Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB1401

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
284286/KG ZA 07-429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen ID-werknemers op de gemeente Rotterdam worden afgewezen. Besluitvorming van de gemeente kan marginale toets doorstaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 284286/KG ZA 07-429

Uitspraak: 8 augustus 2007

VONNIS in kort geding in de zaak van:

1. de vereniging

DE BELANGENVERENIGING ID ROTTERDAM,

gevestigd te [plaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [plaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [plaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [plaats],

5. [eiser sub 5],

wonende te [plaats],

6. [eiser sub 6],

wonende te [plaats],

7. [eiser sub 7],

wonende te [plaats],

8. [eiser sub 8],

wonende te [plaats],

eiseressen,

procureur voorheen mr. A. Bosveld,

procureur thans mr. J. Berkouwer,

- tegen -

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelende te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. S.A. Tan.

Eiseressen worden hierna samen als zodanig aangeduid en afzonderlijk als “de belangenver-eniging”, “[eiser sub 2]”, “[eiser sub 3]”, “[eiser sub 4]”, “[eiser sub 5]”, “[eiser sub 6]”, “[eiser sub 7]” respectievelijk “[eiser sub 8]”. [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4], [eiser sub 5], [eiser sub 6], [eiser sub 7] en [eiser sub 8] worden hierna samen ook aangeduid als “de individuele eiseressen”. Gedaagde wordt hierna aangeduid als “de gemeente”.

1 Het verloop van het geding

1.1

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 5 juli 2007;

- pleitnotities en producties van mr. Berkouwer;

- verweerschrift en producties van mr. Tan.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 25 juli 2007.

1.2

Ter zitting van 25 juli 2007 is de raadsvrouwe van eiseressen in de gelegenheid gesteld ui-terlijk op 31 juli 2007 te 12.00 uur de door de voorzieningenrechter ter zitting gevraagde stukken over te leggen, op welke stukken de raadsman van de gemeente in de gelegenheid is gesteld uiterlijk op 3 augustus 2007 te 17.00 uur te reageren.

Op 31 juli 2007 te 11.55 uur heeft de voorzieningenrechter een - reeds op voorhand per tele-fax met twee bijlagen toegezonden - brief d.d. 30 juli 2007 met als bijlagen de door de voor-zieningenrechter opgevraagde stukken van de raadsvrouwe van eiseressen ontvangen. Op 3 augustus 2007 te 10.50 uur heeft de voorzieningenrechter de reactie van mr. Tan daarop ontvangen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter op 3 augustus 2007 te 12.50 uur nog een faxbericht van mr. Tan ontvangen.

Van de overigens van eiseressen na 31 juli 2007 te 12.00 uur en van de gemeente na 3 au-gustus 2007 te 17.00 uur ingekomen stukken heeft de voorzieningenrechter geen kennis ge-nomen, behoudens ten aanzien van het enkele feit dat de Stichting Herenakkoord Dé Weg naar Werk inmiddels is opgericht.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden, alsmede op grond van de inhoud van de door partijen overgelegde producties, kan in dit kort geding van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1

De belangenvereniging is een op 15 januari 2007 opgerichte vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt de belangen te behartigen van de in Rotterdam werkzame personen die hun werkzaamheden hebben aangevangen ter uitvoering van een door de gemeente Rotterdam gesubsidieerde werkplek (Instroom) met als oogmerk het be-reiken van een reguliere werkplek (Doorstroom). Bedoelde werkzame personen worden hierna aangeduid als: “ID-ers”. De belangenvereniging heeft 236 leden.

2.2

De gemeente heeft zich sedert 1 januari 2004 geconfronteerd gezien met een forse bezuini-ging op de budgetten voor werkgelegenheidsbeleid. De gemeente heeft in 2004 besloten het aantal gesubsidieerde arbeidsplaatsen voor ID-ers terug te brengen. Om een verantwoord werkgelegenheidsbeleid te kunnen voeren voor alle Rotterdamse burgers die zijn aangewe-zen op de Wet Werk en Bijstand heeft het bestuur van de gemeente in november 2004 een uitstroomplan ID-banen ontwikkeld, neergelegd in de “Notitie Uitstroom ID-banen en inzet Reïntegratieplaatsen”. Mede naar aanleiding van bezwaar van de vakbonden tegen dat be-leid is overleg gevoerd tussen het College van Burgemeester en Wethouders te Rotterdam en onder meer een aantal vakbonden en, later, onderwijsinstellingen en werkge-vers(organisaties). Uiteindelijk is de gemeente gebonden aan de volgende regelingen:

