Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB4245

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
789211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een telecombedrijf stelt dat gedaagde, met wie zij een overeenkomst voor twee jaar was aangegaan, een factuur niet tijdig heeft betaald. Het telecombedrijf vordert betaling van die factuur en van de resterende kosten die gedaagde aan haar verschuldigd zou zijn uit hoofde van de gesloten overeenkomst.

Gedaagde stelt dat de betreffende factuur tijdig is voldaan.

De kantonrechter stelt gedaagde in de gelegenheid zich uit te laten over het moment van betaling van de betreffende factuur en over de omvang van de schadevergoeding die zij van gedaagde vordert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ORANGE NEDERLAND N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiseres,

gemachtigde: Blume Stolker en Roel Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als Orange, respectievelijk [gedaagde].

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- inleidend exploot van dagvaarding van 27 februari 2007, met één productie;

- aantekening mondeling antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek, met producties.

2. De feiten

2.1. In april 2005 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot het gebruik van de mobiele telefoniediensten die Orange levert.

Voor het gebruik van deze diensten heeft Orange diverse facturen toegezonden aan [gedaagde].

2.2. Bij dagvaarding is een overzicht van de verzonden facturen en de gedane betalingen in het geding gebracht.

Het gaat om de volgende facturen:

1. 30-04-05 ad € 133,74

2. 28-05-05 ad € 157,03

3. 30-06-05 ad € 247,32

4. 25-07-05 ad € 25,00

5. 30-08-05 ad € 64,26

6. 30-09-05 ad € 214,28.

De facturen, genoemd onder 1., 2, 3, 5. en 6 zijn alle op of vóór de vervaldatum voldaan. Voor de factuur, genoemd onder 4., geldt eveneens dat deze op of vóór de vervaldatum was voldaan, maar korte tijd hierna is de bank tot stornering van het bedrag van € 25,00 overgegaan.

2.3. Toen nadere betaling van het nog openstaande bedrag van € 25,00 volgens Orange uitbleef, is Orange op 30 september 2005 overgegaan tot het blokkeren van de mobiele telefoonaansluiting. Op 20 oktober 2005 was het bedrag van € 25,00 volgens Orange nog steeds niet betaald en heeft Orange toen de overeenkomst tussen partijen ontbonden.

2.4. Op de overeenkomst tussen partijen zijn de algemene voorwaarden van Orange van toepassing. Deze bevatten onder meer het beding dat bij ontbinding van de overeenkomst op grond van wanprestatie van de afnemer van de mobiele telefoondiensten de vaste kosten over de resterende looptijd bij wege van schadevergoeding in rekening worden gebracht.

2.5. De overeenkomst tussen partijen was aangegaan voor de duur van 24 maanden. Ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst bedroeg de resterende looptijd nog 18 maanden. Bij factuur van 1 november 2005 zijn deze à raison van € 32,50 per maand aan [gedaagde] in rekening gebracht. Deze factuur kwam dus uit op een bedrag van € 585,00.

3. Het geschil

3.1. Orange vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 789,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 610,00 vanaf 11 januari 2007 tot de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Het bedrag van € 786,73 bestaat uit de hoofdsom (€ 610,00), de tot 11 januari 2007 verschenen rente (€ 29,73) en de buitengerechtelijke kosten (€ 150,00).

3.2. [gedaagde] betwist de vordering van Orange gemotiveerd en concludeert tot afwijzing ervan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het door Orange in hoofdsom gevorderde bedrag betreft naar haar zeggen twee facturen, te weten de factuur van 25 juli 2005 ad € 25,00 en die van 1 november 2005 ad € 585,00.

4.2. Bij antwoord heeft [gedaagde] gesteld dat het bedrag van € 25,00 ‘inmiddels’ was betaald. Bij dupliek heeft zij een kopie van een bankafschrift overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat op 20 september 2005 een bedrag van € 26,00 aan Orange is betaald. Indien dit juist blijkt te zijn, brengt dit met zich dat – gelet op het betalingsgedrag van [gedaagde] – Orange op 20 oktober 2005 geen grond meer had om de overeenkomst tussen partijen te ontbinden, nu Orange op 30 september 2005 [gedaagde] nog de gelegenheid heeft gegeven om tot betaling over te gaan alvorens de overeenkomst te ontbinden. Gevolg hiervan is dan dat Orange ook geen aanspraak kan maken op schadevergoeding.

4.3. Het komt dan ook geraden voor dat Orange zich over deze door [gedaagde] gestelde en bij dupliek, met een kopie van een bankafschrift gestaafde, betaling uitlaat.

4.4. Wanneer Orange de door [gedaagde] gestelde betaling mocht blijven betwisten en komt deze betaling in rechte niet vast te staan, dan wil dit nog niet zeggen dat de vordering tot betaling van het bedrag van € 585,00 zonder meer toewijsbaar is.

4.5. Voor deze situatie geldt het volgende.

De Raad van Europese Gemeenschappen heeft op 5 april 1993 een Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten uitgevaardigd (93/13), ter bescherming van de consument tegen bedingen die het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren.

In een bij deze Richtlijn behorende bijlage is een lijst van in algemene voorwaarden voorkomende bedingen opgenomen, die als oneerlijk in de zin van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt. In die lijst is onder andere het beding opgenomen dat tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

In zijn arrest van 27 juni 2000 (Oceano; NJ 2000, 730) heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de rechters van de Lid-Staten ambtshalve behoren te toetsen of een beding in de algemene voorwaarden als een oneerlijk beding in de zin van eerdergenoemde Richtlijn moet worden aangemerkt. Het Hof oordeelde dat de ambtshalve toetsing een geschikt middel is om het met de Richtlijn beoogde resultaat (dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument de consument niet binden) te bereiken en ook een geschikt middel om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen.

In casu gaat het om het beding dat voorziet in het opleggen van een schadevergoeding ingeval de consument zijn of haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt. Een dergelijk beding kan alleen dan als oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn worden aangemerkt als het tot doel dan wel tot gevolg heeft dat het leidt tot een ‘onevenredig hoge schadevergoeding’. Dat het beding in de algemene voorwaarden van Orange beoogt om de consument een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen, kan niet worden aangenomen. Het komt de kantonrechter echter wel voor dat het beding in dit geval tot gevolg heeft dat de gevorderde schadevergoeding als onevenredig hoog moet worden aangemerkt, gelet op het feit dat veel hogere facturen voor en na de onbetaald gebleven factuur van € 25,00 alle tijdig zijn voldaan en voor deze situatie moet worden aangenomen dat sprake is van een wanverhouding tussen de wanprestatie en de schadevergoeding en wel een zodanige wanverhouding dat de gevorderde schadevergoeding onevenredig hoog moet worden geacht.

4.6. Teneinde rechterlijke verrassingen te voorkomen, komt het geraden voor dat Orange zich eveneens uitlaat over de overwegingen ten aanzien van het Europese recht.

4.7. De zaak zal dan ook naar de openbare rolzitting worden verwezen voor uitlaten aan de zijde van Orange met de in rechtsoverwegingen 4.3. en 4.6. weergegeven doelstellingen. [gedaagde] zal daarna nog in de gelegenheid worden gesteld om op de nadere stellingen van Orange te reageren.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de openbare rolzitting van 9 augustus 2007 voor uitlaten aan de zijde van Orange;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W.M. Dekkers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.