Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB4476

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-09-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
10/602015-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

stemherkenning onvoldoende betrouwbaar

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 387
NBSTRAF 2007/387

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/602015-06

Datum uitspraak: 27 september 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de Rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De Geniepoort te Alphen aan den Rijn,

raadsman mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 mei 2007, 25 juli 2007 en van 17 september 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Dekkers heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek

van voorarrest.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Zoals is beslist op de terechtzitting van 1 mei 2007 is de dagvaarding wat betreft de woorden "onder andere" in het subsidiair tenlastgelegde feit partieel nietig, omdat - in strijd met het bepaalde in artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering - onduidelijk is op welke feitelijke handelingen deze woorden betrekking hebben.

VRIJSPRAAK

Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de bewezenverklaring kan worden gebaseerd op het volgende:

- de verslagen van telefoongesprekken die blijkens stemherkenningen door de verdachte en medeverdachten zijn gevoerd, waaronder de hierna te noemen telefoongesprekken van 8 april 2006; tijdens veel van deze telefoongesprekken is in bedekte termen over de onderhavige drugs gesproken;

- de mededeling van de verdachte na het verhoor van 3 september 2006 over een telefoongesprek waaraan, behalve door de verdachte en door medeverdachte [X], ook door de broer van de verdachte, medeverdachte [Y], zou zijn deelgenomen;

- de verklaringen van medeverdachte [X] tegenover de politie, waarbij hij zijn betrokkenheid bij de onderhavige drugszaak heeft bekend; aan de verklaring van [X], op de terechtzitting als getuige gehoord, dat degene met wie hij over de drugs heeft gebeld en wiens naam hij aanvankelijk niet wilde noemen, niet, zoals de officier van justitie aanneemt, de verdachte is, maar een inmiddels doodgeschoten Britse drugscrimineel, dient geen geloof te worden gehecht;

- de omstandigheid dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht.

standpunt van de verdachte

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. De verdachte ontkent te hebben deelgenomen aan de telefoongesprekken die door de politie en de officier van justitie aan hem worden toegeschreven.

inhoud van de tapgesprekken

De door de officier van justitie bedoelde telefoongesprekken van 8 april 2006 betreffen drie telefoongesprekken tussen twee mannen waarbij telkens gebruik is gemaakt van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. Tijdens het telefoongesprek dat om 15.02 uur start, spreken de twee mannen elkaar na enige tijd aan met de voornaam. De beller met telefoonnummer [telefoonnummer 1] wordt '[voornaam 2]' genoemd, de beller met telefoonnummer [telefoonnummer 2] wordt '[voornaam 1]' genoemd. Tijdens het telefoongesprek dat start om 17.02 uur wordt gesproken over 'dad' (pa) en tijdens het telefoongesprek dat start om 17.55 uur wordt door de ene spreker gezegd dat hij 'ma' heeft gebeld. De andere spreker zegt dat hij net met 'pa' heeft gebeld. De voornaam van de verdachte is [voornaam 1] en de voornaam van de broer van verdachte is [voornaam 2]. Zij hebben dus dezelfde voornamen als de twee mannen die de telefoongesprekken voerden, die kennelijk ook broers van elkaar zijn.

Hoewel dit een opmerkelijke overeenkomst is, is dit op zich onvoldoende om de verdachte - die ontkent voormelde gesprekken te hebben gevoerd - als één van de gespreksdeelnemers aan te merken. Daar komt bij dat de gesprekken, ook al zouden ze wel door de verdachte en zijn broer [voornaam 2] zijn gevoerd, op zichzelf niet voldoende bewijs opleveren voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde.

mededeling van de verdachte buiten verhoor

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 3 september 2006 een getapt telefoongesprek van 8 april 2006 om 13.58 uur te horen gekregen, eveneens gevoerd tussen de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. Blijkens het tapverslag wordt dit gesprek aanvankelijk gevoerd tussen [X] en [voornaam 1] en wordt het gesprek daarna van [voornaam 1] overgenomen door (vermoedelijk) [voornaam 2], die dan onder meer praat over de auto van een meisje.

De verdachte heeft hierop tijdens het verhoor gereageerd met de woorden 'geen commentaar'.

Na het verhoor deelde de verdachte de verbalisanten mee dat zijn broer er niets mee te maken had. In het telefoongesprek waarin [voornaam 2] sprak over auto's en een meisje, had hij het volgens de verdachte over de auto van zijn vrouw.

