Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB4579

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
BC 06/971-NIFT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2009:BJ0627, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet toezicht trustkantoren. Valt het enkel verkopen van plankvennootschappen onder de definitie van trustkantoor? Voldoet het procedurehandboek? Speelt het gelijkheidsbeginsel een rol bij vergunningverlening?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 400
Wet toezicht trustkantoren
Wet toezicht trustkantoren 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/247 met annotatie van mr. K. Frielink
RF 2007, 90
JE 2007, 414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: BC 06/971-NIFT

Uitspraak in het geding tussen

B en S Management Rhoon B.V., te Poortugaal, eiseres,

gemachtigde mr. G.F. Gaanderse, juridisch adviseur te Rotterdam,

en

De Nederlandsche Bank N.V., verweerster,

gemachtigde mr. A.J.P. Tillema, advocaat te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft verweerster het bezwaar tegen haar besluit van 26 september 2005, houdende de weigering eiseres een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) te verlenen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 7 maart 2006 beroep ingesteld.

Verweersters gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is verschenen [X], directeur van eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is verschenen mr. K. van Emmerik, werkzaam bij verweerster.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst in verband met ter zitting namens eiseres overgelegde stukken. Verweerster is bij griffiersbrief van 12 december 2006 in de gelegenheid gesteld te reageren op de nadere stellingen van eiseres, hetgeen haar gemachtigde heeft gedaan bij brief van 29 januari 2007.

De gemachtigde van eiseres heeft vervolgens bij brief van 28 februari 2007 op die laatste brief gereageerd, hetgeen de gemachtigde van verweerster aanleiding gaf voor een nadere schriftelijke reactie op 29 maart 2007.

Nadien hebben partijen toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

2 Overwegingen

2.1 Wettelijk kader en vaststaande feiten

Onder trustkantoor wordt op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wtt mede verstaan een rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig een of meer van de in onderdeel d van dat artikel genoemde diensten verleent in opdracht van een, niet tot dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende, rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon. Onder diensten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, sub 3°, van de Wtt wordt verstaan: het verkopen van rechtspersonen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wtt is het verboden zonder vergunning van de toezichthouder vanuit een vestiging in Nederland als trustkantoor werkzaam te zijn.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder d, van de Wtt verleent de toezichthouder een vergunning tenzij hij, gelet op de door het trustkantoor bij de aanvraag overgelegde voorziene bedrijfsvoering, waaronder begrepen de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en de voorziene administratieve organisatie en interne controle van het trustkantoor (hierna: AO/IC), van oordeel is dat het trustkantoor niet in staat zal zijn te voldoen aan de op grond van artikel 10 van de Wtt te stellen regels.

Krachtens artikel 10, eerste lid, van de Wtt is bij het Overdrachtsbesluit integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (Stb. 2004, 57) de bevoegdheid om met het oog op een integere bedrijfsvoering regels te stellen aan trustkantoren, waaronder regels met betrekking tot de administratieve organisatie - met inbegrip van de AO/IC, overgedragen aan verweerster. Verweerster heeft op grond van die overdracht de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (Stcrt. 2004, 40; hierna: Rib) vastgesteld.

Eiseres, een in 1994 opgerichte vennootschap, koopt vennootschappen op en verkoopt die zogenoemde ‘plankvennootschappen’ vervolgens door aan derden. Bij de invoering van de Wtt op 1 maart 2004 is zij door verweerster uitgenodigd bij haar een melding te doen op grond van het in artikel 50 van de Wtt besloten liggende overgangsregime, dat kort gezegd inhoudt dat trustkantoren die op het tijdstip van invoering van de Wtt werkzaam zijn bij tijdige melding - dat wil zeggen binnen acht weken - hun werkzaamheden mogen voortzetten zonder dat hen de vergunningplicht wordt tegengeworpen, totdat op de vergunningaanvraag is beslist.

Eiseres heeft deze melding op 16 april 2004 verricht waarna partijen hebben gecorrespondeerd over de door eiseres aan te leveren bescheiden, waaronder een procedurehandboek als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Rib.

