Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB5748

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
07/337
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank dient bij de vraag of sprake is van een wijziging in de plaatselijke of regionale omstandigheden die het verbinden van voorschriften of het opleggen van beperkingen rechtvaardigen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Drank- en horecawet het jaar 2004 als uitgangspunt te worden genomen, nu de vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en horecawet begin dat jaar aan Stichting Olympia is verleend. Beoordeeld dient te worden of zich sinds 2004 dusdanige wijzigingen in de plaatselijke of regionale omstandigheden met betrekking tot horeca-inrichtingen hebben voorgedaan dat van verweerder mag worden verlangd voorschriften aan de vergunning te verbinden dan wel beperkingen op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: WET 07/337-VERW

Uitspraak in het geding tussen

Het koninklijke verbond van ondernemers in het horeca- en aanverwante bedrijf Horeca Nederland, afdeling Goeree Overflakkee, gevestigd te Ouddorp, eiseres,

gemachtigde D.A. Hogervorst, werkzaam bij de Stichting Bureau Eerlijke Mededinging,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelharnis, verweerder,

derde-partij: Stichting Olympia, gevestigd te Sommelsdijk.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 13 februari 2006 heeft eiseres verweerder - voor zover hier van belang - verzocht de aan de Stichting Olympia verleende drank- en horecavergunning krachtens artikel 4, vierde lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) van beperkende voorwaarden te voorzien en het bestuursreglement van deze stichting van rechtskracht te ontdoen.

Bij besluit van 23 mei 2006 (hierna: het primaire besluit), verzonden op 8 juni 2006, heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 november 2006, verzonden op 14 december 2006, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij faxbericht van 25 januari 2007 bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij brief van 31 januari 2007 zijn de gronden van het beroep ingediend, waarna bij brief van 12 juli 2007 een aanvullende reactie is gegeven.

Verweerder heeft bij brief van 2 maart 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2007. Eiseres is, met kennisgeving daarvan, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Schuurman.

2 Overwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Stichting Olympia is een paracommercieel horecabedrijf als bedoeld in artikel 4 van de DHW. De door haar verzorgde exploitatie van De Staver als sport- en recreatiecentrum aan de Olympiaweg 32 te Sommelsdijk omvat tevens de exploitatie van een in De Staver gevestigde horeca-inrichting.

Voor de exploitatie van deze horeca-inrichting heeft de burgemeester van de gemeente Middelharnis bij besluit van 16 december 2003, verzonden op 6 januari 2004, aan Stichting Olympia onder voorwaarden vergunning verleend.

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft verweerder aan Stichting Olympia onder voorwaarden een vergunning op grond van artikel 3 van de DHW verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in de inrichting gevestigd op het perceel Olympiaweg 32 te Sommelsdijk.

2.2. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Artikel 4 van de DHW luidt als volgt:

1. Aan een vergunning, die op grond van artikel 3 voor het horecabedrijf wordt verleend aan een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard, verbinden burgemeester en wethouders een of meer voorschriften of beperkingen die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd.

2. De in het eerste lid bedoelde voorschriften of beperkingen kunnen op geen andere onderwerpen betrekking hebben dan:

a. in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen;

b. het openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten als bedoeld onder a;

c. de tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

3. Bij gemeentelijke verordening kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften of beperkingen.

4. Door burgemeester en wethouders worden, indien dit in verband met een wijziging in de plaatselijke of regionale omstandigheden nodig is, aan een reeds verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid voorschriften of beperkingen als in dat lid bedoeld verbonden of aan een zodanige vergunning verbonden voorschriften of beperkingen gewijzigd of ingetrokken.

5. Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard ontheffing verlenen van de aan een vergunning verbonden voorschriften of beperkingen als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de DHW dient het bestuur van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 voor het verkrijgen van een vergunning een reglement vast te stellen dat waarborgt dat de verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting gedurende de openingstijden vanuit het oogpunt van sociale hygiëne te allen tijde geschiedt door op dit gebied gekwalificeerde personen. De kwalificatienormen hiervoor worden eveneens in het in dit artikel genoemde reglement vastgesteld.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de DHW is het verboden een horecalokaliteit of slijtlokaliteit voor het publiek geopend te houden, met uitzondering van een lokaliteit in beheer bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder. Met betrekking tot rechtspersonen als bedoeld in artikel 4 geldt, dat aanwezig is ofwel de leidinggevende die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder, ofwel een andere op dit gebied gekwalificeerde persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid. Voor deze laatste categorie rechtspersonen geldt deze aangepaste voorwaarde slechts op momenten dat alcoholhoudende drank wordt geschonken.

In artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW is bepaald dat een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen.

In artikel 31, eerste lid, van de DHW zijn de omstandigheden genoemd op grond waarvan een vergunning dient te worden ingetrokken. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een vergunning voorts kan worden ingetrokken indien:

b. een bij of krachtens de artikelen 2, 13 tot en met 17, 19 tot en met 21, 22, eerste lid, onder b, tot en met 23, tweede lid, of 24 gesteld verbod of het bij artikel 29, tweede lid, gesteld gebod wordt overtreden;

c. het reglement bedoeld in artikel 9, eerste lid, niet wordt nageleefd, of niet wordt voldaan aan het gebod, bedoeld in artikel 9, tweede lid, dat de dagen en tijdstippen waarop bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt duidelijk zichtbaar in de horecalokaliteit zijn aangegeven.

2.3 Standpunten van partijen

Naar de mening van eiseres dient Stichting Olympia aangemerkt te worden als een commercieel horecabedrijf. De feitelijke organisatie is echter functioneel ingericht als paracommercieel horecabedrijf zoals bedoeld in artikel 4 van de DHW. Eiseres meent dat de artikelen 9 en 24, eerste lid, van de DHW geweld worden aangedaan, omdat de formeel op de drank- en horecavergunning geregistreerde leidinggevenden niet bij Stichting Olympia aanwezig hoeven te zijn. Door het bestuursreglement worden de zware aanwezigheidseisen voor leidinggevenden omzeild, die voor de reguliere horeca gelden. Op het moment dat er geen leidinggevende aanwezig is bij het gebruik van de vergunning wordt naar de mening van eiseres het verbod, zoals vastgelegd in artikel 24 van het DHW, overtreden. Eiseres wijst er voorts op dat in het bestuursreglement betaalde krachten zijn opgenomen, zodat het wettelijke systeem en de intentie van de wetgever om de eisen ten aanzien van niet-commerciële instellingen te verlichten, ondermijnd wordt. Eiseres vindt dat verweerder het bestuursreglement van rechtskracht dient te ontdoen dan wel dat verweerder de drank- en horecavergunning ex artikel 4, vierde lid, van de DHW van beperkende voorschriften dient te voorzien. Eiseres merkt op dat er vanaf 1988 vele mutaties hebben plaatsgevonden in de plaatselijke en regionale omstandigheden in het relevante horeca-aanbod. Eiseres wijst er op dat sprake is van oneerlijke mededinging doordat Stichting Olympia subsidies van verweerder krijgt. Tevens is sprake van oneerlijke mededinging door het betalen van een niet-marktconforme huurprijs voor het pand aan de gemeente Middelharnis.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat niet aannemelijk is dat zich sinds de datum van de vergunningverlening een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de DHW heeft voorgedaan. Verweerder betwist dat het aantal zalen- en partycentra binnen een straal van 10 tot 15 kilometer rondom Stichting Olympia sinds 2002 gehalveerd is. Verweerder meent hierbij bovendien dat het jaar van de verlening van de vergunning (2004) als peiljaar moet worden genomen en niet het jaar 2002. Verweerder wijst er tevens op dat door eiseres niet is aangegeven welke zalen- en partycentra het betreft en waar zij zich bevinden. Hierbij komt, aldus verweerder, dat het ook van belang is aan te geven om welke reden een horeca-inrichting is gesloten. Verweerder vindt het niet reëel om zalen- en partycentra in beschouwing te nemen die weliswaar hemelsbreed op 15 kilometer van Sommelsdijk liggen, maar waarvan de afstand over de weg veel groter is. De in de jurisprudentie als richtlijn gehanteerde straal van 10 tot 15 kilometer is naar het oordeel van verweerder, gelet op de specifieke gebiedkenmerken van Goeree-Overflakkee, niet zonder meer van toepassing te verklaren. Verweerder stelt dat hij geen bevoegdheid heeft het bestuursreglement van rechtskracht te ontdoen.

