor de opzegging van de opdracht, geen verdere bespreking behoeft.

De factuur ad € 5.950

7.13 [T] B.V. heeft bestreden dat Administratiekantoor [X] in haar opdracht werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij afzonderlijk € 5.950,-- in rekening kon brengen. Daartegenover heeft Administratiekantoor [X] slechts aangevoerd dat [T] B.V. geen goede grond had de factuur onbetaald te laten. Dat kan haar niet baten, nu zij aldus niet nader heeft onderbouwd dat zij dit bedrag op goede gronden aan [T] B.V. in rekening heeft gebracht, hoewel dat wel op haar weg lag.

7.14 De vordering moet ook op dit punt, bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing, worden afgewezen.

De kosten van het geding

7.15 Administratiekantoor [X] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld de kosten van het geding.

In reconventie voorts

De omstreden declaraties over 2000 t/m 2004

7.16 Omtrent het loon van Administratiekantoor [X] als opdrachtnemer is het volgende van belang. Krachtens artikel 7:405 lid 1 BW heeft de professionele opdrachtnemer aanspraak op loon. Het tweede lid van dat artikel houdt in dat, indien de hoogte van het loon door partijen niet is bepaald, de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon, en bij gebreke daarvan een redelijk loon verschuldigd is.

7.17 Administratiekantoor [X] heeft gesteld dat in aanvang weliswaar een vaste beloning is overeengekomen, maar ook, door [T] B.V. niet althans niet voldoende gemotiveerd weersproken, dat zij in de loop van de jaren steeds meer andere en aanvullende werkzaamheden is gaan verrichten en dat een en ander telkens werd gedeclareerd door jaarlijkse voorschotnota’s en afzonderlijke declaraties voor aanvullende werkzaamheden. Deze voorschotnota’s werden niet gevolgd door een definitieve factuur over het betreffende jaar.

Niet weersproken is dat dit jarenlang de gebruikelijke wijze van declareren door Administratiekantoor [X] is geweest en dat daartegen tot in 2004 niet is geprotesteerd.

7.18 Voorts is niet gesteld of gebleken is dat partijen (al dan niet: aanvullende) afspraken hebben gemaakt omtrent de beloning van Administratiekantoor [X], bijvoorbeeld over een min of meer regelmatige verantwoording van aard en omvang van de werkzaamheden, de daaraan bestede uren en een te hanteren tarief.

Mede gelet op het bepaalde in artikel 7:405 lid 2 BW moet daarom de jarenlang door partijen gevolgde meer globale wijze van belonen van Administratiekantoor [X] als de tussen hen geldende gebruikelijke (wijze van) beloning worden aangemerkt.

7.19 Daarom kan, zonder nadere onderbouwing van die stellingen door [T] B.V., niet worden geoordeeld dat Administratiekantoor [X] met de ontvangst van de haar als loon betaalde bedragen onverschuldigde betalingen heeft geïncasseerd, hetzij daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens [T] B.V. of aldus onrechtmatig jegens haar zou hebben gehandeld.

Rekening en verantwoording

7.20 De vordering tot het doen van rekening en verantwoording heeft [T] B.V. ingesteld om aan de hand van uitkomst daarvan de hoogte van de declaraties van Administratiekantoor [X] over de jaren 2000 tot en met 2004 te kunnen beoordelen.

7.21 De verplichting van de opdrachtnemer om verantwoording af te leggen op de voet van het bepaalde in artikel 7:403 lid 2 BW strekt ertoe de opdrachtgever te informeren over de uitgevoerde werkzaamheden, de keuzen die daarbij zijn gemaakt en de redenen die aan die keuzen ten grondslag lagen. Naar mate de opdrachtgever directer betrokken is bij, en meer zicht heeft op de uitvoering van de opdracht, is er minder reden om aan te nemen dat er een noodzaak bestaat gedetailleerd nadere verantwoording af te leggen.

7.22 Niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken heeft Administratiekantoor [X], onder overlegging van enkele stukken en geadstrueerd met voorbeelden, aangevoerd dat haar werkzaamheden zeer divers waren en beduidend meeromvattend dan de taak van administrateur van de vennootschap, en ook dat zowel de toenmalige, als de huidige directie van [T] B.V. daarvan volledig op de hoogte was, en ook dat nimmer tussentijds afzonderlijke rekening en verantwoording is gevraagd.

7.23 Voor toewijzing een vordering tot het afleggen van verantwoording is onder deze omstandigheden, gelet ook op hetgeen onder 7.21 is overwogen, geen plaats. Dat klemt temeer nu niet duidelijk is dat enige betekenis aan de uitkomsten van een dergelijke verantwoording zou kunnen toekomen bij de door [T] B.V. gewenste toetsing van de facturen over de laatste 5 jaren, gelet de wijze waarop de werkzaamheden van Administratiekantoor [X] ook in die periode - in essentie - met een niet nader uitgesplitst bedrag ineens per jaar plachten te worden beloond.

