Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB3479

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
288654 / 691-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De woning van duurzaam samenwonende partners staat op één lijn met de echtelijke woning van gehuwden. Bij twist moet de politie niet altijd de eigenaar in de woning laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2008, 71

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 288654 / 691-07

Uitspraak : 5 september 2007

VONNIS in kort geding in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. K. Beumer,

- t e g e n -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen worden nader aangeduid als “de vrouw” respectievelijk “de man”.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van het volgende stuk:

- dagvaarding met producties d.d. 20 juli 2007;

Partijen hebben ter terechtzitting van 29 augustus 2007 hun standpunten mondeling nader toegelicht.

2 Het geschil

De vrouw vordert:

- de man te gelasten de zaken als omschreven in productie 1 van de dagvaarding aan haar ter beschikking te stellen, waartoe zij door de man in de gelegenheid wordt gesteld, althans haar de toegang wordt verstrekt tot de voormalige echtelijke woning aan de […] te […];

- de man te veroordelen over te gaan tot terugstorting van € 940,32 op rekeningnummer […] van de Rabobank en de man verder te verbieden enige onttrekking te doen aan deze rekening;

- de man te veroordelen een dwangsom aan de vrouw te betalen tot een bedrag van

€ 500,= voor iedere dag dat de man in gebreke blijft zijn medewerking te verlenen aan het vorengenoemde;

- de man te veroordelen in de proceskosten van het geding.

3 De vaststaande feiten

Partijen zijn op 6 juni 2003 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

Op 22 oktober 2003 is het huwelijk gewijzigd in een geregistreerd partnerschap.

Op 27 oktober 2003 is het geregistreerde partnerschap ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

De man is inmiddels eigenaar geworden van de voormalige echtelijke woning.

Kort na de beëindiging van het geregistreerde partnerschap zijn partijen weer gaan samenwonen in de voormalige echtelijk woning. Daarna is op 8 februari 2005 een kind geboren. De man heeft het kind, [X], erkend.

Recent is de relatie tussen partijen wederom geëindigd.

Op 13 juni 2007 heeft de man de vrouw tegen haar wil uit de woning verwijderd. De ingeschakelde politie heeft volgens partijen medegedeeld, dat de vrouw meteen de woning moest verlaten en daarbij als reden opgegeven, dat dit voortvloeide uit het feit, dat de man eigenaar van de woning is. De vrouw heeft, menende hieraan gehoor te moeten geven, de woning met der partijen kind verlaten met medeneming van het hoognodige.

Na de echtscheiding van partijen heeft geen verdeling van de huishoudelijke goederen plaatsgevonden, zulks in verband met het weer gaan samenwonen in de echtelijke woning.

Na het recente uiteengaan zijn partijen het aanvankelijk eens geworden over een door de vrouw opgestelde lijst, waarop is aangegeven wat zij aan inboedelzaken en persoonlijke zaken van haar en de minderjarige zou meenemen, en welke zaken bij de man in de woning zouden achterblijven.

4 De stellingen van partijen

De vrouw voert aan, dat zij door de man tegen haar wil met het kind van partijen uit de woning is verwijderd. Overigens vordert zij de bewoning van het huis nu niet meer, omdat zij inmiddels een andere woonmogelijkheid heeft, maar het gevolg is nog wel, dat zij niet over de noodzakelijke huishoudelijke goederen beschikt, welke goederen de man ondanks de afspraak niet wil afgeven.

Bij het opstellen van de lijst met de man van te verdelen goederen is verder geen geschilpunt geweest wie het betreffende goed heeft aangeschaft. De meeste goederen stammen uit de huwelijksgoederengemeenschap en zijn in ieder geval gezamenlijk.

Zij is, in overleg, minder gaan werken om voor het kind te gaan zorgen. Ook de overige goederen zijn uit het gezamenlijke inkomen betaald.

De advocaat van de vrouw heeft, omdat de man niet acceptabele voorwaarden stelde aan een gesprek, hem niet uitgenodigd voor een gesprek.

De man heeft zich verweerd, stellende dat hij de vrouw de verdere toegang tot de woning heeft ontzegd op grond van zijn eigendomsrecht.

Hij erkent wel, dat hij aanvankelijk met de lijst van de te verdelen goederen heeft ingestemd, maar hij is thans van mening dat nagegaan moet worden wie eigenaar is van de te verdelen goederen. Hij heeft verzocht aan de advocaat van de vrouw met hem daarover in overleg te treden.

5 De beoordeling

Nu de man aan een gesprek met de advocaat van de vrouw om de zaak buiten rechte te regelen blijkens het verhandelde ter terechtzitting voorwaarden had verbonden, welke de advocaat van de vrouw niet aanvaardbaar achtte, kan niet geoordeeld worden, dat de vrouw thans niet gerechtigd zou zijn deze vordering in kort geding in te stellen.

De voorzieningenrechter is op grond van de feiten en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel, dat de man met betrekking tot het doen vertrekken van de vrouw met der partijen kind uit de woning onjuist heeft gehandeld.

Niet onopgemerkt mag immers blijven dat het hier om een woning gaat die door twee duurzaam samenwonenden in het kader van een affectieve relatie werd bewoond.

Bij het verbreken van de affectieve relatie dient bij de dan opkomende vraag wie de woning moet verlaten als tijdelijke maatregel (in afwachting van een latere definitieve regeling), naar het oordeel van de voorzieningenrechter een dergelijke woning op één lijn gesteld te worden met een echtelijke woning in geval van een huwelijk. Bij de vraag welke partij het meest belang heeft om de woning, wanneer in een crisissituatie de woning door de ene of andere moet worden verlaten, tijdelijk te blijven bewonen is principieel niet van betekenis wie van beide partijen eigenaar is.

In dit geval had de vrouw met der partijen kind een groter belang, nu zij geen andere huisvesting ter beschikking had. Ten onrechte is in de crisissituatie bij de vraag of de woning door de ene of andere moet worden verlaten door de bemiddelende politie en partijen uitsluitend betekenis toegekend aan de omstandigheid, dat de man de eigenaar is.

De vrouw met het kind had echter als de meest in aanmerking komende partij voor tijdelijke verdere bewoning aangewezen moeten worden. Bij blijvend verschil van mening daarover zou de weg van een kort geding voor de hand hebben gelegen.

Overigens heeft de vrouw inmiddels tijdelijke huisvesting gevonden, in verband waarmee zij heeft medegedeeld niet alsnog de woning te willen betrekken.

Met betrekking tot de gevorderde ter beschikking stelling van de huishoudelijke goederen vermeld op de overgelegde productie overweegt de voorzieningenrechter als volgt:

De voorzieningenrechter beschouwt de lijst van de goederen als het resultaat van hetgeen partijen zijn overeengekomen. De vrouw heeft deze goederen nodig om haar andere huisvesting in te richten. De man kan daar niet éénzijdig op terugkomen, zodat hij reeds hierom deze goederen moet afgeven.

Overigens is ook zijn verweer, dat eerst beoordeeld moet worden wie van de verschillende goederen eigenaar is, in dit geval niet juist.

De voorzieningenrechter stelt namelijk vast dat het voornamelijk gaat om goederen uit de nog niet verdeelde eertijds bestaande huwelijksgoederengemeenschap, welke voor gelijke verdeling in aanmerking komen, terwijl voor zover tijdens de daarop volgende samenwoning goederen zijn aangeschaft, deze evenzeer voor gelijke verdeling in aanmerking komen, nu deze zijn aangeschaft uit het gezamenlijke inkomen van partijen, terwijl niet is gebleken dat de samenwonenden in de praktijk financieel anders leefden dan gehuwden met de gebruikelijke huwelijksgoederengemeenschap.

De vrouw vordert voorts de terugstorting van het spaargeld ad € 940,32 op de spaarrekening van de minderjarige. Ter terechtzitting is gebleken dat de man een spaarrekening voor de minderjarige heeft geopend. De voorzieningrechter is van oordeel dat de man niet beschikkingsonbevoegd is met betrekking tot dit spaartegoed.

De vordering op dit punt zal dan ook worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding de man als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de vrouw.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter,

beveelt de man de zaken als omschreven in productie 1 van de dagvaarding aan de vrouw ter beschikking te stellen, waartoe de vrouw door de man in de gelegenheid wordt gesteld, althans haar de toegang wordt verstrekt tot de voormalige echtelijke woning aan de […] te […];

bepaalt dat de man een dwangsom zal verbeuren van € 500,= per dag indien hij in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen;

veroordeelt de man in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van vrouw bepaald op € 760,56 te weten:

- € 149,25 voor het in debet gestelde deel van het vast recht;

- € 84,31 voor door de deurwaarder in debet gestelde exploitkosten;

- € 527,= aan salaris voor de procureur;

welke kosten rechtstreeks aan de griffier van deze rechtbank (bankrekeningnummer 19 23 25 892 ten name van MvJ Rotterdam) dienen te worden overgemaakt,

alsmede op € 49,75 voor het door de procureur betaalde, voor zijn partij verschuldigde deel van het vast recht, rechtstreeks aan deze te voldoen.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van Naujoks, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

328/15