Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB4525

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
28-09-2007
Zaaknummer
291827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking ongegrond

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 512, geldigheid: 2007-09-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 291827

Rekestnummer : HA RK 07-180

Parketnummer : 10/602025-07

Uitspraak : 20 september 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

(naam verzoeker),

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboortedistrikt] in Suriname,

wonende te [woonplaats],

verblijvende in P.I. Rijnmond, De Schie te Rotterdam,

verzoeker,

raadsman mr. N.J.C. Meijering, advocaat te Amsterdam,

strekkende tot wraking van mr. [X], mr. [Y] en mr.dr. [Z], voorzitter respectievelijk rechters in de meervoudige strafkamer van deze rechtbank (hierna: de rechters).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 18 september 2007 is door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, in welke kamer de rechters zitting hadden, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met parketnummer 10/602025-07.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker de rechters gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de strafzaak tegen verzoeker als verdachte met het hierboven genoemde parketnummer, waarin zich onder meer bevinden:

- het bevel tot gevangenhouding van verzoeker als verdachte voor een termijn van negentig dagen, gegeven door de rechtbank op 18 juni 2007;

- de hierna onder 2.1.3, 2.1.4 en 2.1.5 nader omschreven brieven/faxberichten;

- de dagvaarding van verzoeker als verdachte voor de zitting van 18 september 2007;

- de ter zitting van de meervoudige strafkamer van 18 september 2007 door de griffier gemaakte aantekeningen.

Verzoeker, zijn raadsman, de officier van justitie, alsmede de rechters zijn verwittigd van de datum en het tijdstip waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

Ter zitting van 18 september 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoeker, zijn raadsman, de officier van justitie, alsmede de rechters.

Zij hebben allen hun standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek nader toegelicht, althans zijn daartoe in de gelegenheid gesteld.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Verzoeker is gedagvaard wegens verdenking van betrokkenheid bij de levering van een halve kilo cocaïne en 10.000 xtc-pillen en voorts het bezit van pepperspray, dat thuis bij zijn echtgenote is aangetroffen, en het onderhouden van een hennepkwekerij.

Verzoeker heeft één antecedent ter zake van een geweldsdelict, maar niet ten aanzien van het soort delicten waarvan hij thans wordt verdacht.

2.1.2

Voor de zitting van 18 september 2007 zijn naast verzoeker, vier medeverdachten gedagvaard, die – net als verzoeker – in voorlopige hechtenis verbleven. Al deze zaken zijn op 18 september 2007 uitgeroepen; de medeverdachten en hun raadslieden zijn niet ter zitting verschenen.

2.1.3

Op woensdag 12 september 2007 te 13.44 uur is namens de rechtbank een faxbericht gezonden aan de raadsman van verzoeker, waarin onder meer werd meegedeeld:

“…….

Op de meervoudige strafkamerzitting van de rechtbank Rotterdam van 18 september a.s. staat de zaak tegen uw cliënt [naam verzoeker], bekend onder parketnummer 10/602025-07, gepland voor een pro forma behandeling met regie.

Wegens onvoorziene interne omstandigheden van de rechtbank is er echter besloten de zaak tegen uw cliënt op voornoemde datum slechts pro forma te behandelen waarbij de regiefunctie zal komen te vervallen.

…….”

2.1.4

Op 13 september 2007 te 13.08 uur is door de voorzitter van de rechtbank aan de raadsman van verzoeker een faxbericht (abusievelijk gedateerd op 12 september 2007) gestuurd, waarin onder meer is medegedeeld:

“…….

Ten vervolge op onze faxmededeling van gisteren in opgemelde zaak berichten wij u dat de rechtbank in de bijzondere situatie die is ontstaan reden heeft gezien zich op voorhand ambtshalve te beraden over de voorlopige hechtenis waarin het merendeel van de verdachten in de zaak ‘Etkin’ verblijft. Dit heeft in de gevallen van de gedetineerde mede-verdachten van uw cliënt geleid tot de beslissing dat aanstaande dinsdag de schorsing van hun voorlopige hechtenis zal worden gelast, voor bepaalde duur en wel tot aan de datum van de uiteindelijke inhoudelijke behandeling van de zaak. In het geval van uw cliënt heeft de rechtbank evenwel tot het nemen van een zodanige beslissing geen aanleiding gezien. Uiteraard zult u ter zitting in de gelegenheid worden gesteld zich op dit punt nader uit te laten, mocht u zulks wensen. Het leek ons echter juist om ook u reeds nu te informeren omtrent het plaatsgevonden ambtshalve beraad en de uitkomsten hiervan. (…)”

2.1.5

Op donderdag, 13 september 2007 te 13.11 uur heeft de raadsman in kopie een faxbericht van de officier van justitie aan de voorzitter van de rechtbank ontvangen, inhoudende onder meer:

“…….