7.24 Bij de beoordeling van de vordering tot het doen van rekening is, zoals volgt uit het door [T] B.V. aangehaalde arrest, maar ook uit het bepaalde in artikel 7:403 lid 2 BW, maatgevend dat de verplichting daartoe slechts kan worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Gesteld noch gebleken is echter dat Administratiekantoor [X] ten behoeve van [T] B.V. in enig opzicht een vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd, of gelden te haren behoeve heeft uitgegeven of ontvangen.

7.25 Een en ander brengt met zich dat de vordering tot het doen van rekening en verantwoording, en die tot het betalen van een schadevergoeding op te maken bij staat wegens te hoge facturen, moet worden afgewezen.

De voorschotfactuur 2004

7.26 Omdat de gebruikelijke wijze van honorering van Administratiekantoor [X] erop neerkwam dat zij jaarlijks aan het begin van het jaar voor min of meer reguliere werkzaamheden gedurende het jaar een niet nader uitgesplitst bedrag ineens in rekening bracht, biedt de enkele omstandigheid dat zij over de laatste drie maanden van 2004 als gevolg van de opzegging van de overeenkomst met onmiddellijke ingang geen werkzaamheden meer voor [T] B.V. heeft verricht op zichzelf onvoldoende aanknopingspunt om tot de slotsom te kunnen komen dat een kwart van het jaarbedrag, of enig ander deel daarvan als onverschuldigd betaald kan worden aangemerkt.

7.27 [T] B.V. heeft zich in dit verband voorts beroepen op het bepaalde in artikel 7:411 BW. Ingevolge het bepaalde in dat artikel behoudt de opdrachtnemer aanspraak op een zekere beloning, indien de opdracht nog niet is volbracht of de tijd waarvoor de opdracht is verleend nog niet is verstreken en de verschuldigdheid van diens loon afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht of van het verstrijken van die tijd.

7.28 Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat er geen sprake is van een aanspraak op loon die afhankelijk is gesteld van de volbrenging van de opdracht of van het verstrijken van een zekere periode. Ook aan het bepaalde in artikel 7:411 BW kan [T] B.V. daarom geen rechtstreekse of indirecte aanspraak op terugbetaling van een deel van het loon over 2004 ontlenen.

7.29 De vordering tot terugbetaling van een deel van de voorschotnota 2004 is, nu er overigens geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, op deze gronden niet toewijsbaar.

De kosten van H&P

7.30 [T] B.V. heeft slechts in algemene zin, onder verwijzing naar enkele producties, aangevoerd dat het aan tekortschieten van Administratiekantoor [X] te wijten is dat H&P extra werkzaamheden moest verrichten en dat door H&P voorts werkzaamheden zijn verricht die niet nodig zouden zijn geweest indien Administratiekantoor [X] haar werk goed zou hebben gedaan.

7.31 Raadpleging van een in dit verband overgelegd overzicht leert dat het bij gaat om het totaalbedrag van in ongeveer 50 posten uit 20 verschillende facturen van H&P aan [T] B.V.. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt daaruit niet af te leiden dat die posten in enig opzicht in verband kunnen worden gebracht met tekortschieten van Administratiekantoor [X]. Reeds bij gebreke aan een voldoende onderbouwing moet de vordering op dit punt daarom worden afgewezen.

De kosten van het handschriftonderzoek

7.32 Dat het in opdracht van [T] B.V. uitgevoerde handschriftonderzoek uitwijst dat enkele handtekeningen die moeten doorgaan voor die van J.C. [T] jr. waarschijnlijk niet door J.C. [T] jr. zelf zijn gezet, brengt niet reeds met zich dat Administratiekantoor [X] gehouden is de kosten van dat onderzoek te voldoen.

7.33 Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de door [T] B.V. gewenste uitkomst kunnen leiden. Ook dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen

Slotsom en proceskosten

7.34 De vordering in reconventie behoort in al haar onderdelen te worden afgewezen en [T] B.V. dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

8 De beslissing

De rechtbank,

In conventie

wijst af de vordering van Administratiekantoor [X];

veroordeelt Administratiekantoor [X] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [T] B.V. vastgesteld op € 3.650,-- aan vast recht en op € 2.842,--aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

wijst af de vordering van [T] B.V.;

veroordeelt [T] B.V. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Administratiekantoor [X] vastgesteld op nihil aan vast recht en op € 1.788,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr A.J.P. van Essen.

Uitgesproken in het openbaar.

196