Uit deze toelichting van de verdachte op wat zijn broer heeft bedoeld kan, anders dan door de officier van justitie gesteld, niet worden afgeleid dat de verdachte, zoals het tapverslag aangeeft, ook zelf aan dit telefoongesprek heeft deelgenomen.

stemherkenning door de verbalisant en de tolk

Naast de vier hiervoor genoemde getapte telefoongesprekken, zijn diverse andere telefoongesprekken aan de verdachte toegeschreven, waarin in bedekte termen over drugs zou worden gesproken. Dit zogeheten toeschrijven vond plaats door één van de bij het onderzoek betrokken verbalisanten, de heer [verbalisant], en door de tolk Engels, mevrouw [tolk].

Uitgangspunt bij het toeschrijven van de telefoongesprekken aan de verdachte in de periode dat het opsporingsonderzoek nog liep was volgens [verbalisant] in eerste instantie het hiervoor genoemde telefoongesprek van 8 april 2006 om 15.02 uur waarin de voornaam van de verdachte werd genoemd. Later zijn daarbij ook betrokken de door [verbalisant] op 2 en 3 september 2006 van de verdachte afgenomen verhoren en de daaraan voorafgaande en na afloop daarvan gevoerde gesprekken ("praatjes pot") met verdachte.

[verbalisant] heeft met betrekking tot dat laatste tijdens zijn verhoor als getuige op de terechtzitting van 17 september 2007 verklaard dat hij de stem van de verdachte kende van het uitluisteren van de getapte telefoongesprekken en dat hem tijdens de verhoren en voormelde "praatjes pot" niet is opgevallen dat zijn stemgeluid anders was. [verbalisant] verklaart: "Ik heb daarbij niet bewust naar de stem van de verdachte geluisterd, maar als het mij tijdens de verhoren was opgevallen dat het een ander stemgeluid was geweest, dan had ik daar wat mee gedaan." Volgens [verbalisant] was de stemherkenning destijds ook nog geen issue voor het opsporingsteam.

Blijkens de processen-verbaal en hetgeen [verbalisant] daarover als getuige heeft verklaard, was de verdachte tijdens de verhoren weinig spraakzaam. Op twee vragen na, waarbij zijn antwoorden bestonden uit slechts een paar woorden, heeft de verdachte de rest van de vragen beantwoord met de opmerking "geen commentaar" dan wel daarop helemaal niet geantwoord en met lichaamstaal aangegeven dat hij geen commentaar wilde geven. Uit hetgeen [verbalisant] heeft verklaard met betrekking tot de "praatje pot"gesprekken wordt afgeleid dat die gesprekken van betrekkelijk korte duur zijn geweest, telkens hooguit enkele minuten.

Uit het vorenstaande volgt dat [verbalisant] zich destijds (nog) niet bewust heeft bezig gehouden met de stemherkenning van de verdachte, terwijl het vergelijkingsmateriaal voor [verbalisant] slechts bestond uit de paar woorden die de verdachte heeft geuit tijdens de verhoren en uit de betrekkelijk kortdurende gesprekken die [verbalisant] daarvoor of daarna met de verdachte heeft gevoerd.

[tolk] heeft tijdens haar verhoor als getuige op de terechtzitting van 25 juli 2007 over de stemherkenning verklaard dat het hiervoor genoemde telefoongesprek van 8 april 2006, tijdens welk gesprek de gespreksdeelnemers elkaar bij de voornamen [voornaam 1] en [voornaam 2] noemen, de referentie is geweest voor alle andere gesprekken, in ieder geval wat betreft de gesprekken die aan [voornaam 1] werden toegeschreven. Of [tolk] zich tijdens de verhoren van de verdachte bewust heeft bezig gehouden met een vergelijking van het stemgeluid dat zij over de taps had gehoord met dat van de verdachte blijkt niet. Er wordt daarom van uitgegaan dat tijdens het opsporingsonderzoek voor [tolk] louter het telefoongesprek van 8 april 2006 uitgangspunt is geweest bij het toeschrijven van telefoongesprekken aan de verdachte.

