Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB4868

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
291310 HA RK 07-169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 291310

Rekestnummer : HA RK 07-169

Uitspraak : 26 september 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[vezoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van [rechter], rechter tevens kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna te noemen: de kinderrechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting met gesloten deuren van 6 september 2007 is door de kinderrechter behandeld het door de heer [C.] ingediende verzoekschrift tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn nog minderjarige kleinkinderen, de kinderen van verzoeker. Deze verzoekschriftprocedure heeft als zaaknummer 280953 en als rekestnummer F2 RK 07-689.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker de kinderrechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de hiervoor omschreven verzoekschriftprocedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.

Verzoeker en zijn raadsman mr. E.J.M. van Daalhuizen, alsmede de kinderrechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De kinderrechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De kinderrechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 17 september 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen verzoeker en zijn raadsman mr. Van Daalhuizen voornoemd.

Zij hebben het standpunt van verzoeker nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Telkens als ik ter zitting van de rechtbank verschijn, krijg ik niet de gelegenheid mijn standpunt kenbaar te maken. Er wordt door de rechters niet naar mij geluisterd. Ik word continu onderbroken door de rechters. Als het om de gezinsvoogd gaat, wordt er door de rechter heel goed geluisterd, wel 10 of 20 minuten lang. Zo gaat het ook ten aanzien van de wederpartij. Mijn advocaat wordt door de rechter steeds onderbroken. Mij wordt door dit alles onrecht aangedaan. Ik word dan zwaar bedreigd door de rechtbank, zowel geestelijk als fysiek. Alles wat ik wil doen voor mijn kinderen, en wat de William Schrikker Stichting fout doet, heb ik op papier staan, maar er wordt geen aandacht aan geschonken.

2.1.2

Zo ging het ook op de zitting van 6 september 2007. De wederpartij en de vertegenwoor-digster van de William Schrikker Stichting mochten heel lang spreken. Toen ik mijn standpunt wilde toelichten, kwam ik niet ver. Na een paar zinnen werd mijn raadsman door de rechter al geïnterrumpeerd. Wij kregen wel telkens het woord, maar ik was mijn zin nog niet begonnen of er werd door de rechter alweer geïnterrumpeerd met: “Ja, maar …”. Ik kreeg hierdoor niet de gelegenheid mijn standpunt kenbaar te maken.

2.1.3

Door de rechter werd de zaak al een bepaalde richting ingestuurd, op basis van de informatie van de andere in deze zaak betrokken personen en instanties en nog voordat ik mijn standpunt had kunnen geven. Zij heeft teveel oor voor de ene partij en niet voor de andere partij. Daarom heb ik de wraking van de rechter verzocht. Ik heb dat zelf gedaan en niet mijn advocaat.

2.2

De kinderrechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bevestigt dat zij ter zitting van 6 september 2007 de grootouders en de gezinsvoogd het verzoekschrift heeft laten toelichten en dat zij vervolgens verzoeker heeft gevraagd waarom hij bezwaar had tegen een omgang tussen de kinderen en de grootouders. Volgens de rechter verweet verzoeker op dat moment de rechtbank geen rekening te houden met de belangen van de kinderen omdat er teveel naar de gezinsvoogdes werd geluisterd en verzocht hij de rechtbank het dossier te sluiten met de verklaring “ik wraak u”. Op de vraag van de kinderrechter wat de grond was voor de wraking werd volgens haar uiteindelijk door de raadsman geantwoord met: “U hoort mijn cliënt”.

De kinderrechter heeft te kennen gegeven dat gezien het feit dat de echte behandeling van de zaak nog niet was begonnen, er geen sprake kan zijn van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou lijden.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

3.4

Uit het proces-verbaal van de zitting, waarvan de inhoud op zichzelf door de verzoeker niet is bestreden, valt niet af te leiden dat verzoeker niet in de gelegenheid was om het woord te voeren. Daarbij verdient aantekening dat de zitting nog in de beginfase verkeerde en dat aangenomen moet worden dat verzoeker en zijn raadsman nog voldoende gelegenheid zouden krijgen ter zitting het woord te voeren. In het proces-verbaal van de zitting is geen bevestiging te vinden voor de stelling dat de kinderrechter verzoeker en zijn raadsman onterecht, dat wil zeggen zonder goede gronden heeft onderbroken bij de woordvoering. Het door verzoeker jegens de rechter dienaangaande gemaakte verwijt mist daarom feitelijke grondslag.

3.5

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [rechter].

Deze beslissing is gegeven op 26 september 2007 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter en mr. W.J.J. Wetzels en mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, rechters.

Deze beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter en de griffier ondertekend.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker,

- [rechter],

- mr. E.J.M. van Daalhuizen,

- mr. M.D. van Velthoven,

- mevrouw J. Carels,

- de William Schrikker Stichting.