Tevens heeft u laten weten dat de rechtbank onvoldoende tijd heeft voor een behandeling van de te verwachten verzoeken met betrekking tot het voortduren van de voorlopige hechtenis.

Ik hecht er aan middels deze brief te laten weten dat het Openbaar Ministerie onaangenaam verrast is door de situatie waarvoor zij thans is geplaatst.

Ik ben van mening dat in vijf van de bovenvermelde zaken, waarin thans sprake is van voorlopige hechtenis, bezwaren en gronden aanwezig zijn die het voortduren van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. Uit uw toelichting blijkt evenwel dat van een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen ter zake geen, althans onvoldoende sprake zal kunnen zijn.

Onder de gegeven omstandigheden deel ik u hierbij mede dat ik mij niet zal verzetten tegen een schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de dag van de voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting in de zaken tegen de verdachten [A], [B], [C] en [D].

…….”

2.1.6

De verdediging was voornemens ter zitting de schorsing van de voorlopige hechtenis te verzoeken.

2.1.7

Uit voormelde brief van de officier van justitie blijkt dat er is gesproken tussen de voorzitter van de meervoudige strafkamer en de officier van justitie en dat de voorzitter in dat gesprek heeft aangegeven dat de rechtbank geen tijd heeft voor het bespreken van verzoeken van de verdediging ten aanzien van het verdere onderzoek en de voorlopige hechtenis.

Indien alle betrokken belangen niet zorgvuldig kunnen worden afgewogen, dan kan het niet anders dan dat de voorlopige hechtenis van verzoeker moet worden geschorst of opgeheven.

2.1.8

De raadsman van verzoeker heeft de meervoudige strafkamer gevraagd ambtshalve terug te komen op de beslissing de voorlopige hechtenis van verzoeker niet te schorsen. Voorts heeft de raadsman nadere uitleg gevraagd over het overleg dat heeft plaatsgevonden tussen de voorzitter en de officier van justitie. De verdediging kreeg ter zitting van 18 september 2007 van de meervoudige strafkamer niet uiteengezet wat de inhoud is geweest van het overleg tussen de meervoudige strafkamer en de officier van justitie. Ter zitting heeft alleen de officier van justitie gereageerd en de voorzitter zei slechts dat door de meervoudige strafkamer ambtshalve een afweging was gemaakt. De raadsman kreeg de gelegenheid de voorlopige hechtenis aan de orde te stellen.

2.1.9

Kennelijk heeft de meervoudige strafkamer ten aanzien van de vier medeverdachten niet de tijd kunnen en willen nemen om ter zitting aan te horen wat de persoonlijke omstandigheden waren. In die gevallen heeft de officier van justitie echter wel gezegd dat die verdachten konden worden vrijgelaten. De meervoudige strafkamer heeft ambtshalve, op basis van het dossier en zonder enige toelichting gesteld dat er ten aanzien van die vier medeverdachten kennelijk wel aanleiding was de voorlopige hechtenis te schorsen.

Verzoeker had zijn persoonlijke omstandigheden ter zitting naar voren willen brengen maar bij hem is door het gebeurde sinds 12 september 2007 de indruk gewekt dat dit geen enkele zin (meer) had. Dit alles bijeen genomen levert de objectieve schijn van vooringenomenheid van de rechters.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechters kan opleveren.

2.2.1

Daarbij heeft de voorzitter van de meervoudige strafkamer onder meer meegedeeld dat de mededeling dat van een zorgvuldige afweging onvoldoende sprake zal kunnen zijn, zoals de officier van justitie in haar brief heeft geschreven, niet van die kamer afkomstig is. Die woorden zijn ter zitting van 18 september 2007 ook niet gebruikt. De meervoudige strafkamer zag zich op een gegeven moment geconfronteerd met een beslissing van het management om deze zitting een ander format te geven. Dat is vanwege de meervoudige strafkamer meegedeeld aan alle procespartijen. De meervoudige strafkamer heeft vervolgens op voorhand gekeken naar de voorlopige hechtenis en de daarbij in geding zijnde belangen. Dit heeft in vier van de vijf gevallen geleid tot de ambtshalve beslissing de voorlopige hechtenis op te heffen. Hiertoe heeft de meervoudige strafkamer kennisgenomen van de dossiers. In haar afweging heeft de meervoudige strafkamer de ernstige bezwaren en gronden van de voorlopige hechtenis betrokken, de op basis van het dossier bekend zijnde persoonlijke omstandigheden, de ernst van de verdenking en de termijn waarop een inhoudelijke behandeling van de zaak te verwachten was en het belang van de verdachten om die behandeling in vrijheid af te wachten. In het geval van verzoeker heeft dit niet tot een ambtshalve beslissing tot schorsing geleid vanwege de ernst van de hem tenlastegelegde feiten en zijn antecedenten.