Bij brief van 26 juli 2004 heeft verweerster eiseres uitgenodigd de aanvraag aan te vullen in welk verband zij er op heeft gewezen dat de enige bestuurder die gelet op de door eiseres aangeleverde gegevens werkzaam is in de vennootschap in een organisatieschema op naam dient te worden vermeld, dat het door eiseres overgelegde procedurehandboek onvoldoende is om de vergunningaanvraag te kunnen behandelen, in welk verband verweerster eiseres heeft verwezen naar informatie die is te vinden op de website van verweerster, en dat een jaarrekening 2003 zodra die beschikbaar is moet worden overgelegd. In reactie hierop heeft eiseres verweerster bij schrijven van 12 augustus 2004 bericht dat de betreffende bestuursfunctie geen integriteitsgevoelige functie is, dat het handboek gelet op de werkzaamheden van eiseres door haar als afdoende wordt beschouwd, dat verweerster op zijn minst genomen gemotiveerd zou moeten aangeven op welke punten een aanvulling nodig is, en dat de jaarrekening 2003 op zijn vroegst in het eerste kwartaal van 2005 zal worden opgeleverd. Verweerster heeft vervolgens bij brief van 1 maart 2005 aangegeven op welke punten een nadere toelichting en/of aanvulling van het procedurehandboek nodig is. Eiseres heeft na eerder verleend uitstel verweerster bij brieven van 26 en 27 april 2005 bericht omtrent de verzochte aanpassingen in het procedurehandboek en de jaarrekening 2003 toegezonden. Op 27 mei 2005 heeft eiseres verweerster nog een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten met een administratiekantoor toegezonden. Die overeenkomst heeft betrekking op de externe controle inzake de correcte tenuitvoerlegging van in het procedurehandboek neergelegde procedures terzake de aan- en verkoop van rechtspersonen. Tenslotte heeft eiseres verweerster desgevraagd op 21 juli 2005 een conceptjaarrekening 2004 toegezonden.

Bij brief van 5 juli 2005 heeft verweerster eiseres bericht voornemens te zijn de vergunningaanvraag af te wijzen omdat het aangeleverde procedurehandboek niet voldoet aan de Rib. Na aan haar verleend uitstel heeft eiseres afgezien van een hoorzitting en heeft zij bij brief van 6 augustus 2005 een schriftelijke zienswijze gegeven. Verweerster heeft vervolgens het primaire besluit van 26 september 2005 tot afwijzing van de vergunningaanvraag genomen, welk besluit zij heeft gehandhaafd met het bestreden besluit.

2.2 Standpunten van verweerster

Verweerster heeft met betrekking tot het standpunt van eiseres dat haar activiteiten haar niet tot trustkantoor kwalificeren overwogen dat eiseres door het verkopen van rechtspersonen, niettegenstaande de in artikel 1, onderdeel a, van de Wtt voorkomende term ’in opdracht van derden’, valt onder de reikwijdte van de Wtt. In het bestreden besluit is in dit verband onder meer overwogen dat onder die derde de koper van de rechtspersonen moet worden begrepen. In het verweerschrift is betoogd dat de Wtt onmiskenbaar ook van toepassing is indien de verkoop van rechtspersonen strikt genomen niet in opdracht plaatsvindt, hetgeen het geval is indien het een eenmalige gebeurtenis betreft, omdat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis ondubbelzinnig artikel 1, onderdeel d, onder sub 3° van de Wtt heeft opgenomen met het doel om meer zicht te krijgen op de verkoop van gebruikte rechtspersonen teneinde de omzeiling van de benodigde verklaring van geen bezwaar door de Minister van Justitie voor het oprichten van een vennootschap tegen te gaan. Indien de lezing van eiseres zou worden gevolgd zou de verkoop van een rechtspersoon slechts onder de Wtt vallen indien ook steeds een andere trustrelatie bestaat waaruit een opdracht zou kunnen volgen. Een dergelijke lezing zou teveel afbreuk doen aan de wetsgeschiedenis.

