Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB4637

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
02-10-2007
Zaaknummer
WIA 06/5111 HAM1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA. Uit interne richtlijn voor verzekeringsartsen “Beoordelingskader duurzaamheid arbeidsbeperkingen” (hierna: de richtlijn) volgt dat volgt dat de verzekeringsarts bij de beoordeling van de prognose van de arbeidsbeperkingen drie stappen moet doorlopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: WIA 06/5111 HAM1

Uitspraak in het geding tussen

[X], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. C.A. Pors, advocaat te Oud-Beijerland,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vestiging Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 29 november 2005 heeft eiser uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) aangevraagd.

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder eiser met ingang van 21 februari 2006 tot

21 augustus 2007 op grond van de WIA een loongerelateerde werkhervattingsuitkering volledige maar geen duurzame arbeidsongeschiktheid (hierna: WGA) toegekend.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 19 juni 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 november 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 21 december 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 19 februari 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2007. Namens eiser was zijn gemachtigde aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H. Woltman.

2 Overwegingen

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Het tweede lid bepaalt dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

Krachtens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

In artikel 5 van de WIA is neergelegd dat gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als recht-streeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatman-inkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Eiser is op 24 februari 2004 ten gevolge van een bedrijfsongeval uitgevallen voor zijn werk als onderhoudsmonteur. Er was sprake van een schedelfractuur, contusiehaarden en een in¬zakking van wervel Th9. Eiser lag een aantal weken in coma, werd geopereerd en kwam daarna in een verpleegtehuis met cognitieve beperkingen. In aansluiting op de toepasselijke wachttijd heeft verweerder de arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld, hetgeen heeft geresulteerd in het primaire besluit.

De verzekeringsarts, G. van Leeuwen, heeft in zijn rapportage van 11 januari 2006 ten aanzien van de belastbaarheid overwogen dat eiser niet meer voldoet aan een uitzonderings¬categorie van de standaard geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat eiser in staat is om werk te verrichten. Door een revalidatieprogramma is een verbetering van de belast¬baarheid te verwachten. De verzekeringsarts concludeert dat het medisch onderzoek is af¬gerond en dat na zes maanden een professionele herbeoordeling dient plaats te vinden.

Op 11 januari 2006 heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van de rubrieken per¬soonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen.

Op 7 april 2006 heeft de arbeidsdeskundige, J. Mulder, geen functiemogelijkheden kunnen duiden en is de theoretische verdiencapaciteit van eiser vastgeld als kleiner of gelijk aan 20% met een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% in de zin van de WIA. De ar¬beidsdeskundige heeft daarbij overwogen dat eiser onvoldoende arbeidsmogelijkheden heeft op de vrije arbeidsmarkt en dus op arbeidskundige gronden als volledig arbeids¬ongeschikt moet worden beschouwd.

Aangezien de verzekeringsarts aangeeft dat het hier niet gaat om een medisch stationaire situatie, is sprake van een volledige maar niet van een duurzame arbeidsongeschiktheid.

In het kader van de professionele herbeoordeling heeft de verzekeringsarts, F.C. Swaan, op 7 september 2006 overwogen dat er sinds de vorige beoordeling weinig verbetering is opgetreden in het klachtenpatroon van eiser. Alle klachten van concentratiestoornissen, geheugen, cognitieve traagheid, insulten, zijn nog aanwezig, en eiser heeft nog ergotherapie. De FML van 11 januari 2006 geeft nog steeds de juiste belastbaarheid van eiser weer. De belastbaarheid is stabiel en echte veranderingen of verbeteringen zijn op de korte termijn niet te verwachten.

In het kader van de heroverweging heeft de bezwaarverzekeringsarts, R.M.E. Blanker, op

9 november 2006 geconcludeerd dat er vanuit medisch oogpunt geen noodzaak is om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig geweest en zijn de aanwezige medisch objectiveerbare beperkingen die uit dat onderzoek naar voren zijn gekomen voldoende onderkend bij het opstellen van de FML. De verzekeringsarts heeft de duur¬zaamheid zoals gedefinieerd binnen de WIA op de juiste wijze beoordeeld. Het onderzoek van de verzekeringsarts biedt geen ondersteuning voor het niet kunnen voldoen door eiser aan de CBBS-normaalscore, waarbij terecht is geconcludeerd dat op kortere termijn geen verbetering van de arbeidsmogelijkheden aan de orde was. Het betreft een ziektebeeld waar¬bij er een reële kans is dat revalidatie voor verbetering van de functionele mogelijkheden zorgt en de brief van de revalidatiearts maakt duidelijk dat men functionele verbeterdoelen voor ogen heeft. Er is terecht niet uitgegaan van duurzaamheid in de zin van de WIA. Hiermee is volgens de bezwaarverzekeringsarts niet gesteld dat indeling in de IVA in de toekomst niet alsnog van toepassing zou kunnen zijn als revalidatie op lange termijn niet tot verbetering van het functioneren zou hebben leiden en de andere mogelijkheden om dergelijke verbetering na te streven volledig uitgeput zouden zijn. De bezwaarverzekerings¬arts heeft in zijn rapport onder meer gerefereerd aan een brief van Rijndam Revalidatie¬centrum van 3 februari 2006, een brief van neuroloog W.J. Thijsse van Erasmus MC van 9 februari 2006 en een brief van J.A. Ribbens, arts-medisch adviseur, van 29 maart 2006 (moet zijn: 28 maart 2006).

In beroep voert eiser aan dat hem, gelet op het letsel en de geringe kans op herstel, ten on¬rechte een WGA-uitkering in plaats van een IVA-uitkering is toegekend.

Er is sprake van ernstigere en meer beperkingen dan door de verzekeringsarts is vastgesteld. Eiser verwijst naar de brief van 28 maart 2006 van J.A. Ribbens waaruit staat dat niet te ver¬wachten is dat een actief revalidatieprogramma de medische beperkingen zal doen af¬nemen. Eiser is niet in staat om zelfstandig te functioneren en betwijfelt of hij reële moge¬lijk¬heden op de vrije arbeidsmarkt heeft.

Verweerder blijft bij zijn standpunt zoals ingenomen in het bestreden besluit. Volgens ver¬weerder zijn er per 21 februari 2006 onvoldoende of geen functionele mogelijkheden te duiden voor eiser, maar is er geen sprake van een medisch stationaire situatie, zodat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Gelet op de bevindingen van de bezwaar¬verzekeringsarts, zoals vastgelegd in de rapportage van 9 november 2006, is verweerder van mening dat eiser op goede gronden een WGA-uitkering is toegekend.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 21 februari 2006 volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Het geschil van partijen spitst zich hiermee toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er bij eiser per 21 februari 2006 geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid.

Uit de rapportages van de verzekeringsarts(en) blijkt niet dat de artsen geen goed beeld heb¬ben gehad van de gezondheidstoestand van eiser op de datum in geding en uit de stukken komt naar voren dat de verzekeringsartsen de door eiser genoemde medische informatie bij hun oordeel hebben betrokken. Daaruit blijkt dat eiser was aangemeld voor revalidatiedag¬behandeling met als doelen analyse en training cognitieve stoornissen, werkhervatting en dagbesteding. Hiermee viel niet uit te sluiten dat eiser in de toekomst in staat zou zijn door middel van nieuwe bekwaamheden arbeid te verrichten. Uit de rapportages van de verze¬ke¬ringsarts van 11 januari 2006 en de bezwaarverzekeringsarts van 9 november 2006 blijkt echter niet op welke termijn een verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht.

Verweerder heeft ter zitting verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Almelo van

21 december 2006 (LJN: AZ5312) waarin toepassing is gegeven aan een interne richtlijn voor verzekeringsartsen “Beoordelingskader duurzaamheid arbeidsbeperkingen” (hierna: de richtlijn).

In genoemde uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder bij het nemen van besluiten met betrekking tot duurzame arbeidsbeperkingen deze richtlijn in acht dient te nemen en dat de inhoud en wijze van toetsing in het kader van zo’n besluit ter toetsing van de bestuursrechter staat. Daarnaast is overwogen dat de richtlijn zich verdraagt met artikel 4 van de WIA en dat de richtlijn niet in strijd komt met een juiste uitleg van enige geschreven of ongeschreven rechtsregel. De rechtbank maakt deze overwegingen tot de hare.

Uit de richtlijn volgt dat de verzekeringsarts bij de beoordeling van de prognose van de arbeidsbeperkingen de volgende drie stappen moet doorlopen:

Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:

a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden, of

b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.

Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten, beoordeelt de verzekerings¬arts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekerings¬arts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.

Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht, beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht.

De rechtbank stelt vast dat uit de rap¬por¬tage van de verzekeringsarts niet blijkt of hij in het geval van eiser heeft beoordeeld of in het eerstkomende jaar en daarna nog verbetering van diens belastbaarheid kon worden verwacht. De verzekeringsarts, en in zijn voetspoor de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 9 november 2006, heeft weliswaar vast¬gesteld dat eiser was aangemeld voor revalidatiedag¬behandeling, maar heeft daarmee nog niet zijn visie gegeven op de aspecten onder stap 2, laat staan op het aspect onder stap 3. Hiermee is de vraag over de verwachte duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van eiser ten tijde in geding naar het oordeel van de rechtbank onbeantwoord gebleven. Niet valt uit te sluiten dat een toetsing aan de hand van de richtlijn zou hebben uitgewezen dat eiser reeds op 21 februari 2006 in aanmerking kwam voor een IVA-uitkering.

Dit klemt te meer nu eiser stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hem ingaande 7 september 2006 een IVA uitkering is toegekend.

Het voorgaande leidt er toe dat het besteden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en der¬halve is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs¬recht. Dit brengt mee dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit,

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden, bepaalt dat, nu aan verzoeker een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekening 19 23 25 892) worden betaald,

gelast dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.M. Hamaker, rechter, en door deze en mr. W. van den Berg, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2007.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.