2.2.2

Om de raadsman niet onverwachts te confronteren met de ambtshalve beslissingen in de zaken van de medeverdachten, zijn deze hem bij brief van 12 september 2007 (lees: 13 september 2007) meegedeeld.

2.2.3

Ter zitting van 18 september 2007 was er voor verzoeker de mogelijkheid om aan de hand van nog aan te voeren specifieke omstandigheden dan wel persoonlijke omstandigheden de voorlopige hechtenis aan de orde te stellen en de meervoudige strafkamer een zorgvuldige afweging te laten maken op grond van nieuwe argumenten en standpunten. De raadsman heeft dat niet willen doen en verzocht de meervoudige strafkamer zich te herberaden. Daarop heeft de meervoudige strafkamer meegedeeld dat daartoe geen aanleiding was.

2.2.4

De oudste rechter van de meervoudige strafkamer heeft voorts nog meegedeeld dat van de zijde van verzoeker de suggestie is gewekt dat er overleg is geweest tussen de meervoudige strafkamer en de officier van justitie en dat er daarbij namen van verdachten zijn genoemd. Dat is niet juist. Er is vanuit de meervoudige strafkamer een mededeling uitgegaan naar het Openbaar Ministerie en de verdediging dat de regie-functie van de zitting kwam te vervallen en dat het een pro forma-zitting zou worden. Vervolgens is de mededeling gevolgd dat de meervoudige strafkamer zich genoodzaakt had gezien zich op voorhand ambtshalve te beraden. De meervoudige strafkamer heeft zelfstandig de zaken uitgebreid en zorgvuldig beoordeeld.

3. De beoordeling

3.1

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters - subjectief - niet onpartijdig waren. Dit is ook niet gesteld.

3.2

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is.

3.3

De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking de hiervoor onder 2.1.3 en onder 2.1.4 geciteerde inhoud van de brieven/fax-berichten van de meervoudige strafkamer aan de raadsman van verzoeker, alsmede de hiervoor onder 2.1.5 geciteerde inhoud van de brief/het fax-bericht van de officier van justitie aan de rechtbank, waarvan de raadsman van verzoeker een afschrift heeft ontvangen.

3.4

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de hiervoor reeds genoemde aantekeningen van de griffier, gemaakt ter zitting van de meervoudige strafkamer op 18 september 2007, onder meer blijkt – kort en zakelijk weergegeven – dat:

- de raadsman van verzoeker bij aanvang van die zitting heeft meegedeeld dat:

- uit hem toegezonden correspondentie van de meervoudige strafkamer en officier van justitie was gebleken dat er voorafgaande aan de zitting tussen de meervoudige strafkamer en het Openbaar Ministerie kennelijk overleg was geweest, waarbij de verdediging niet betrokken is geweest;

- uit die correspondentie blijkt dat er vandaag onvoldoende tijd is om te verwachten verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis en verder onderzoek te behandelen en dat er van een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen geen, althans onvoldoende sprake kan zijn;

- verzoeker op gelijke wijze diende te worden behandeld als de vier in vrijheid gestelde medeverdachten en daarom ook in vrijheid moet worden gesteld;

- de voorzitter van de meervoudige strafkamer vervolgens de aan de zitting voorafgaande gang van zaken heeft uiteengezet en toegelicht en heeft meegedeeld dat de verdediging ter zitting van heden alles naar voren kan brengen wat zij van belang vindt;

- de raadsman van verzoeker de meervoudige kamer vervolgens uitdrukkelijk heeft verzocht terug te komen op haar aan de zitting voorafgaande beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis van verzoeker;

- de voorzitter van de meervoudige strafkamer hierop heeft meegedeeld dat die kamer geen aanleiding zag om op haar eerder ambtshalve genomen beslissing terug te komen, waarbij zij heeft uiteengezet dat:

- er zich voorafgaande aan de zitting voor de meervoudige strafkamer bijzondere omstandigheden hadden voorgedaan;

- die omstandigheden de meervoudige strafkamer ertoe hadden genoopt voorafgaande aan de zitting ambtshalve een oordeel te vormen over de voorlopige hechtenis van de verdachten;

- bij het vormen van dat oordeel enerzijds zijn meegewogen de ernstige bezwaren en gronden waarop het bevel voorlopige hechtenis is gebaseerd;

- daarbij anderzijds zijn meegewogen de persoonlijke belangen van de verdachten, voor zover aan de rechtbank bekend, alsmede het belang van de verdachten om hun berechting in vrijheid af te wachten, waarbij door de meervoudige strafkamer tevens in ogenschouw is genomen de termijn waarbinnen die berechting te verwachten is;

- de meervoudige strafkamer ten aanzien van vier van de vijf in voorlopige hechtenis verblijvende verdachten ambtshalve tot het oordeel was gekomen dat die voorlopige hechtenis diende te worden geschorst;

- in het geval van verzoeker de persoonlijke belangen zoals die bekend waren uit het dossier niet dienden te prevaleren in verband met de ernst en de zwaarte van de verdenking en feiten;

- verzoeker en diens raadsman ter zitting in de gelegenheid zijn al die omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zij vinden dat de voorlopige hechtenis van verzoeker moet worden geschorst;

- zij van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt.

- verzoeker vervolgens de rechters van de meervoudige strafkamer heeft gewraakt.

3.5

Gelet op de inhoud van meergenoemde brieven van de rechtbank, alsmede de inhoud van voormelde brief van de officier van justitie en de tijdstippen van verzending van deze drie brieven per fax aan de raadsman van verzoeker, moet het ervoor worden gehouden dat de meervoudige strafkamer besloten heeft de voorlopige hechtenis van de vier medeverdachten van verzoeker met ingang van 18 september 2007 te schorsen, zonder dat zij op de hoogte was van het standpunt van de officier van justitie daarover. De rechtbank baseert zich hierbij op de tijdstippen die op de faxberichten staan. Hieruit blijkt dat het faxbericht van de officier van justitie aan de meervoudige strafkamer bij de raadsman om 13.11 uur is binnengekomen, terwijl het faxbericht van de voorzitter van de meervoudige strafkamer omtrent de schorsing om 13.08 uur is binnengekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie het faxbericht gelijktijdig aan de meervoudige strafkamer en de raadsman heeft verzonden. Hoewel de gang van zaken hoogst ongebruikelijk is, kan niet worden vastgesteld dat inhoudelijk overleg over de voorlopige hechtenis heeft plaatsgevonden tussen de voorzitter van de meervoudige strafkamer en de officier van justitie, zodat het verzoek in dit opzicht feitelijke grondslag mist. Dat de officier van justitie zich heeft uitgelaten over de voorlopige hechtenis doet daaraan niet af, aangezien niet is gebleken dat de meervoudige strafkamer hiermee bij het nemen van haar beslissing bekend was.

3.6

Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van feiten of omstandigheden die objectief een vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Verzoeker en zijn raadsman zijn ter zitting van 18 september 2007 door de meervoudige strafkamer uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld al hetgeen naar voren te brengen wat zij van belang achten, hetzij met betrekking tot de voorlopige hechtenis, hetzij anderszins. Dat verzoeker ervoor heeft gekozen die gelegenheid onbenut te laten, met als motivering dat het naar voren brengen van zijn persoonlijke en andere van belang geachte omstandigheden toch geen nut zou hebben, omdat de rechtbank kort tevoren geen ambtshalve beslissing had genomen zijn voorlopige hechtenis te schorsen, kan niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van een objectief gerechtvaardige vrees van vooringenomenheid van de rechters. De meervoudige strafkamer had zich op 13 september 2007 beraden aan de hand van de haar op dat moment op basis van de stukken bekend zijnde feiten en omstandigheden. Er zijn derhalve geen gronden aan te nemen dat een verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis ter terechtzitting van 18 september 2007, onderbouwd met door verzoeker aan te voeren persoonlijke belangen, bij voorbaat kansloos zou zijn.

3.7

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. [X], mr. [Y] en mr.dr. [Z].

Deze beslissing is gegeven op 20 september 2007 door mr. M.C. van der Kolk, voorzitter, mr. L.A.C. van Nifterick en mr. D.C.J. Peeck, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.