Met betrekking tot gebreken in het procedurehandboek heeft verweerster - samengevat - in het bestreden besluit het volgende overwogen:

- in feite ontbreekt een omschrijving van te treffen maatregelen ter bewustwording, bevordering en handhaving van integer handelen binnen de organisatie van het trustkantoor (artikel 4 van de Rib);

- een vastlegging van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van bestuur en personeelsleden, zodat functiescheiding aanwezig is tussen functies met een uitvoerend en controlerend karakter, ontbreekt (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rib). Dat het bedrijf van eiseres thans bestaat uit één persoon doet die verplichting niet vervallen, terwijl ten aanzien van die persoon wel degelijk geldt dat sprake is van een integriteitsgevoelige functie;

- de enkele vermelding dat naar bevind van zaken zal worden gehandeld voor wat betreft de naleving van de bij of krachtens de Wet melding ongebruikelijke transacties (hierna: de Wet MOT) en de Sanctiewet 1977 gestelde regels, is ontoereikend (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rib);

- een procedure inzake incidenten (voorvallen die een ernstig gevaar vormen voor een integere bedrijfsvoering van het trustkantoor) ontbreekt (artikel 11 van de Rib);

- de beschrijving van de maatregelen die eiseres zou moeten treffen met betrekking tot de verkoop van rechtspersonen voldoet niet. Zo is niet afdoende neergelegd op welke wijze identificatie van de koper en van de eventuele gekwalificeerde aandeelhouders binnen verkoper plaatsvindt (artikel 15, eerste en tweede lid, van de Rib);

- niet wordt voldaan aan de eis dat het trustkantoor kennis heeft van de herkomst van het vermogen van de koper en de gegevens vastlegt omtrent het onderzoek daarnaar (artikel 15, derde lid, van de Rib). De enkele stelling van eiseres dat zij niet bevoegd is en niet toegerust is zelfstandig een dergelijk onderzoek in te stellen en dat potentiële kopers hierdoor kunnen worden afgeschrikt doet niet ter zake. Niet op de notaris, maar op eiseres rust een onderzoeksplicht. Dat deze verplichtingen niet reëel zouden zijn gaat niet op. De regelgeving is tot stand gekomen na consultatie van vertegenwoordigers van trustkantoren;

- Mede gelet op de reeds genoemde gebreken wordt evenmin voldaan aan alle eisen die worden gesteld aan de dossiervorming rond cliëntacceptatie (artikel 18 van de Rib).

De overige grieven van eiseres, die onder meer zien op de behandelduur van de aanvraag en het ontbreken van een standaard procedurehandboek, dienen volgens verweerster eveneens te worden verworpen. Eiseres is in elk geval niet benadeeld door het feit dat zij gedurende de afhandeling van haar aanvraag actief kon blijven als trustkantoor. Verweerster heeft om twee redenen ervan afgezien een standaard procedurehandboek ter beschikking te stellen. Gelet op de diversiteit van trustkantoren is dit niet doenlijk en voorts draagt een dergelijk standaard procedurehandboek niet bij aan het noodzakelijk kritisch besef van de trustkantoren zelf ten aanzien van de integriteitseisen en de beheersing van integriteitsrisico’s. Bovendien heeft verweerster ruimschoots voldoende informatie geboden op haar website en heeft zij ook concreet bij eiseres onder de aandacht gebracht welke gebreken kleefden aan de eerste versie van het door haar opgestelde handboek

De ter zitting onderbouwde stelling van eiseres dat de goedgekeurde procedurehandboeken van Dockland Trust & Financial Services (hierna: Dockland) en van Jade Beheer Gameren BV (hierna: Jade) vergelijkbaar zijn met dat van eiseres, zodat er geen aanleiding zou bestaan eiseres geen vergunning uit hoofde van de Wtt te verlenen, heeft verweerster verworpen. In dit verband heeft haar gemachtigde in zijn brief van 29 januari 2007 aangevoerd dat Jade geen Wtt-vergunning heeft verkregen, zodat het procedurehandboek van Jade niet is ‘goedgekeurd’ door verweerster, en dat Dockland weliswaar wel een Wtt-vergunning is verleend, maar niet op basis van het door eiseres overgelegde gedeelte van het concept-procedurehandboek van Dockland. De uiteindelijke versie bedraagt 31 pagina’s en bevat onderdelen als cliëntacceptatie, cliëntacceptatieformulier en dossiervorming. Het staat verweerster gelet op artikel 12 van de Wtt echter niet vrij het uiteindelijke door haar goedgekeurde procedurehandboek van Dockland in deze procedure in te brengen. Er is naar het oordeel van verweerster in elk geval geen sprake van gelijke gevallen. In zijn brief van 29 maart 2007 is van de zijde van verweerster nog aangevoerd dat, indien Jade illegaal actief is als trustkantoor, tegen haar zal worden opgetreden en dat het doen en laten van Jade niet relevant kan zijn voor de vraag of aan eiseres vergunning moet worden verleend.

Voorts kan de nadere stelling van eiseres dat het bestelformulier en de daarbij behorende Wid-formulieren van eiseres in feite niet afwijken van de overgelegde vragenformulieren F en G waarvan de Minister van Justitie gebruik maakt bij de beoordeling van aanvragen om een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een rechtspersoon, naar het oordeel van verweerster niet leiden tot vergunningverlening. In dit verband heeft haar gemachtigde in zijn brief van 29 januari 2007 onder meer aangevoerd dat de gemaakte vergelijking door eiseres niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of aan eiseres een vergunning uit hoofde van de Wtt dient te worden verleend. Voorts is van belang dat de Minister van Justitie bij diens antecedententoetsing gebruik maakt van niet openbare justitiële gegevens, welke toetsing leidt tot het opwerpen van een dam ten opzichte van personen die oneigenlijk gebruik zouden willen maken van een rechtspersoon. Trustkantoren zoals eiseres hebben geen toegang tot die informatie. Om die reden zijn onder de Wtt stringente voorwaarden gesteld aan de handel in rechtspersonen om te voorkomen dat personen die niet door de toetsing van het Ministerie van Justitie komen, via een ‘tweedehands rechtspersoon’, van bijvoorbeeld eiseres, alsnog misbruik kunnen maken van deze rechtspersoon.

Ten slotte bestaat volgens verweerster evenmin aanleiding om eiseres in het kader van de heroverweging ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wtt. Een dergelijke ontheffing zou in het onderhavige geval immers in strijd komen met de belangen die de Wtt beoogt te beschermen.

2.3 Standpunten van eiseres

Eiseres heeft in beroep primair haar standpunt gehandhaafd dat haar activiteiten buiten de reikwijdte van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wtt vallen. Zij koopt immers geheel zelfstandig vennootschappen aan en verkoopt die vervolgens, indien er vraag naar is, aan derden danwel worden die aangekochte vennootschappen, indien dit voor eiseres een voordeel oplevert, geliquideerd. De aankoop geschiedt derhalve niet in opdracht van derden, hetgeen een essentieel bestanddeel is in de wettelijke definitie van trustkantoor. Dat verweerster het onwenselijk acht dat de activiteiten van eiseres buiten de reikwijdte van de Wtt vallen maakt dit niet anders.

Indien niettemin wordt geoordeeld dat eiseres wel onder de reikwijdte van de Wtt valt, geldt in essentie dat eiseres ontkent dat het door haar opgestelde procedurehandboek de door verweerster gestelde tekortkomingen bevat. Er is volgens haar wel degelijk genoeg aandacht geschonken aan maatregelen gericht op integriteit. Het is niet zinvol aandacht te besteden aan integriteitstoetsing van nieuw personeel omdat eiseres geen personeel zal aantrekken. Nu eiseres zich zonder meer dient te houden aan de Wet MOT en aan de sanctiewet 1977, zijn op dat punt geen omschrijvingen in een procedurehandboek nodig. Daar komt bij dat zich in de praktijk van eiseres geen incidenten als die waarop verweerster doelt voordoen, nu een langdurige werkverhouding met een opdrachtgever ontbreekt. Eiseres kan niet een zelfstandig onderzoek instellen naar het vermogen van de koper. Zij kan terzake niet meer doen dan gerichte vragen stellen aan de koper. De antwoorden daarop zijn oncontroleerbaar, gelet op de beperkte aankoopbedragen die hier aan de orde zijn, terwijl verweerster desgevraagd niet kan of wil aangeven hoe eiseres wel aan die eisen kan voldoen. De cliëntacceptatiedossiers zijn wel afdoende beschreven. Verder zou verweerster wel degelijk een standaard procedurehandboek op kunnen stellen. Beide argumenten die door verweerster daartegen zijn ingebracht gaan volgens eiseres niet of onvoldoende op.

Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar is of wordt aan Jade en Dockland wel een vergunning verleend op basis van een procedurehandboek dat vergelijkbaar is met dat van eiseres. Het beroep van verweerster op geheimhouding gaat volgens eiseres niet op.

Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij nu zij dezelfde vragen in haar bestelformulier heeft opgenomen als de vragenlijst die de Minister van Justitie hanteert bij de beoordeling van aanvragen om een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een rechtspersoon, juist aantoont dat zij bereid is goed uitgewerkte en wel overwogen vragen, afkomstig van een bij uitstek deskundig departement op het gebied van dergelijke vragen, zonder enige discussie over te nemen om zo op een juiste manier te kunnen voldoen aan de essentie van de bij en krachtens de Wtt gestelde eisen. Dat eiseres geen toegang heeft tot die gegevensbestanden die de Minister van Justitie raadpleegt bij het antecedentenonderzoek kan eiseres niet worden aangerekend.

Mochten al deze grieven falen dan meent eiseres dat haar vrijstelling (lees: ontheffing) had moeten worden verleend.

2.4 Beoordeling

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vennootschappen aankoopt en weer doorverkoopt zonder dat eiseres tevoren van de kopers feitelijk een algemene of specifieke opdracht krijgt tot aankoop ten behoeve van die koper. Eiseres meent dat door het ontbreken van een dergelijke opdracht niet voldaan is aan een noodzakelijk bestanddeel om haar te kwalificeren tot trustkantoor als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wtt.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op 19 november 2001 is de nota “Integriteit financiële sector en terrorismebestrijding”(TK 2001-2002, 28 106, nr. 2) aan de Tweede Kamer gezonden. De verbetering van de effectiviteit van anti-witwaswetgeving is één van de hoofdpunten uit deze nota en in dat kader is ook het toezicht op trustkantoren aan de orde gekomen. In de nota is onder meer aan de orde gekomen dat trustkantoren niet onder toezicht stonden, terwijl de vaak grote geldstromen waar deze ondernemingen mee te maken hadden hen kwetsbaar konden maken voor gebruik door criminelen, vooral als het gaat om het witwassen van gelden, financiering van terrorisme en fiscale ontduiking.

Vanwege die kwetsbaarheid en de grote omvang van de trustsector in Nederland is in de nota aangekondigd dat trustkantoren onder toezicht zullen worden geplaatst. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wtt (TK 2002-2003, 29 041, nr. 3, p. 3) is bij de vormgeving van het wetsvoorstel rekening gehouden met de stand van zaken van de discussie in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en de Financial Action Task Force on Money Laundering (hierna: FATF). In het bijzonder werd hierbij gedoeld op het “Consultation Paper on the Review of the FATF Forty Recommandations” van 30 mei 2002. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat door de wetgever, voor de onder toezicht te plaatsen diensten, aansluiting is gezocht bij de door de FATF in beeld gebrachte diensten, voor zover relevant voor de Nederlandse situatie (TK 2002-2003, 29 041, nr. 3, p. 4). In genoemd FATF-consultatiedocument wordt een vijftal diensten genoemd (Par. 5.3. van het consultatiedocument), namelijk:

“• acting as a company or partnership formation agent;

• acting as (…) a director or secretary of a company or a partner of a partnership;

• providing a registered office; business address or accommodation, correspondence or administrative address for a company, a partnership or for any other person;

• acting as (…) a trustee of an express trust;

• acting as (…) a nominee shareholder for another person”.

