Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB1962

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
10/641156-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zonder iets af te willen doen aan de gevoelens van onbehagen en angst die de uitstallingen bij Wilders zullen hebben opgeroepen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de door verdachte verrichte handelingen dreigend van aard waren, zodat verdachte van de tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 249

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/641156-05

Datum uitspraak: 17 augustus 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

[adres],

raadsman mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als A1 tot en met A3, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van der Heem heeft gerekwireerd tot:

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, alsmede oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de tijd van 240 uur, subsidiair 120 dagen.

VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

MOTIVERING VAN DE VRIJSPRAAK

Van belang bij de beoordeling of al dan niet sprake is van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht dan wel de dreiging met geweld als bedoeld in artikel 121 van het Wetboek van Strafrecht is de beantwoording van de vraag of de door verdachte verrichte handelingen van dien aard zijn en onder die omstandigheden hebben plaatsgevonden dat daardoor in het algemeen een redelijke vrees bij een ander kan worden opgewekt dat tegen hem geweld zal worden aangewend. Daarbij speelt ook de intentie van de verdachte een rol.

De rechtbank acht in dat verband in deze zaak het volgende van belang.

Verdachte heeft op een aantal openbare plaatsen in Rotterdam en in Den Haag foto's van Geert Wilders, lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal (hierna: Wilders), geplaatst, met in de onmiddellijke nabijheid waxinelichtjes, teddybeertjes en bloemen. De aanblik van een en ander doet denken aan de 'altaartjes' die soms langs de weg worden geplaatst op plekken waar verkeersslachtoffers zijn omgekomen. Ook zijn soortgelijke altaartjes in het verleden opgericht voor publiek bekende figuren als Lady Diana, Pim Fortuyn en Theo van Gogh nadat deze om het leven waren gekomen.

De door verdachte gecreƫerde uitstallingen zijn aldus naar hun uiterlijke vorm naar maatschappelijke begrippen onmiskenbaar te associƫren met de dood en brengen in die zin de persoon Wilders en de dood met elkaar in verband.

De uitstallingen gingen evenwel niet gepaard van enige aankondiging naar een ophanden zijnd overlijden van Wilders, laat staan van enige verwijzing naar hoe, waar, wanneer of door wie zulk overlijden teweeg zou worden gebracht. Uit de uiterlijke verschijningsvorm valt niet af te leiden dat verdachte zo'n overlijden zou willen, laat staan van zins zou zijn dit te bewerkstelligen. Verdachte heeft ook ontkend Wilders te hebben willen bedreigen.

Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat Wilders met geweld of de dood werd bedreigd; het enkele in verband brengen van Wilders met de dood zonder enige concrete uiting die er op duidt dat die dood ook door verdachte werd nagestreefd is hiertoe onvoldoende. Het door de officier van justitie ter zitting nog aangevoerde, te weten het feit dat de uitstallingen door verdachte werden gerealiseerd juist in een periode dat met regelmaat sprake was van bedreigingen uit meerdere hoeken aan het adres van Wilders, vindt de rechtbank onvoldoende om tot andere conclusies te komen. Daarbij zij opgemerkt dat deze feitelijkheid ook niet vermeld staat in de tenlastelegging als te zijn een omstandigheid waarvan verdachte kennis droeg en die hij benutte of die hem er niet van weerhield om te doen wat hij deed, zodat gezegd moet worden dat hij die achtergrond heeft laten bijdragen in het ontstaan van een dreigende situatie.

Zonder iets af te willen doen aan de gevoelens van onbehagen en angst die de uitstallingen bij Wilders zullen hebben opgeroepen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de door verdachte verrichte handelingen dreigend van aard waren, zodat verdachte van de tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.

Nu verdachte van de hem ten lastelegde feiten wordt vrijgesproken en aan hem dientengevolge geen straf of maatregel wordt opgelegd, kan er geen beslissing ten aanzien van de in beslag genomen goederen worden gegeven.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart zich ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, niet in staat een beslissing te geven;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Boven, voorzitter,

en mrs. Van Breevoort-De Bruin en Reinds, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 augustus 2007.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.