Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB6085

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
10/611287-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot opzettelijk een ontploffing te weeg brengen door het openzetten van gaskranen in een woning.

Voorwaardelijk opzet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/611287-06

Datum uitspraak: 18 oktober 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

[geboortedatum]1975 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsvrouw mr. M.B. Braanker, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën, aangeduid als A1 tot en met A3, als bijlagen aan dit vonnis gehecht. Deze bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Kleef heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 126 (honderd¬zesentwintig) dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 (dertig) dagen voorwaar¬delijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland, ook indien deze inhouden dat de verdachte zich ambulant zal laten behandelen en begeleiden door een instelling voor de geestelijke gezondheidzorg zoals GGZ Delfland;

- opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 19 november 2006 te Schiedam ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om een ontploffing teweeg te brengen in een woning aan de [straatnaam + huisnummer], terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander(en) te duchten was, met dat opzet gaskranen heeft opengezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Namens de verdachte is aangevoerd dat op het moment dat zij een sigaret opstak er geen gevaar meer bestond dat er brand of een ontploffing zou ontstaan.

Dit verweer kan de verdachte niet baten, omdat niet relevant is of het aansteken van de sigaret tot een ontploffing had kunnen leiden. Er was immers al sprake van een poging tot het veroorzaken van een ontploffing op het moment dat de verdachte de gaskranen had opengedraaid en op de bank was gaan zitten wachten. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is dit handelen er op gericht om er voor te zorgen dat de woning zich vult met gas, hetgeen - naar algemene ervaringsregels leren - de aanmerkelijke kans in zich draagt dat een ontploffing ontstaat: op enig moment ontstaat een mengsel van gas en lucht dat met een enkele vonk kan ontploffen. De verdachte had kennis van dit risico. Een eerdere poging om zelfmoord te plegen door de gaskranen open te zetten, heeft zij immers naar zij op de terechtzitting heeft verklaard, afgebroken omdat zij besefte dat zij hiermee gevaar schiep voor de buren. Door in weerwil van deze wetenschap de gaskranen open te zetten en vervolgens af te wachten, heeft de verdachte die kans ook willens en wetens aanvaard. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de verdachte haar man had gebeld toen zij de gaskranen opendraaide. Immers, de verdachte wist niet - zo heeft zij op de zitting verklaard - waar haar man zich op dat moment bevond en kon er daarom niet op vertrouwen dat haar man en/of de politie tijdig zou ingrijpen.

Namens de verdachte is verder betoogd dat er van opzet, ook in voorwaardelijke zin, geen sprake was omdat zij handelde onder invloed van een stoornis aan haar geestvermogens en zich hierdoor het gevaar niet besefte. Ook dit verweer wordt verworpen. Immers, het bestaan van een stoornis in de geestver¬mogens staat eerst aan het aannemen van opzet in juridische zin in de weg, indien het gaat om een zodanige ernstig geestelijke afwijking dat aangenomen moet worden dat de verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. Uit de hierna te bespreken rapporten van dr. Van Trommel en drs. Zwegers blijkt niet dat van een dergelijke ernstige afwijking sprake was, terwijl uit de door de verdachte aan haar man gegeven telefonische waarschuwing wordt afgeleid dat zij tenminste enig inzicht had in de reikwijdte en gevolgen van haar handelen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezene levert op:

- poging tot het opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en

- poging tot het opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Namens de verdachte is betoogd dat zij volledig ontoerekeningsvatbaar is en dat zij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter onderbouwing van deze stelling is gewezen op de navolgende passages uit het op 28 februari 2007 door dr. M.J. van Trommel (psychiater) over de verdachte uitgebrachte rapport:

“Haar separatieangst nam zodanige vormen aan dat zij op dat moment geen andere keuze zag, dan een eind te maken aan haar leven. Eerst zette zij de gaskraan open. Zij stak daarna een sigaret op en realiseerde zich onder invloed van haar paniek niet dat zij daardoor een levensbedreigende situatie creëerde.

(..)

Betrokkene raakte op de hiervoor beschreven wijze zodanig in paniek dat zij haar doen en laten niet meer onder controle had. Haar persoonlijkheidsstoornis verhinderde haar om haar onrustgevoelens op adequate wijze te kunnen ventileren.”

Dit verweer wordt verworpen.

Blijkens de over de verdachte uitgebrachte rapporten van dr. Van Trommel en van drs. A.F.J.M. Zwegers (psycholoog) lijdt de verdachte aan een gebrek¬kige ontwikkeling van haar geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en borderline kenmerken. Drs. Zwegers stelt daarnaast vast dat er sprake is van alcoholmisbruik. Beide deskundigen komen op grond van hun onderzoek tot de conclusie dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en niet tot de conclusie dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Hoewel de geciteerde passages mogelijk verwarrend kunnen zijn, wordt onvoldoende aanleiding gezien af te wijken van de conclusies van de beide deskundigen.

Namens de verdachte is voorts een beroep op psychische overmacht gedaan.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Van psychische overmacht wordt gesproken in de gevallen van psychische dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is, doch redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Het dient hierbij te gaan om een alleszins verantwoorde of begrijpelijke beslissing om een wettelijk voorschrift niet na te leven. Deze situatie doet zich niet voor. Ook van iemand met een persoonlijkheidsstoornis als die van de verdachte mag verwacht worden dat deze anderen niet in gevaar brengt: de keuze om het eigen leven te beëindigen of de wens om bijstand van hulpverleners krijgen, rechtvaardigt niet dat levens en goederen van anderen in gevaar worden gebracht.

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in haar woning de gaskranen opengezet en daarmee een potentieel zeer gevaarlijke situatie voor haar buren en eventuele voorbijgangers in het leven geroepen. Tevens had aanzienlijke schade kunnen ontstaan.

Op een dergelijk ernstig feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in belangrijke mate rekening gehouden met de hiervoor al besproken omstandigheid dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het feit. Bovendien is meegewogen dat, op grond van hetgeen op de zitting is besproken, de overtuiging bestaat dat het de verdachte ernst is met het voornemen om hulp te (blijven) accepteren. In het voordeel van de verdachte is verder rekening gehouden met de omstandigheid dat zij blijkens het op haar naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 november 2006 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend wordt de straf die door de officier van justitie is geëist – waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest – passend en geboden geacht. Het voorwaardelijke deel van deze straf – 30 dagen – is uitdrukkelijk bedoeld als een stimulans voor de verdachte om gedurende de gehele proeftijd blijvend hulp te accepteren voor haar persoonlijkheidsstoornis en alcoholprobleem.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 126 (honderdzesentwintig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien: de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit

schuldig maakt; de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

-stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig vindt, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de verdachte dat de verdachte ambulante psychiatrische en/of psychologische behandeling zal ondergaan;

- verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. Doorduijn en Van Schouwenburg-Laan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Erve, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 oktober 2007.