Blijkens de verklaring van verbalisant [verbalisant] is hem pas op 1 mei 2007, toen de officier van justitie hem hierover benaderde tijdens een schorsing van de inhoudelijke behandeling op zitting, gebleken dat de vraag of verdachte de getapte telefoongesprekken had gevoerd een "issue" was. Om die reden hebben [verbalisant] en [tolk] op 1 mei 2007, 9 mei 2007 en 24 juni 2007 op verzoek van de officier van justitie dan wel de rechtbank een aantal van de opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken opnieuw beluisterd. Beiden zijn daarbij tot een stemherkenning van de verdachte gekomen; het stemgeluid van de verdachte tijdens de gehouden verhoren kwam overeen met het stemgeluid van de persoon die de telefoongesprekken voerde die aan de verdachte zijn toegeschreven.

[verbalisant] geeft in een proces-verbaal die van de nadere stemherkenningen zijn opgemaakt aan dat hij daarbij de stem van de verdachte heeft herkend aan zijn intonatie en zijn manier van reageren op anderen. [tolk] herkent de stem van de verdachte op basis van het timbre van de stem, de manier waarop hij bepaalde woorden zei en de manier waarop hij in het algemeen sprak.

Bij de beoordeling van de bewijswaarde van deze stemherkenningen wordt in aanmerking genomen dat [verbalisant] en [tolk] reeds eerder, in een vroegtijdig stadium van het onderzoek, hadden aangenomen dat de stem in kwestie de stem van de verdachte moest zijn. Met deze wetenschap in het achterhoofd zijn deze latere stemherkenningen gedaan. Het wordt daarom niet uitgesloten geacht dat de eerdere aanname van [verbalisant] en [tolk] dat het om verdachtes stem ging van invloed is geweest op de latere stemherkenningen. Van een volkomen neutrale stemherkenning is in ieder geval geen sprake geweest. Bovendien hebben de latere stemherkenningen plaatsgevonden 8 tot 10 maanden na de data waarop de verhoren van de verdachte plaatsvonden en [verbalisant] en [tolk] de verdachte voor het laatst (live) hadden horen praten, welk tijdsverloop de betrouwbaarheid daarvan niet vergroot.

Daar komt bij dat [verbalisant] en [tolk] geen wetenschappelijk onderlegde deskundigen zijn op het gebied van stemherkenning.

Het vorenstaande leidt er toe dat zowel het toeschrijven van de telefoongesprekken in de periode voorafgaande aan 1 mei 2007, als de latere stemherkenningen onvoldoende zijn om buiten iedere redelijke twijfel aan te nemen dat de onderhavige telefoongesprekken ook daadwerkelijk door de verdachte zijn gevoerd. Dit kan ook niet worden aangenomen indien de toeschrijvingen en latere herkenningen worden bezien in samenhang met hetgeen tijdens de gesprekken van 8 april 2006 is gezegd en/of met de opmerking van de verdachte na het verhoor van 3 september 2006.

Hierbij is mede in aanmerking genomen dat uit het dossier ook niet blijkt van een andere link tussen de verdachte en de afgetapte telefoongesprekken.

De door de officier van justitie aangehaalde verklaringen die medeverdachte [X] heeft afgelegd leveren geen zelfstandig bewijs op tegen de verdachte, terwijl hetzelfde geldt voor de proceshouding van de verdachte.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken.

BESLISSING

De rechtbank:

- verstaat dat de dagvaarding wat betreft de woorden "onder andere" in het subsidiair tenlastgelegde feit partieel nietig is;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. Sikkel en Frankruijter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Groenhof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 september 2007.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 27 september 2007 inzake [naam verdachte]

Tenlastelegging

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 april 2006 tot en met 27 april 2006 te Amersfoort en/of te Naarden en/of te Bussum en/of te Amsterdam,in elk geval te Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet en/of opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt,

althans opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 39 kilo heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

(Artikel 2 A/B/C Opiumwet jo 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 8 april 2006 tot en met 27 april 2006 te Amsterdam en/of te Schiphol, in elk geval in Nederland en/of te St. Helens (Merseyside), in elk geval in het Verenigd Koninkrijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander of anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachte's mededader(s) (onder andere) (telefonische) besprekingen gevoerd over de aankoop van heroïne en/of (telefonische) besprekingen gevoerd met de kopers en/of (telefonische) besprekingen gevoerd over (het aankopen van) een monster (heroïne) en/of afspraken gemaakt over de financiering/betaling aan leveranciers en/of afspraken gemaakt over het vervoer van de/het heroïne(transport) en/of (mobiele) telefoon(s) overhandigd;

(artikel 10a Opiumwet jo 47 Wetboek van Strafrecht)