2.4 Beoordeling

De op grond van artikel 3 van de DHW op 6 januari 2004 aan Stichting Olympia verleende vergunning ten behoeve van het schenken van alcoholhoudende dranken ligt in dit geding niet ter beoordeling voor. Deze vergunning is onherroepelijk. Een door eiseres in dit geding opgeworpen vraag is of verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de DHW aan deze vergunning voorschriften of beperkingen dient te verbinden. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank dient bij de vraag of sprake is van een wijziging in de plaatselijke of regionale omstandigheden die het verbinden van voorschriften of het opleggen van beperkingen rechtvaardigen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de DHW het jaar 2004 als uitgangspunt te worden genomen, nu de vergunning ingevolge artikel 3 van de DHW begin dat jaar aan Stichting Olympia is verleend. Beoordeeld dient te worden of zich sinds 2004 dusdanige wijzigingen in de plaatselijke of regionale omstandigheden met betrekking tot horeca-inrichtingen hebben voorgedaan dat van verweerder mag worden verlangd voorschriften aan de vergunning te verbinden dan wel beperkingen op te leggen. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt in dit verband overzichten overgelegd omtrent het verloop van horeca-inrichtingen in de gemeente Middelharnis en omliggende gemeenten.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze overzichten niet blijkt dat het opleggen van beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften aan de DHW-vergunning van Stichting Olympia is vereist. Het enkele feit dat het aantal zalen- en partycentra in de naburige gemeente Oostflakkee sindsdien is gehalveerd (van 2 naar 1) leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat er voorschriften aan de vergunning van Stichting Olympia dienen te worden verbonden in het kader van een eerlijke concurrentie. Gelet op de wijze waarop het vierde lid van artikel 4 van de DHW is geredigeerd, met name de verwijzing naar plaatselijke of regionale omstandigheden, ziet de rechtbank voorts niet in dat mogelijke verstrekte subsidies aan Stichting Olympia alsmede de door haar betaalde huurprijs als omstandigheid kan dienen die nopen tot het opleggen van beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften aan de vergunning.

In verband met de stellingen van eiseres met betrekking tot het bestuursreglement overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de DHW dient een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de DHW voorafgaande aan het verkrijgen van een vergunning een bestuursreglement vast te stellen, waarin bepaalde waarborgen zijn opgenomen betreffende de vereisten die aan een horeca-inrichting worden gesteld vanuit het oogpunt van sociale hygiëne. Voorstelbaar is dat in het geval dergelijke waarborgen niet of onvoldoende in een bestuursreglement worden vastgelegd, de vergunningverlening in gevaar kan komen. Bij het verlenen van de vergunning aan Stichting Olympia begin 2004 heeft het bestuursreglement niet geleid tot het weigeren of onder voorwaarden verlenen van de vergunning. Het bestuursreglement is op dat moment en beoordeeld vanuit het aspect van het waarborgen van de sociale hygiëne door verweerder (impliciet) goedgekeurd. Nu het bestuursreglement bij de vergunningverlening is geaccordeerd, dit reglement sindsdien niet is gewijzigd en niet is gebleken dat dit reglement niet wordt nageleefd, doet zich geen omstandigheid voor waardoor verweerder op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, de bevoegdheid toekomt de vergunning in te trekken. Ook anderszins ziet de rechtbank in hetgeen door eiseres is aangevoerd geen aanknopingspunt voor de conclusie dat verweerder op grond van artikel 31 van de DHW de vergunning zou moeten (op grond van het eerste lid) of zou kunnen (op grond van het tweede lid) intrekken. Daarnaast geeft de DHW verweerder niet de bevoegdheid in te grijpen in het bestuursreglement dan wel handhavende maatregelen te nemen naar aanleiding van feitelijke gedragingen voortvloeiende uit dit reglement.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Verweij, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en prof. mr. A.C. Hendriks, leden, en door de voorzitter en mr. E.S. van Giezen, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2007.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres[v] wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: