Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB3496

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
240189 / HA ZA 05-1687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop van een nieuwe auto die in de eerste twee jaar na levering diverse gebreken vertoont. Geen richtlijnconforme interpretatie van boek 7 titel 1 BW ten nadele van één van partijen. Gelet op het aanzienlijke gebruik van de auto - zowel voor als na ontbinding - zou koper ongerechtvaardigd verrijkt worden ten koste van verkoper, indien koper met een geslaagd beroep op ontbinding de volledige koopprijs terug zou krijgen zonder een vergoeding te betalen voor het gebruik van de auto. Bewijsopdracht aangaande piepende remmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 240189 / HA ZA 05-1687

Uitspraak: 15 augustus 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur en advocaat mr. I.C.J. Brinkhof,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOSERVICE WILLEMSE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur en advocaat mr. D.H. Sterke.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "Willemse".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 3 mei 2005 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- herstelexploit d.d. 20 mei 2005, waarbij [eiseres] Willemse heeft opgeroepen om op 8 juni 2005 bij procureur te verschijnen bij deze rechtbank;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 3 augustus 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brief d.d. 18 augustus 2005 van mr. Sterke, met productie;

- brief d.d. 12 oktober 2005 van mr. Brinkhof, met productie;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 27 oktober 2005;

- conclusie van repliek in conventie, tevens inhoudende een wijziging van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met productie;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte tot vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in reconventie, tevens conclusie naar aanleiding van akte vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie;

- brief d.d. 12 oktober 2006 van mr. Sterke, met producties;

- brief d.d. 27 november 2006 van mr. Brinkhof, met producties;

- brief d.d. 5 december 2006 van mr. Brinkhof, met productie;

- brief d.d. 7 december 2006 van mr. Sterke, met productie;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities.

1.2 [eiseres] heeft bij conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende conclusie naar aanleiding van akte vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie bezwaar gemaakt tegen het aanvoeren van nieuwe feiten en stellingen door Willemse bij conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte tot vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie. Dit bezwaar wordt verworpen. [eiseres] wordt niet onredelijk in haar processuele positie geschaad, nu zij op de in de betreffende conclusie opgenomen feiten en stellingen heeft kunnen reageren; ook kan niet gezegd worden dat de procedure hierdoor onredelijk is vertraagd.

1.3 [eiseres] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van Willemse in reconventie. [eiseres] stelt dat de eisvermeerdering niet toelaatbaar is omdat Willemse bij wijze van eisvermeerdering een eis in voorwaardelijke reconventie instelt, die bij conclusie van eis in reconventie ingesteld had moeten worden. Willemse kan geen aanvullende vordering formuleren die is gebaseerd op een andere grondslag dan de oorspronkelijke eis in reconventie, aldus [eiseres]. Dit betoog slaagt niet. Willemse heeft tijdig – bij conclusie van eis in reconventie – een eis in reconventie ingesteld. Het staat haar vrij haar eis en de gronden daarvan te wijzigen binnen de grenzen van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Hiertoe behoort ook het (deels) voorwaardelijk maken van de (vermeerderde) eis in reconventie. De eiswijziging is niet in strijd met de goede procesorde, nu [eiseres] hierdoor niet onredelijk in haar processuele positie is geschaad en de procedure hierdoor niet onredelijk is vertraagd.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weer¬sproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voorzover van belang – het volgende vast:

2.1 Willemse heeft bij overeenkomst d.d. 4 juli 2002 (hierna: de koopovereenkomst) aan [eiseres] een nieuwe Peugeot 206 cc 2.0.-16V A2 met kenteken 49-JP-NR (hierna: de auto) verkocht. De koopprijs voor de auto was € 23.299,-- (incl. BTW). Voor de auto gold een tweejarige fabrieksgarantie. [eiseres] heeft door Autoshop Brabant een alarmsysteem in de auto laten inbouwen voor een bedrag van € 719,10 (incl. BTW).

2.2 De koopovereenkomst is een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW.

2.3 Willemse heeft [eiseres] op 4 juli 2002 gefactureerd voor de auto. Op de factuur staat onder meer:

“Op al onze transacties zijn de BOVAG-standaardbepalingen van toepassing, welke verkrijgbaar en ter inzage zijn bij ons bedrijf.”

2.4 Artikel 21 van de BOVAG-standaardbepalingen bepaalt onder meer:

“Is de in artikel 20 genoemde bemiddelingspoging niet geslaagd of geeft de koper/opdrachtgever niet de voorkeur aan een bemiddeling, dan kan de koper/opdrachtgever het geschil schriftelijk voorleggen bij de Geschillencommissie Auto van de Stichting Geschillencommissies (..). De Geschillencommissie Auto doet uitspraak in de vorm van een bindend advies (..)”

2.5 De auto is op of omstreeks 5 juli 2002 door Willemse aan [eiseres] geleverd. Na de levering hebben zich een aantal problemen voorgedaan met de auto waarop in dit vonnis nader wordt ingegaan.

2.6 [eiseres] heeft Willemse bij brief d.d. 6 maart 2003 in gebreke gesteld:

“(..) Allereerst is de auto zo’n 7 keer bij uw garage terug geweest wegens het niet correct functioneren van de geluidsinstallatie. Vervolgens heb ik problemen gehad met de rechter voorportierruit, die niet wilde sluiten, en een niet goed sluitend bijrijderportier. Deze problemen zijn overigens inmiddels verholpen. Ook heb ik een probleem gehad met de airbag, hetgeen in eerste instantie goed is opgelost.

Vanaf oktober ondervind ik zeer veel hinder door het niet normaal functioneren van het remsysteem. Wanneer ik het rempedaal aanraak, ontstaat er een hard en zeer irritant piepgeluid. (..)

Momenteel doen zich wederom problemen voor met de airbag en is de auto weer een dag bij u geweest om een niet functionerend achterraam te repareren. Dit achterraam is gerepareerd maar nog geen week later bleek het raam nog altijd niet correct te functioneren. (..)

Ook met betrekking tot de contactsleutels en sloten zal ik mijn auto weer bij uw garage moeten brengen voor enige werkzaamheden. (..)

Ik stel u hierbij (..) in gebreke. Ik verzoek en voor zover nodig sommeer ik u binnen veertien dagen met een gedegen oplossing van het probleem te komen. Mocht u hiertoe niet overgaan, dan zal ik mij genoodzaakt voelen de koopovereenkomst te ontbinden. Tevens zal ik de schade welke ik door uw wanprestatie / toerekenbare tekortkoming heb geleden en de schade die ik dientengevolge eventueel in de toekomst nog zal lijden van u vorderen.”

2.7 Bij brief d.d. 28 mei 2003 heeft [eiseres] Willemse als volgt bericht:

“Naar aanleiding van de door mij verstuurde ingebrekestelling van 6 maart 2003, is door u besloten alle klachten uit eerder genoemde brief in een keer te verhelpen. Dit zou gebeuren op 7 april 2003. Na de werkzaamheden die op 7 april 2003 zijn verricht heb ik met iemand van uw organisatie (..) gesproken. In dit telefonisch onderhoud gaf hij te kennen dat de oplossing die is toegepast op de piepende remmen, een oplossing van tijdelijke aard is. (..). Inmiddels bent u dan ook in verzuim. (..)

Hier komt bij dat de problemen met de elektrische ramen nog altijd niet zijn opgelost. Inmiddels zijn de problemen verergerd. Wanneer harder dan 110 kilometer per uur wordt gereden, begint het raam hard te tikken. (..) Bovendien hebben wij nog regelmatig het probleem dat met name de bijrijderramen niet willen sluiten.

Verder heb ik moeten constateren dat het dak sinds kort op twee plekken lekt. Met name wanneer de auto met een hogedrukspuit wordt gewassen of wanneer de auto door een wasstraat gaat, stroomt het water letterlijk naar binnen. (..)

Als blijk van goede wil, zal ik echter vooralsnog niet overgaan tot ontbinding van de koopovereenkomst. Gaarne wil ik u drie opties bieden.

Allereerst kunt u alsnog overgaan tot de oplossing van blijvende aard en herstel van de ramen en het dak.

Ten tweede kunt u besluiten een toezegging te doen, dat wanneer in de toekomst opnieuw problemen ontstaan met het remsysteem, u alsnog zult overgaan tot toepassing van de oplossing van blijvende aard. (..)

De derde optie is akkoord te gaan met ontbinding van de koopovereenkomst, de aankoopsom te retourneren en de schade die ik door uw wanprestatie heb geleden en nog zal lijden te vergoeden. (..)

Gaarne verneem ik uw reactie en keuze voor 12 juni 2003. Mocht u voor die tijd geen gemotiveerde reactie op dit schrijven geven, dan rest mij geen andere optie dan ontbinding van de koopovereenkomst.”

2.8 In reactie op de brief d.d. 28 mei 2003 heeft Willemse [eiseres] bij brief d.d. 7 juni 2003 als volgt bericht:

“Ten eerste spijt het mij dat de problemen met uw auto tot op heden niet afdoende zijn opgelost. (..). Ik zal donderdag 12 juni contact met u opnemen, om tot een oplossing te komen.”

2.9 Willemse heeft [eiseres] bij brief d.d. 21 augustus 2003 bericht:

“De remmen zijn de laatste keer door ons behandeld met een anti piep middel en daarvoor ontwikkelde plaatjes. Als er in de toekomst weer problemen met de remmen ontstaan op het gebied van piep geluiden dan zal Auto Service Willemse deze behandeling weer uitvoeren en de kosten hiervan op zich nemen. Elk rem systeem is onderhevig aan slijtage, de kosten hiervan zijn voor rekening van de klant.

Wij zijn ook van mening dat u in het eerste jaar te veel ongemakken aan de auto heeft ondervonden. Wij willen u dan ook het volgende voorstellen. De leeuwenkeur verzekering zoals in uw brief aangegeven daar zullen wij de helft van voor onze rekening nemen. (..)”

2.10 Bij brief d.d. 2 maart 2004 heeft [eiseres] een opsomming gegeven van de problemen die zij in de 18 maanden sinds de aanschaf van de auto heeft gehad en heeft zij gevraagd om een bespreking om tot een oplossing te komen. Op 9 maart 2004 vond deze bespreking plaats. Willemse heeft daarbij een voorstel gedaan tot inruil van de auto tegen een nieuwe Peugeot 206cc 2.0 liter Roland Garros met alarm, waarbij [eiseres] € 8.825,-- zou moeten bijbetalen. Bij brief d.d. 23 maart 2004 heeft [eiseres] het voorstel van Willemse verwor¬pen en een tegenvoorstel gedaan, waarbij zij een bedrag zou bijbetalen van € 3.000,--. [eiseres] heeft dit bedrag later verhoogd tot € 4.000,--. Partijen hebben geen overeen¬stemming bereikt over een inruil van de auto.

2.11 [eiseres] heeft de koopovereenkomst bij brief d.d. 15 juni 2004 ontbonden en Willemse gesommeerd tot terugbetaling van de koopprijs. Willemse heeft de ontbinding van de hand gewezen. Diverse schikkingspogingen in de periode van juli 2004 tot januari 2005 hebben niet tot een oplossing geleid. [eiseres] heeft de auto na de ontbinding van de koopovereenkomst onder zich gehouden en daarvan gebruik gemaakt.

3 Het geschil in conventie

3.1 [eiseres] vordert – na eiswijziging en zakelijk weergegeven – om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair:

a. te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst bij brief d.d. 15 juni 2004 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden;

b. Willemse te veroordelen om aan [eiseres] de koopsom ad € 24.018,10 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2004;

Subsidiair:

a. de koopovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden met dien verstande dat de koop¬prijs wordt verminderd met een bedrag ter grootte van het verschil tussen de huidige verkoopwaarde en de oorspronkelijke koopprijs, nader op te maken bij staat, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

b. Willemse te veroordelen om aan [eiseres] het door de rechtbank aldus vast te stellen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de koopovereenkomst, althans vanaf 15 juni 2004, althans vanaf de dag van de dagvaarding;

II. Willemse te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 342,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

III. Willemse te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, zijnde een bedrag van € 998,--;

IV. Willemse te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat Willemse de proces¬kosten dient te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan Willemse de wettelijke rente over de proceskos¬ten verschuldigd is.

3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan haar vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

a. Willemse heeft niet voldaan aan haar verplichtingen onder de koopovereenkomst. De auto bezat en bezit niet de eigenschappen die [eiseres] op grond van de koopover¬een¬komst mocht verwachten. Van een nieuwe auto mag verwacht worden dat deze gedurende geruime tijd probleemloos functioneert. De auto had echter een groot aantal gebreken, waardoor de auto veelvuldig en langdurig terug moest naar de garage. De reparaties aan de auto waren echter vaak niet afdoende. Hierbij heeft Willemse slechts een enkele keer gezorgd voor vervangend vervoer.

b. [eiseres] heeft steeds tijdig geklaagd over de geconstateerde gebreken. [eiseres] heeft Willemse bij brief d.d. 6 maart 2003 in gebreke gesteld, waarbij een termijn is gegeven van 14 dagen om met een gedegen oplossing te komen. Willemse heeft hieraan geen gevolg gegeven.

c. Nadat besprekingen over een inruil van de auto in 2004 niet tot overeenstemming hebben geleid – mede doordat Willemse niet voldoende wilde betalen voor de auto – heeft [eiseres] de koopovereenkomst bij brief d.d. 15 juni 2004 ontbonden. Het gevolg hiervan is dat op beide partijen een ongedaanmakingsverplichting is komen te rusten. [eiseres] is gehouden de auto te retourneren, Willemse is gehouden de betaalde koopprijs terug te betalen. [eiseres] heeft haar verplichting tot teruggave van de auto opgeschort omdat Willemse waarschijnlijk de koopprijs niet zou terugbetalen.

d. Als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Willemse heeft [eiseres] schade geleden. [eiseres] is met de auto ten minste 15 keer heen en weer naar de garage gereden ten behoeve van reparaties. De kosten hiervan begroot [eiseres] op (15 * 47 km * € 0,28 =) € 197,40. Voorts zijn er twee reparaties aan de auto uitgevoerd door een andere Peugeot dealer. De kosten van deze reparaties bedragen € 31,83 (voor de stuurkogel) respectieve¬lijk € 113,55 (voor vervanging van de remblokken).

e. [eiseres] heeft buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht. De kosten hiervan begroot zij op grond van Voorwerk-II op € 998,--.

3.3 Het verweer van Willemse strekt tot afwijzing van de vordering van [eiseres], met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding. Willemse heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

a. Willemse stelt dat er sprake was van enige kinderziekten en ongemakken, maar niet van tekortkomingen. De ondervonden problemen zijn niet ernstig en vormen geen aantasting van de veiligheid van de auto. De auto heeft vanaf de levering in 2002 tot september 2006 ongeveer 109.000 kilometer gereden, zodat alleen daaruit al blijkt dat de auto geschikt was voor normaal – zelfs intensief – gebruik. Tijdens de zogeheten A-beurt in oktober 2003 (maar ook bij de APK keuring in 2006) bleek dat de auto geen enkel (noemenswaardig) probleem had. Willemse heeft alle klachten serieus genomen, onderzocht en, waar de klacht gegrond bleek, verholpen. Zij heeft zoveel mogelijk een leenauto ter beschikking gesteld. Willemse is niet in verzuim.

b. [eiseres] heeft de auto sinds medio 2004 niet meer ter reparatie aangeboden aan Willemse, zodat de vermeende aanhoudende klachten voor Willemse oncontroleer¬baar en niet te repareren zijn.

c. De ontbinding van de koopovereenkomst is tardief. [eiseres] heeft de koopovereen¬komst pas ontbonden na twee jaar en na een groot aantal kilometers te hebben gereden met de auto. [eiseres] heeft zich bovendien bijzonder onredelijk opgesteld, onder meer door niet in te stemmen met een redelijk voorstel tot inruil van de auto.

d. De door [eiseres] gevorderde reiskosten van (15 * 47 km * € 0,28 =) € 197,40 worden betwist. De afstand van de woning van [eiseres] naar de garage van Willemse is slechts 5,6 en geen 47 kilometer. Bovendien dient te worden uitgegaan van een kilometerprijs van € 0,18. Willemse heeft bovendien zoveel mogelijk een leenauto ter beschikking gesteld c.q. [eiseres] had een vervangen¬de auto kunnen huren of de auto van haar man kunnen gebruiken. De – zeer beperkte – reiskosten dienen bovendien op grond van de verkeersopvattingen voor rekening van [eiseres] te blijven. Willemse betwist voorts de vergoeding die [eiseres] vordert voor reparaties die zijn uitgevoerd door andere Peugeot-dealers. De betreffende reparaties zijn uitgevoerd na het verstrijken van de garantietermijn van twee jaar en omvatten bovendien de gebruikelijke 60.000 kilometer beurt, waarvan de kosten in ieder geval voor [eiseres] moeten blijven. De vervanging van remblokken valt bovendien onder normaal onderhoud.

e. Willemse betwist de buitengerechtelijke incassokosten, nu [eiseres] een rechts¬bijstandverzekering heeft. [eiseres] heeft hierdoor geen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt.

4 Het geschil in (gedeeltelijk voorwaardelijke) reconventie

4.1 Willemse vordert – na eiswijziging en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 5.000,-- wegens nodeloos gemaakte kosten;

II. [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 33.830,-- als vergoeding voor het gebruik van de auto in de periode van 6 maart 2003 tot 6 januari 2006, te vermeerderen met een bedrag van € 995,-- voor iedere maand vanaf februari 2006 tot de dag waarop de auto bij Willemse wordt ingeleverd, welke gebruiksvergoeding voorwaardelijk wordt gevorderd voor het geval de rechtbank in conventie vaststelt dat de koopovereen¬komst is ontbonden c.q. deze ontbindt;

III. [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.

4.2 Aan deze vordering heeft Willemse – naast hetgeen in conventie als verweer is aan¬gevoerd en zakelijk weergegeven – de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

a. [eiseres] is ten onrechte niet ingegaan op het door Willemse gedane, redelijke, voorstel tot inruil van de auto. Bovendien heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een bindend advies te vragen in overeenstemming met de toepasselijke BOVAG standaardbepalingen of van het voorstel van Willemse om een andere deskundige in te schakelen. Willemse heeft hierdoor substantiële (extra) kosten moeten maken, voor welke kosten [eiseres] aansprakelijk is. [eiseres] begroot deze schade op € 5.000,--.

b. Indien de rechtbank de koopovereenkomst ontbonden acht, heeft Willemse recht op een vergoeding voor het gebruik door [eiseres] van de auto. Indien de koopover¬eenkomst ongedaan gemaakt zou moeten worden zonder enige vergoeding aan de zijde van [eiseres], zou [eiseres] een ongerechtvaardigd financieel voordeel hebben. Immers, [eiseres] heeft sinds juli 2002 gebruik kunnen maken van de auto en heeft dat ook in zeer ruime mate gedaan: 109.000 kilometer in iets meer dan vier jaar. De gevorderde vergoeding baseert Willemse op een maandelijkse huurprijs van € 995,-- en is berekend vanaf 6 maart 2003, de datum waarop [eiseres] voor het eerst met ontbinding dreigde.

4.3 Het verweer van [eiseres] strekt tot afwijzing van de vordering van Willemse, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Willemse in de kosten van het geding. Naast hetgeen [eiseres] in conventie heeft betoogd, heeft [eiseres] daartoe het volgende aangevoerd:

a. [eiseres] betwist dat de BOVAG standaardbepalingen van toepassing zijn. Boven¬dien bepalen de BOVAG standaardbepalingen niet dat gebruik gemaakt moet worden van de mogelijkheid van een bindend advies, de algemene voorwaarden bieden slechts de mogelijkheid daartoe. [eiseres] betwist voorts dat zij onredelijk heeft gehandeld.

b. [eiseres] betwist dat zij een gebruiksvergoeding verschuldigd is. Wanneer een koper op goede gronden het recht van ontbinding van de koop inroept, is de zaak voor risico van de verkoper. [eiseres] heeft zo weinig mogelijk gebruik gemaakt van de auto en heeft de auto laten onderhouden door een erkende Peugeot dealer. Er moet bovendien rekening mee worden gehouden dat [eiseres] doorreed in de auto om de schade voor Willemse te beperken. Voorts betwist zij de hoogte van de gevorderde vergoeding. Indien [eiseres] een gebruiksvergoeding zou moeten betalen, zou – zo heeft zij bij pleidooi betoogd – een dergelijke vergoeding ongeveer 6 % van de nieuwwaarde van de auto moeten bedragen. Bij de vaststelling van enige gebruiksvergoeding moet bovendien worden meegewogen dat de lange duur van de onderhavige procedure aan Willemse is te wijten, zodat er aanleiding is voor matiging.

5 De beoordeling

in conventie

A. Inleiding

5.1 De koopovereenkomst is een consumentenkoopovereenkomst die is gesloten op 4 juli 2002. De bepalingen van boek 7, titel 1 BW over de overeenkomst van koop zijn op 1 mei 2003 gewijzigd ter implementatie van richtlijn 99/44/EG. Het overgangsrecht voor deze wijzigingen in boek 7, titel 1 BW is neergelegd in artikel 196 Overgangswet Nieuw Burger¬lijk Wetboek. De hoofdregel van dit artikel is dat de per 1 mei 2003 ingevoerde bepalingen van boek 7, titel 1 BW over de consumentenkoop niet van toepassing zijn op een consumen¬tenkoop die vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde bepalingen is gesloten. Genoemd artikel 196 bevat enkele uitzonderingen op deze hoofdregel, maar gesteld noch gebleken is dat deze van toepassing zijn.

5.2 [eiseres] betoogt dat het voor 1 mei 2003 geldende recht richtlijnconform moet worden uitgelegd omdat richtlijn 99/44/EG geïmplementeerd had moeten zijn ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. Vooropgesteld wordt dat de onderhavige procedure wordt gevoerd tussen twee particulieren, dat wil zeggen twee partijen die beiden niet tot de overheid behoren noch daaraan gelieerd zijn. In een dergelijk geval kan richtlijnconfor¬me interpretatie alleen bij hoge uitzondering leiden tot een wijziging van de verplichtin¬gen die tussen partijen gelden uit hoofde van een tussen hen afgesloten overeenkomst. Voorzover de toepassing van de richtlijn in dit concrete geval zou leiden tot een afwijking van het vóór 1 mei 2003 geldende recht, geldt dat het in strijd met het rechtszeker¬heidsbeginsel zou zijn, indien het per 1 mei 2003 ingevoerde recht feitelijk met terug¬werkende kracht toegepast zou worden op de in 2002 gesloten koop¬over¬een¬komst. De gewijzigde bepalingen over (de gevolgen van non-conformiteit bij) een consumenten¬koop blijven daarom buiten toepassing.

5.3 Het uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil tussen partijen is artikel 7:17 lid 1 BW, dat in de kern bepaalt dat een verkochte zaak moet beantwoorden aan de overeen¬komst. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst, indien de zaak niet de eigenschap¬pen bezit die de koper op grond van de over¬eenkomst mocht verwachten. De koper mag in het bijzonder verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Daar¬bij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval waaronder de aard van de zaak, (serieus bedoelde) mededelingen van de verkoper, de prijs en de overige omstan¬digheden waaronder de koop plaats¬vond. Hierbij geldt dat gebreken die de veiligheid van de auto beïnvloeden, eerder tot de slotsom leiden dat de auto niet aan de overeenkomst beant¬woordt zodat de koopovereen¬komst daarom kan worden ontbonden, dan gebreken die de veiligheid niet beïnvloeden. Voorts kan meegewogen worden hoe vaak en hoe lang de auto voor reparatie terug moest naar de garage, maar dit is geen beslissende omstandigheid.

5.4 Bij de beoordeling of de auto beantwoordt aan de koopovereenkomst komt het aan op de toestand van de auto ten tijde van de levering. Bij gebreken die eerst later aan het licht komen, dient daarom te worden vastgesteld of deze zijn terug te leiden op de toestand van de auto ten tijde van de levering. Daarbij geldt – als algemeen gezichtspunt – dat gebreken die binnen afzienbare tijd na levering aan het licht komen, in beginsel geacht worden het gevolg te zijn van de toestand van de auto ten tijde van de levering, tenzij er feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die er op wijzen dat deze gebreken het gevolg zijn van gebeurtenissen na levering.

B. Non-conformiteit

B.1 Speakers

5.5 [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de speakers van de auto ondeugdelijk waren. Reeds op 16 juli 2002 is de auto (mede) hiervoor naar de garage geweest. Dit leidde volgens [eiseres] niet tot het gewenste resultaat en op 1 en 2 augustus 2002 is de auto wederom naar de garage gebracht voor de speakers. Op 2 augustus 2002 zijn de speakers vervangen. Echter, de problemen met de speakers hielden aan en op 20 september 2002 heeft Willemse zwaardere speakers geplaatst. [eiseres] heeft ter comparitie echter erkend dat het probleem met de speakers inmiddels opgelost is.

5.6 Willemse betwist voornoemde bezoeken aan de garage niet, maar stelt dat de speakers goed functioneerden. Nadat de echtgenoot van [eiseres] (hierna: [echtgenoot]) bij het bezoek aan de garage op 20 september 2002 had gezegd dat de problemen met de speakers vooral optraden als de radio “flink hard aan werd gezet”, werd volgens Willemse duidelijk dat het geluid bij een hard volume enigszins vervormde. Volgens Willemse is dit normaal voor de standaard (20W) speakers die in de auto zaten (en die [eiseres] had besteld). Willemse stelt dat zij de speakers alleen uit coulance heeft vervangen door 80W speakers.

5.7 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Willemse staat niet vast dat de speakers gebrekkig waren. De bewijslast van dit gebrek rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiseres]. Echter, nu in redelijkheid niet geoordeeld kan worden dat deze (opgeloste) klacht, alleen of als onderdeel van een groter geheel van klachten, een ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt (en enkele bezoeken aan de garage als zodanig geen reiskostenvergoeding rechtvaardigen), wordt [eiseres] op dit punt niet toegelaten tot bewijsvoering. De klacht over de speakers wordt daarom buiten beschouwing gelaten.

B.2 Piepende remmen

5.8 [eiseres] stelt dat de remmen van de auto sinds oktober 2002 een hard piepend geluid maken. Dit is direct gemeld aan Willemse en afgesproken werd dat het probleem zou worden opgelost bij de eerst volgende garantiebeurt die op 10 januari 2003 heeft plaats¬gevonden. Op 30 januari 2003 is er vervolgens een pasta aangebracht op de remschijven. [eiseres] stelt dat dit het piepende geluid niet heeft verholpen. Op 7 april 2003 zijn de remblokken vervangen en zijn “anti-piepplaatjes” aangebracht. Uiteindelijk is de pasta – zo stelt [eiseres] – enkele keren aangebracht.

5.9 Willemse erkent dat [eiseres] de problemen met de remmen heeft gemeld en dat de door [eiseres] gestelde werkzaamheden zijn uitgevoerd. Willemse stelt dat het probleem op 30 januari 2003 is opgelost, in die zin dat de remmen niet meer piepten tijdens de proefrit die is uitgevoerd na de werkzaamheden. Verder stelt Willemse dat piepende remmen een algemeen gegeven zijn bij auto’s sinds de verplichte afschaffing van remschijven met astbest in 2002; [eiseres] betwist dit. De piepende remmen functioneren overigens volgens Willemse goed, zodat er geen sprake is van een gevaarlijke situatie. Willemse heeft voorts aangegeven dat de piepende remmen mogelijk samenhangen met een “sportieve” rijstijl van [eiseres].

5.10 Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, begrijpt de rechtbank dat het vaker voorkomt dat de remmen van een Peugeot 206cc van het bouwjaar 2002 piepende geluiden maken en dat er hiervoor – in ieder geval in theorie - drie oplossingen zijn. De eerste oplossing betreft het aanbrengen van een pasta op de remschijven, de tweede oplossing is het aanbrengen van anti-piepplaatjes en de derde oplossing is het aanbrengen van een ander soort remschijven (niet-piepende remschijven). De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiseres] over deze oplossingen aldus dat de pasta enkele keren is aangebracht en dat er anti-piepplaatjes zijn aangebracht, maar dat dit niet echt helpt. Het geluid is weliswaar iets minder geworden – het klinkt niet meer als “het metalige geluid van een tram” – maar de remmen piepen nog steeds, aldus [eiseres]. Willemse stelt dat de meeste mensen “van onderhoudsbeurt tot onderhouds¬beurt rijden”, waarbij de pasta tijdens de onderhoudsbeurt wordt aangebracht. Bij een dergelijk onderhoud piepen de remmen in de ochtend even, maar na enig remmen is dat weer over, aldus Willemse. Het aanbrengen van niet-piepende remschijven van een ander soort – door partijen in de procedure aangeduid als “Brembo-schijven” – is volgens Willemse een “over¬kill”, die er bovendien toe leidt dat de fabrieksgarantie voor de auto vervalt. [eiseres] betwist dat het vervallen van de garantie ooit ter sprake is gekomen.

5.11 De rechtbank overweegt hierover als volgt. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat de remmen van de auto piepten voordat de pasta en de anti-piepplaatjes werden aangebracht en dat dit tijdig aan Willemse is gemeld. Nu de remmen na circa drie maanden na levering zijn gaan piepen en Willemse geen – onderbouwde – feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat dit het gevolg is van een omstandigheid die zich heeft voorgedaan na levering, gaat de rechtbank er vanuit dat dit het gevolg is van de toestand van de auto ten tijde van de levering. Weliswaar suggereert Willemse dat het piepen van de remmen is te wijten aan de rijstijl van [eiseres], maar deze suggestie is door Willemse onvoldoende feitelijk onderbouwd, terwijl bovendien zonder een nadere toelichting niet valt in te zien dat de rijstijl van [eiseres] er toe leidt dat de remmen binnen drie maanden zijn gaan piepen.

5.12 De vraag is of hiermee vaststaat dat de auto op dit punt niet aan de koopovereenkomst beantwoordde ten tijde van de levering van de auto. De rechtbank kan deze vraag niet beantwoorden zonder een nadere voorlichting door een deskundige op de navolgende punten:

a. Welk geluidsniveau kon in 2002 redelijkerwijs bij normaal gebruik verwacht worden van de remmen van een nieuwe auto van de prijsklasse waartoe een Peugeot 206cc behoort? Hierbij dienen zowel eventueel destijds geldende minimumnormen te worden betrokken als het gemiddelde geluidsniveau van nieuwe auto’s uit genoemde prijsklasse uit bouwjaar 2002.

b. Maken de remmen van de auto thans meer geluid dan het onder a. bedoelde geluids¬niveau? Hoe significant is een eventuele overschrijding van dit geluidsniveau? Is het mogelijk om op basis van de huidige staat van de remmen of op een andere wijze vast te stellen of de remmen van de auto in 2003 – na het aanbrengen van de pasta en de anti-piepplaatjes – het onder a. bedoelde geluidsniveau overschreden? Hierbij kan – indien dit verantwoord is – mede rekening worden gehouden met algemene ervaringsgegevens over auto’s van het type Peugeot 206cc met bouwjaar 2002.

c. Was (en is) het nodig dat de pastabehandelingen herhaald worden om er voor te zorgen dat het geluid van de remmen onder het onder a. bedoelde geluidsniveau blijven en, zo ja, kan dit plaatsvinden tijdens het reguliere onderhoud van de auto? Is het aanbrengen van pasta tijdens regulier onderhoud een in de auto-industrie erkende adequate oplossing om het geluid van de remmen op structurele wijze beneden het onder a. bedoelde geluidsniveau te houden?

d. Hoe verhouden de kosten van (het herhaald aanbrengen van) pasta op de remschijven zich tot de kosten van vervanging van de remschijven door geluidsarme remschijven?

e. Heeft de rijstijl van de gebruiker van de auto invloed op de beantwoording van de vragen b tot en met d?

f. Zijn er andere punten waarvan de deskundige van oordeel is dat deze relevant zijn voor de beoordeling van het geluid dat de remmen van de auto maakt?

5.13 Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte er over uit te laten of met betrekking tot de remmen nog andere vragen aan de deskundige gesteld moeten worden. De kosten van het deskundigenonderzoek dienen ingevolge de hoofdregel van artikel 195 Rv door [eiseres] te worden voorgeschoten. [eiseres] dient zich daarom tevens uit te laten over de maximale hoogte van het voorschot voor de kosten van de deskundige.

5.14 Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat niet iedere overschrijding van het redelijkerwijs te verwachten geluidsniveau – als individuele klacht bezien – de ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Hiervoor is een structurele en aanzienlijke overschrijding vereist van het te verwachten geluidsniveau, die zich niet redelijkerwijs onder controle laat houden door het aanbrengen van pasta tijdens het reguliere onderhoud van de auto.

B.3 Storing airbag

5.15 [eiseres] stelt dat het diagnoselampje van de airbag steeds weer ging branden, naar de rechtbank begrijpt – uit hetgeen door [eiseres] bij pleidooi is gesteld – sinds begin januari 2003. Het is niet in geschil dat de airbag is vervangen op 7 danwel 24 april 2003. Willemse stelt dat de klacht hiermee is verholpen. [eiseres] stelt dat het probleem nog steeds terugkomt. Bij pleidooi heeft Willemse een schriftelijke verklaring in het geding gebracht, waarin zij beschrijft hoe zij is omgegaan met de klachten van [eiseres] over het diagnoselampje van de airbag. Daaruit blijkt dat volgens Willemse het probleem met de airbags als tijdelijk probleem steeds is teruggekomen en dat daarom uiteindelijk de intelligente service centrale is vernieuwd. Hierover wordt als volgt geoordeeld.

5.16 Als onbetwist staat vast dat vanaf januari 2003 het diagnoselampje van de airbag met regelmaat ging branden. Blijkens een bij pleidooi door [eiseres] in het geding gebrachte e-mail van Peugeot Nederland B.V. betekent een brandend diagnoselampje van de airbag dat er ergens in de centrale computer een storing is op¬getreden. Dit kan volgens de e-mail een van de airbags betreffen maar ook een van de pyrotechnische gordelspanners. De aard en omvang van de storing en de eventuele gevolgen daarvan laat zich – volgens de betref¬fende e-mail – zonder nader onderzoek niet vaststellen. Nu Willemse de uitleg van Peugeot Nederland B.V. niet gemotiveerd heeft betwist, gaat de rechtbank uit van de juistheid hiervan. Dit betekent dat vaststaat dat de auto vanaf januari 2003 een (terugkomende) storing had ten aanzien van een van de airbags en/of de pyrotechnische spanners. Nu de storing aan het airbag¬systeem zich binnen zes à zeven maanden na aanschaf heeft geopenbaard en gesteld noch gebleken is dat de storing zich heeft voorgedaan als gevolg van een omstandigheid die zich na de levering heeft voorgedaan, gaat de rechtbank er vanuit dat de storing is terug te voeren op eigenschappen van de auto ten tijde van de levering.

5.17 Het kan in het midden blijven of de storing is verholpen door de vervanging van de elektronische eenheid van de airbag op 7 of 24 april 2003, of dat de storing nadien is terug gekomen, zoals [eiseres] stelt. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij na 24 april 2003 een herhaalde storing aan Willemse heeft gemeld, hetgeen wel op haar weg had gelegen nu Willemse stelt dat zij niet bekend is met herhalingen van de storing na april 2003. Van een koper die vaststelt dat een storing aan de airbags zich herhaalt ondanks de vervanging van de elektronische eenheid daarvan, mag worden verwacht dat hij dit aan de garage meldt. De verwijzing door [eiseres] naar de door Willemse als productie 2 bij antwoord in conventie in het geding gebrachte werkbon van onderhoud van 24 april 2003, doet hieraan niet af. In de betreffende werkbon staat (handgeschre¬ven) vermeld:

“Wat is de klacht [?] -> airbaglampje bleef branden allerlei reparaties aan uitgevoerd. Geen verbetering.”

Deze enkele aantekening is onvoldoende grond om aan te nemen dat Willemse na 24 april 2003 wist dat de storing niet was verholpen. Immers, de aantekening lijkt slechts de op 24 april 2003 geuite klacht van [eiseres] te beschrijven. Daarbij betrekt de rechtbank boven¬dien dat in de brieven van [eiseres] d.d. 28 april 2003 en 2 maart 2004 niet is vermeld dat de storing aan de airbags nog steeds een actuele klacht was. Tegen deze achtergrond wordt voorbij gegaan aan de stelling van [eiseres] dat het diagnose¬lampje van de airbag ook na 24 april 2003 met regelmaat ging branden.

B.4 Niet-functionerende ramen

5.18 De klachten over de ramen laten zich als volgt samenvatten.

a. [eiseres] stelt dat het raam van het rechterportier niet volledig wilde open gaan en dat de auto (mede) hiervoor op 16 juli 2002 bij de garage is geweest. Willemse stelt dat zij deze klacht op 16 juli 2002 heeft onderzocht en de auto in orde heeft bevonden.

b. In februari 2003 sloot volgens [eiseres] een van de achterramen niet. Willemse stelt dat deze tweede klacht op 12 februari 2003 is verholpen door smering van het mechaniek.

c. [eiseres] stelt dat de problemen met de elektrische ramen in maart 2003 verergerden. Willemse stelt op 7 april 2003 (ook) dit te hebben verholpen. Het is niet in geschil dat vervolgens op 30 juni 2004 en 7 en 14 juli 2003 reparaties aan (onder meer) de ramen zijn verricht. Willemse stelt dat tijdens de zogeheten A-beurt op 29 oktober 2003 de auto geen mankementen meer vertoonde.

d. In de periode van september 2003 tot maart 2004 had de auto volgens [eiseres] vooral last van het achterraam aan de bijrijderskant, dat tikte, los zat en niet goed sloot. Willemse stelt dat zij dit gerammel niet heeft kunnen vaststellen.

e. [eiseres] heeft bij repliek in conventie gesteld dat het linkerportier (nog steeds) tikt alsof het niet goed vastzit. Willemse stelt dat ook dit gebrek is verholpen (vergelijk de reactie van Willemse onder ?5.18 onder c).

5.19 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Als onweersproken staat vast dat de auto problemen heeft gehad met diverse ramen. [eiseres] heeft echter nadat Willemse had gesteld dat zij deze gebreken heeft verholpen respectievelijk niet heeft kunnen vaststellen, haar stellingen niet nader aangevuld, zodat de klachten aan de ramen als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd worden gepasseerd.

B.5 Lekkend dak

5.20 Naar [eiseres] onbetwist stelt, lekte het dak vanaf mei 2003 (vooral) wanneer de auto met een hogedrukspuit werd bespoten of wanneer de auto in de wasstraat werd gewassen. Naar beide partijen stellen is dit probleem opgelost door het aanbrengen van een modificatie door Willemse.

B.6 Lekkende ramen

5.21 [eiseres] stelt in de brief d.d. 2 maart 2004 dat diverse ramen hebben gelekt. Nadat Willemse bij antwoord in conventie heeft gesteld dat de lekkages zijn verholpen, heeft [eiseres] hier niet op gereageerd. Dit gebrek komt bovendien niet terug in de correspon¬dentie als een aanhoudend probleem. Hiermee staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat deze lekkage is verholpen.

B.7 Het uitlaatsysteem

5.22 [eiseres] stelt dat er in het najaar 2002, begin januari 2003 problemen waren met de uitlaat en dat op 7 april 2003 delen van het uitlaatsysteem zijn vervangen. Willemse betwist dit niet, zodat dit vast staat. [eiseres] stelt niet dat de problemen met het uitlaatsysteem door de reparatie niet zijn verholpen. Ook heeft zij ter comparitie niet verklaard nog steeds problemen met de uitlaat te ondervinden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de klachten met betrekking tot het uitlaatsysteem zijn opgelost voorafgaand aan de ontbinding van de koopovereenkomst.

B.8 Koppeling

5.23 [eiseres] stelt dat zij in het najaar van 2002, begin januari 2003 problemen met de koppeling ondervond en dat op 7 april 2003 de koppeling is vervangen. Willemse heeft niet betwist dat er met de koppeling problemen zijn geweest, zodat dit vaststaat. [eiseres] heeft – ter comparitie – verklaard dat de koppeling nog steeds wat hapert, maar dat dit niet het grootste probleem is. Deze klacht wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd, nu met de auto een aanzienlijk aantal kilometers is gereden (zie overweging ?5.37), zodat het op de weg van [eiseres] had gelegen om, als de koppeling ook na 7 april 2003 een defect vertoonde, dit nader te onderbouwen en niet te volstaan met de opmerking “dat de koppeling wat hapert”.

B.9 Elektronica

5.24 [eiseres] stelt dat de elektronica op 15 november 2003 voor de eerste keer is uitgevallen. Ter comparitie – op 27 oktober 2005 – heeft [eiseres] verklaard dat dit nog steeds “zo nu en dan” voorkomt en dat zij zich in de praktijk er mee behelpt door de elektronica te resetten, wat zij nu een aantal keren heeft gedaan. Ter onderbouwing van haar stelling dat de elektronica uitgevallen is, heeft [eiseres] twee ANWB rapporten en een rapport van DAVO (een andere Peugeot dealer) in het geding gebracht. Ter comparitie heeft [eiseres] voorts verklaard dat zij tussen de kilometerstanden 45.000 en 90.000 problemen had met de elektronica, die zij niet heeft gemeld aan Willemse omdat zij de reparaties zelf moest betalen en haar door Willemse was gezegd dat de veiligheid niet in het geding was.

5.25 Willemse erkent dat de klacht over uitvallende elektronica aan haar is gemeld op 16 januari 2004, maar stelt dat zij het gebrek toen niet kon vaststellen. Hiervoor was nodig dat de auto bij Willemse zou blijven zodat de klacht met de importeur besproken kon worden, wat [echtgenoot] echter niet wilde. Willemse betoogt voorts dat niet is aangetoond dat de elektronica na de eerste melding nogmaals is uitgevallen. Bij pleidooi heeft Willemse voorts aangevoerd dat noch zij noch de ANWB de oorzaak van het uitvallen van de elektronica heeft kunnen vaststellen. Willemse heeft niet inhoudelijk gereageerd op de ANWB en DAVO rapporten.

5.26 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de stelplicht – en bij gemotiveerde betwisting – de bewijslast van omstandigheden waaruit volgt dat de auto ten tijde van de levering niet aan de overeenkomst voldeed, op [eiseres]. Immers, zij verbindt hieraan het rechtsgevolg dat de koopovereenkomst kon worden ontbonden. Vastgesteld moet echter worden dat [eiseres] geen feiten of omstan¬digheden heeft gesteld waaruit volgt dat de storing aan de elektronica – die voor het eerst aan het licht kwam 15 maanden na levering – is te wijten aan de toestand van de auto ten tijde van de levering. Het beroep wat [eiseres] doet op artikel 5 van richtlijn 99/44/EG, doet hieraan niet af, alleen al omdat dit artikel – anders dan [eiseres] lijkt te betogen – geen ver¬moeden bevat dat gebreken die binnen twee jaar aan het licht treden, geacht worden te hebben bestaan ten tijde van de levering. Artikel 5 lid 3 van de richtlijn bevat een dergelijk bewijsvermoeden, maar beperkt dit tot een termijn van zes maanden en deze termijn was ruimschoots verstreken toen de storing aan de elektronica zich voor het eerst voordeed. De termijn van twee jaar uit artikel 5 lid 1 van de richtlijn ziet op de verjaring / het verval van de aansprakelijkheid van de verkoper, hetgeen hier niet aan de orde is. De klacht over de falende elektronica – wat daarvan verder ook zij – kan daarom niet tot de slotsom leiden dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde ten tijde van de levering.

B.10 Ronkende motor / ratel in de motor

5.27 [eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat de motor een “ratel” had, maar dat dit is opgelost doordat de bobine is vervangen. Nu Willemse dit niet heeft betwist, staat vast dat er een probleem was met de motor, maar dat dit voorafgaand aan de ontbinding van de koopovereenkomst is verholpen.

B.11 Overige klachten

5.28 De voorgaande klachten betreffen de klachten die zijn genoemd in de brief d.d. 2 maart 2004. In aanvulling daarop zijn tijdens de procedure de navolgende klachten aan de orde geweest:

a. [eiseres] stelt dat de rechterdeur klemde. Nadat Willemse bij dupliek in conventie er op heeft gewezen dat dit probleem blijkens de brief van [eiseres] d.d. 6 maart 2003 is verholpen, heeft [eiseres] hierop niet meer inhoudelijk gereageerd. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat daarom vast dat deze klacht is verholpen voorafgaand aan de ontbinding van de koopovereenkomst.

b. [eiseres] stelt dat de “afstandbediening van het stuur” niet functioneert. Uit pro¬ductie 2 bij dagvaarding maakt de rechtbank op dat de klacht van [eiseres] inhoudt dat de afstandbediening van de radio op het stuur veel tijd nodig heeft om van de ene zender over te stappen naar de andere zender. De rechtbank gaat aan deze klacht voorbij. Niet valt vol te houden dat deze klacht – zowel alleen als in bezien in samenhang met andere klachten van [eiseres] – zou betekenen dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde.

c. Bij repliek in conventie stelt [eiseres] dat er computerproblemen waren met de katalysator en de remvloeistof. Blijkens productie 1 bij pleidooi van [eiseres] is het probleem met de katalysator opgelost door een Oostenrijkse Peugeot dealer en is het probleem met de remvloeistofaanduiding opgelost door een andere dealer. [eiseres] heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze klachten zijn terug te voeren op de toestand van de auto ten tijde van de levering; in het bijzonder heeft [eiseres] niet aangegeven wanneer deze gebreken aan het licht zijn gekomen. Aan deze klachten wordt daarom voorbijgegaan.

d. [eiseres] stelt dat de waarschuwingslichten het niet goed deden in november 2003, maar dat dit probleem door Willemse is verholpen. Willemse heeft dit niet betwist, zodat dit vaststaat.

B.12 Tussenconclusie

5.29 Op grond van het voorgaande verdeelt de rechtbank de klachten van [eiseres] in de volgende categorieën:

a. klachten of gebreken die verder buiten beschouwing worden gelaten:

- de speakers (B.1);

- het uitvallen van de elektronica (B.9);

- de afstandbediening van het stuur (B.11);

- de katalysator en de remvloeistof (B.11);

b. klachten of gebreken waarvan het bestaan vaststaat en die voorafgaand aan de ontbinding zijn verholpen (of die vanaf een bepaalde datum buiten beschouwing blijven omdat [eiseres] herhaalde storingen niet aan Willemse heeft gemeld):

- de storing in de airbags of de spanners (B.3);

- de ramen (B.4);

- de lekkage aan het dak (B.5);

- de lekkende ramen (B.6);

- de uitlaat (B.7);

- de koppeling (B.8);

- de ronkende motor (B.10);

- de klemmende rechterdeur (B.11);

- de waarschuwingslampen, anders dan ten aanzien van de airbag (B.11);

c. klachten of gebreken waarover de rechtbank een nadere toelichting nodig heeft:

- de piepende remmen (B.2).

C. Ontbinding en (terugbetaling van) de koopprijs

5.30 De beslissing over de vraag of eventuele gebreken de buitengerechtelijke ontbinding rechtvaardigen, wordt aangehouden. Hetzelfde geldt voor de gevorderde partiële ontbinding. Wel overweegt de rechtbank reeds thans als volgt. Het enkele tijdsverloop tussen de verschil¬lende klachten en de ontbinding staat er niet aan in de weg staat dat [eiseres] de koopovereen¬komst ontbond. Immers, artikel 7:23 lid 2 BW bepaalt dat rechtsvor¬deringen en verweren die zijn gegrond op feiten die de conclusie zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, door verloop van twee jaar na de kennisgeving door de koper van het gebrek aan de verkoper verjaren. Dit tijdsverloop kan wel een overweging zijn bij de vaststelling van een eventuele gebruiksvergoeding (zie hierna in § G).

5.31 Over de hoogte van de koopprijs overweegt de rechtbank als volgt. [eiseres] vordert terugbetaling van € 24.018,10. Beide partijen stellen echter dat de koopprijs € 23.299,-- bedroeg. Het verschil ad € 719,10 bestaat uit de kosten van het alarmsysteem dat [eiseres] bij Autoshop Brabant heeft aangeschaft. Het bedrag van € 719,10 kan daarom niet worden teruggevorderd op grond van de ongedaanmakings¬verplichtingen van Willemse op grond van artikel 6:271 BW in geval van een geslaagde ontbinding. Dit betekent dat het bedrag van € 719,10 alleen voor toewijzing in aanmerking komt, indien dit als schade valt aan te merken die [eiseres] lijdt als gevolg van een toerekenbare tekortkoming van Willemse. [eiseres] heeft hierover echter niets gesteld – en het ligt ook niet voor de hand dat [eiseres] een schade lijdt van € 719,10 als gevolg van het verlies in 2007 (of 2008) van een in 2002 aangeschafte alarminstallatie – zodat dit gedeelte van de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

D. Schadevergoeding

5.32 De rechtbank zal in het eindvonnis ten aanzien van de gevorderde reiskosten in voorkomend geval een in goede justitie vastgesteld bedrag toewijzen nu voldoende aannemelijk is dat [eiseres] kosten heeft moeten maken om de auto naar de garage te brengen voor verschillende reparaties naar aanleiding van gebreken aan de auto (vergelijk overweging ?5.29).

5.33 De gevorderde vergoeding van € 31,83 wegens de kosten van het vervangen van de stuurkogel en van € 113,55 voor de vervanging van de remblokken, zal worden afgewezen. Immers, het gebruik van een auto brengt dit soort onderhoudskosten met zich mee en er is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat deze (beperkte, in 2004 en 2005 gemaakte) kosten zijn terug te voeren op gebreken in de auto die maken dat de auto niet aan de koopovereenkomst beantwoordde ten tijde van de levering in 2002. Ook als de remmen volledig in orde waren geweest, is redelijkerwijs te verwachten dat de remblokken op enig moment vervangen hadden moeten worden. Daarbij wordt voorts betrokken dat de auto door [eiseres] intensief is gebruikt (zie overweging ?5.37), zodat de daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van [eiseres] dienen te blijven (vergelijk § G).

E. Buitengerechtelijke incassokosten

5.34 De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal als onvoldoende onder¬bouwd worden afgewezen. [eiseres] werd voorafgaand aan de onderhavige procedure vertegenwoordigd door DAS Rechtsbijstand, zodat bij gebreke van een nadere toelichting moet worden aangenomen dat [eiseres] geen buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt.

in reconventie

F Vordering tot vergoeding van onnodig gemaakte kosten

5.35 De vordering van Willemse tot vergoeding van € 5.000,-- wegens onnodig gemaakte kosten, zal worden afgewezen. Uit de door Willemse in het geding gebrachte facturen van haar advocaat en de toelichting van Willemse blijkt dat het bedrag bestaat uit de kosten van onderhandelingen en van (het voorbereiden van) deze procedure. Nog daargelaten dat [eiseres] daarnaast een veroordeling in de proceskosten vordert, kunnen dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen in uitzonderlijke gevallen, waarbij met name gedacht moet worden aan misbruik van het recht om te procederen. Hiervoor is onvoldoende gesteld of gebleken.

G. Gebruiksvergoeding

5.36 Indien vast komt te staan dat [eiseres] de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden op grond van de piepende remmen en de rechtbank op die grond de primaire vordering van [eiseres] toewijst, dient vast¬gesteld te worden of [eiseres] gehouden is om een gebruiksvergoeding te betalen, zoals Willemse vordert. Het uitgangspunt hierbij is dat een verkoper geen recht heeft op een vergoeding indien de koper op goede gronden de overeenkomst ontbindt, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden (vergelijk de door partijen aangehaalde parlementaire geschiedenis van artikel 7:10 en 7:23 BW).

5.37 De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval sprake is van uitzonderlijke omstandig¬heden die maken dat een gebruiksvergoeding gerechtvaardigd is. Als onweer¬sproken staat vast dat de auto 65.000 kilometer had gereden op 25 augustus 2004. Willemse stelt en [eiseres] betwist dat de auto nadien nog een aanzienlijk aantal kilometers heeft gereden. Uit productie 4 bij pleidooi van [eiseres] blijkt echter dat de auto in september 2006 een kilometerstand had van circa 116.000. Hieraan kan slechts de gevolgtrekking worden verbonden dat de auto in de praktijk gebruikt kon worden, zij het met beperkingen, ongemak, tijdsverlies en mogelijk ook risico’s. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat een deel van de klachten – hoewel begrijpelijkerwijs vervelend bij de aanschaf van een nieuwe auto – van betrekkelijk tot zeer gering belang is en voor een groot deel is verholpen. De klacht over de airbags is belangrijker, maar dit betreft – voorzover in deze procedure relevant – alleen de periode van januari tot en met april 2003 (zie overweging ?5.17).

5.38 Het betoog van [eiseres] dat zij de auto gebruikte om de schade voor Willemse te beper¬ken en dat zij daarom niet hoeft te betalen voor het gebruik van de auto, slaagt niet. Dit betoog miskent dat Willemse na de ontbin¬ding van de koopover¬eenkomst – indien deze op juiste gronden plaatsvond – gehouden was tot terugbetaling van de koopprijs. Voorzover [eiseres] schade lijdt door een te late terugbetaling van de koopprijs, fixeert artikel 6:119 BW dit op de wettelijke rente. Het bepaalde in artikel 7:10 lid 3 en 4 BW leidt niet tot een andere slotsom, nu dit ziet op de situatie dat de auto (voor of na ontbinding) beschadigd raakt of (al dan niet vrijwillig) verloren gaat en niet op de situatie waarin de koper van de auto na de ontbinding nog circa 50.000 kilometer met de auto rijdt. Ook het betoog dat de looptijd van de procedure in acht genomen moet worden, slaagt niet, nu [eiseres] tijdens deze procedure kennelijk is blijven rijden met de auto (in ieder geval tot september 2006, de datum van de APK-keuring).

5.39 Tegen deze achtergrond concludeert de rechtbank dat [eiseres] ongerechtvaardigd zou worden verrijkt ten koste van Willemse, indien [eiseres] met een geslaagd beroep op ontbinding de volledige koopprijs terug zou krijgen zonder een vergoeding te betalen voor het langdurige en veelvuldige gebruik van de auto. Hierbij past wel de kanttekening dat er bij de vaststelling van de hoogte van die vergoeding op adequate wijze rekening gehouden moet worden met het geleden ongemak, de beperkingen die golden voor het gebruik van de auto, de verloren tijd en eventuele risico’s die [eiseres] heeft gelopen als gevolg van de in overweging ?5.29 onder b (en c) genoemde klachten.

5.40 Partijen dienen zich bij akte – bij voorkeur eensluidend – uit te laten over de huidige waarde van de auto, zodat de afschrijving van de auto sinds de levering betrokken kan worden bij de vaststelling van een redelijke gebruiksvergoeding. De waarde dient bepaald te worden aan de hand van hetgeen de auto redelijkerwijs zou opbrengen indien [eiseres] de auto thans zou verkopen (al dan niet bij gelegenheid van de aanschaf van een nieuwe auto). Daarbij dient specifiek te worden aangegeven in hoeverre de huidige waarde van de auto wordt bepaald door eventuele beschadigingen en door het verleden van de auto als een auto met de in overweging ?5.29 onder b (en c) genoemde klachten. Voorts dient [eiseres] – met het oog op de vaststelling van een gebruiksver¬goeding – zich bij akte er over uit te laten welke ontwikkelingen uit de periode van mei 2003 tot juni 2004 ertoe hebben geleid dat zij de koopovereenkomst in mei 2003 niet en in juni 2004 wel heeft ontbonden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

in conventie en in reconventie

- verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 september 2007 voor het nemen van een akte door [eiseres] om zich uit te laten over de aan de deskundige te stellen vragen over de remmen (overweging ?5.13), over de huidige waarde van de auto en over de vraag welke ontwikkelingen uit de periode van mei 2003 tot juni 2004 ertoe hebben geleid dat zij de koopovereenkomst in mei 2003 niet en in juni 2004 wel heeft ontbonden (overweging ?5.40). Willemse zal hierop binnen vier weken bij antwoordakte kunnen reageren.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn.

Uitgesproken in het openbaar.

1876/106