Het verkopen van rechtspersonen wordt in het consultatiedocument echter in strikte zin niet als afzonderlijke dienst genoemd. Het consultatiedocument heeft op 20 juni 2003 geresulteerd in de publicatie van de herziene 40 FATF-aanbevelingen, waarbij in aanbeveling 12, onderdeel e, voor de ‘company service providers’ de ken-uw-cliënt-uitgangspunten ook zijn beperkt tot eerdergenoemde vijf diensten. Het verkopen van rechtspersonen wordt ook in de herziene 40 FATF-aanbevelingen niet als afzonderlijke dienst genoemd. Hetzelfde geldt overigens voor de derde Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (hierna: Richtlijn 2005/60/EG).

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het verkopen van rechtspersonen als dienst in de Wtt is opgenomen in verband met de in artikel 1, onderdeel d, onder 2°, van de Wtt opgenomen diensten. De daarin opgenomen diensten omvatten diensten bij het opzetten van een concernstructuur of het aanbrengen van wijzingen daarin. Voor het oprichten van een vennootschap in Nederland is een verklaring van geen bezwaar nodig van de Minister van Justitie. Deze eis kan echter eenvoudig worden omzeild door gebruik te maken van bestaande Nederlandse rechtspersonen of bepaalde naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen. Om meer zicht te kunnen krijgen op deze laatste situatie is in het wetsvoorstel het verkopen van rechtspersonen als kwalificerende dienst opgenomen (TK 2002-2003, 29 041, nr. 3, p. 4). In deze zin sluit het verkopen van rechtspersonen niet aan bij de door de FATF genoemde diensten, maar is het een door de wetgever - in aanvulling op de door FATF genoemde diensten - nieuw toegevoegde dienst.

In artikel 1, aanhef onderdeel a, van de Wtt wordt onder een trustkantoor verstaan een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die (…) een of meer van de in onderdeel d genoemde diensten verleent in opdracht van een niet tot dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wtt (TK 2002-2003, 29 041, nr. 3, p. 7) wordt hierover het volgende overwogen:

“Onderdeel a definieert een trustkantoor als een persoon of vennootschap die (…) een of meer van de in onderdeel d genoemde diensten verleent in opdracht van personen of vennootschappen buiten de eigen groep. Een persoon of vennootschap wordt niet als trustkantoor aangemerkt indien de in onderdeel d genoemde diensten binnen de eigen groep wordt verleend.”.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat hiermee wordt bedoeld die trustkantoren uit te sluiten die de in artikel 1, onderdeel d, van de Wtt genoemde diensten verlenen binnen de eigen groep.

In dit verband overweegt de rechtbank dat de wetgever uitdrukkelijk heeft willen aansluiten bij genoemde internationale standaarden als die van de FATF. In aanbeveling 12, onderdeel e, van de FATF-aanbeveling wordt gesproken over ‘transactions for a client’. En in - de nog niet in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerde - Richtlijn 2005/60/EG wordt in artikel 3, zevende lid, gesproken over ‘diensten die aan derden worden verstrekt’.

Naar het oordeel van de rechtbank moet aan de term opdracht in onderdeel a van artikel 1 van de Wtt derhalve een minder specifieke betekenis worden gegeven dan die in artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek. De term opdracht in onderdeel a van artikel 1 van de Wtt vormt enkel de verbindingschakel tussen de te leveren diensten als bedoeld in onderdeel d van artikel 1 van de Wtt en de doelvennootschap als bedoeld in onderdeel b van artikel 1 van de Wtt, die geen onderdeel uit dient te maken van de groep waartoe het trustkantoor behoort. Een persoon of vennootschap wordt immers niet als trustkantoor aangemerkt indien de in onderdeel d van artikel 1 van de Wtt genoemde diensten binnen de eigen groep worden verleend. Derhalve is reeds sprake van opdracht als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 van de Wtt, indien aan een doelvennootschap buiten de groep waartoe het trustkantoor behoort een dienst wordt geleverd als bedoeld in onderdeel d van artikel 1 van de Wtt, waaronder het verkopen van rechtspersonen.

De stelling van eiseres wordt daarom verworpen.

Met betrekking tot hetgeen verder door eiseres is aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de aangehaalde parlementaire geschiedenis volgt het grote belang dat de wetgever heeft toegekend aan het kennen van de doelvennootschap ook ingeval enkel sprake is van het bedrijfsmatig verkopen van vennootschappen. Een belangrijk deel van de grieven die eiseres heeft aangevoerd omtrent de eisen die ingevolge de Rib worden gesteld aan het procedurehandboek ketsen reeds hier op af.

Verweerster heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd welke diverse gebreken aan het door eiseres overgelegde procedurehandboek kleven, zowel die ten aanzien het ken-uw-cliënt principe als die inzake de interne organisatie van eiseres. De door verweerster gestelde eisen aan het procedurehandboek volgen zonder meer uit de Rib, terwijl de voorschriften die in het Rib zijn opgenomen hun basis vinden in artikel 10, eerste lid, van de Wtt alsmede in het krachtens die bepaling genomen Overdrachtsbesluit integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren en die voorschriften - voor zover de wet in dit verband ruimte biedt aan de regelgever - niet onredelijk zijn.

Dat eiseres dezelfde vragen in haar bestelformulier heeft opgenomen als de vragenlijst die de Minister van Justitie hanteert bij de beoordeling van aanvragen om een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een rechtspersoon maakt dit niet anders. In dit verband kan er niet aan voorbij worden gegaan dat het Ministerie van Justitie bij de antecedententoetsing gebruik maakt van niet openbare justitiële gegevens. Trustkantoren zoals eiseres hebben geen toegang tot die informatie.

Evenmin kan de rechtbank eiseres volgen in haar grief dat verweerster tekort is geschoten in het geven van een toelichting op hangende de aanvraagprocedure geconstateerde gebreken, terwijl evenmin sprake kan zijn van een verplichting voor verweerster om een standaard procedurehandboek op te stellen dat eiseres vervolgens al dan niet één-op-één kan overnemen. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om een procedurehandboek op te stellen dat voldoet aan de bij en krachtens artikel 10 van de Wtt gestelde eisen aan de bedrijfsvoering van een trustkantoor, waaronder begrepen de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en de voorziene AO/IC van het trustkantoor.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerster haar ingevolge artikel 4, onderdeel d, van de Wtt toekomende beoordelingsruimte zeker niet heeft overschreden door te oordelen dat eiseres, gelet op de door haar bij de aanvraag overgelegde voorziene bedrijfsvoering, niet in staat zal zijn te voldoen aan de op grond van artikel 10 van de Wtt te stellen regels. Verweerster was gelet op haar negatieve oordeel gehouden de vergunningaanvraag af te wijzen.

Het door eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan hier niet aan afdoen. In dit verband is niet zozeer van belang dat verweerster gemotiveerd heeft aangegeven dat Jade en Dockland niet op grond van een vergelijkbaar procedurehandboek als dat van eiseres vergunning is verleend, als wel dat artikel 4, onderdeel d, van de Wtt er aan in de weg staat dat eiseres een vergunning verkrijgt in weerwil van het negatieve oordeel van verweerster dat - zoals hiervoor is overwogen - niet onjuist is.

Het beroep tegen de handhaving van die afwijzing is derhalve ongegrond.

Ten slotte kan de rechtbank verweerster volgen in haar tevens in het bestreden besluit vervatte beslissing eiseres geen ontheffing als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wtt te verlenen. Een dergelijke ontheffing zou in het onderhavige geval gelet op hetgeen verweerster heeft overwogen in strijd komen met de belangen die de Wtt beoogt te beschermen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter en mr. R. Kruisdijk en mr. M. Jurgens, leden, en door de voorzitter en mr. drs. R. Stijnen, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.