a. Het Akkoord van 19 mei 2005, hierna: “het Akkoord”, een overeenkomst gesloten tus-sen de gemeente en de vakorganisaties, AbvaKabo FNV en de AOb-Algemene Onder-wijsbond. Het Akkoord voorziet in een aantal aanpassingen op het uitstroomplan ID-banen van de gemeente en beoogt, binnen de grenzen van de daarvoor gegeven budget-taire en andere kaders, de kansen van de ID-ers op instroom in het reguliere arbeids-marktproces zoveel mogelijk te bevorderen. Een assessment is hiervan een belangrijk onderdeel. Het Akkoord bevat geen expliciete bepalingen over de subsidieaanvrager, maar gaat er kennelijk van uit dat dit de werkgever is;

b. Tijdelijke stimuleringsregeling leer-/werktrajecten, een in tijd en omvang beperkte rege-ling van de Rijksoverheid, hierna: “Rijksregeling”, welke op 1 januari 2006 in werking is getreden. De Rijksregeling bevat regels met betrekking tot het verstrekken van subsi-die door de Minister als bijdrage in de kosten van de begeleiding naar en de deelname aan een leer-/werktraject en een premie voor de verwezenlijking van de uitstroom van een persoon die gesubsidieerd werk verricht. De subsidie wordt aangevraagd door het College van Burgemeester en Wethouders van de betreffende gemeente;

c. De Intentieverklaring van 28 februari 2006, hierna: “de Intentieverklaring”, sluit aan op het Akkoord. De Intentieverklaring, een overeenkomst gesloten tussen (de dienst Socia-le Zaken en Werkgelegenheid van) de gemeente, enige vakorganisaties en het Albeda College, richt zich in het bijzonder op de groep van ID-ers, van wie af te nemen assess-ments uitwijzen dat zij tenminste beschikken over een Mbo-denkniveau 2 en bovendien de potentie hebben via scholing een hoger kwalificatieniveau te bereiken. Blijkens de Intentieverklaring zijn de volgende besluiten genomen:

- Dat de Dienst SoZaWe Burgemeester en Wethouders van Rotterdam zal voorstellen voor 1 april 2006 een generieke regeling vast te stellen en te publiceren voor het toekennen van een loonsuppletie aan ieders werkgever, die een aanbod conform de Tijdelijke Stimuleringsregeling Leer-/Werktrajecten wil doen;

- Dat de Dienst SoZaWe en het Albeda College een samenwerkingsovereenkomst afsluiten waarin uit-voeringsafspraken zijn vastgelegd;

- De Dienst SoZaWe zal waarborgen dat de voorgenomen generieke regeling in overeenstemming met de regionale vakbonden tot stand komt.

In de Intentieverklaring onder “Spreken uit” is voorts vermeld:

(…) Dat de dienst SoZaWe aan de werkgever zal toekennen een loonsuppletie gedurende het leerwerktra-ject van de I/D-medewerker conform de Tijdelijke Stimuleringsregeling Leer-/werktrajecten;(…)

d. Tijdelijke regeling leer-/werktrajecten Rotterdam d.d. 15 augustus 2006 van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente en een aanvulling d.d. 9 januari 2007, hierna: “Rotterdamse regeling”. De Rotterdamse regeling, eveneens in tijd en omvang beperkt, geeft nadere regels met betrekking tot de twee subsidievormen die de Rijksregeling geeft en voorziet daarnaast in een loonkostensubsidie die openstaat voor de private werkgever. De subsidie wordt aangevraagd door een werkgever of een on-derwijsinstelling.

2.3

De Regiegroep is een samenwerkingsverband tussen de diverse vakorganisaties en werkge-vers uit verschillende sectoren. De Regiegroep heeft de uitgangspunten van het Akkoord verder uitgewerkt in een notitie “Dé slimme Weg naar Werk”. De Regiegroep heeft vervol-gens intern overeenstemming bereikt over een op deze notitie gebaseerd plan onder de titel “Herenakkoord, Dé Weg naar Werk”, ter uitvoering waarvan de werkgevers die verbonden zijn aan de Regiegroep zich bereid hebben verklaard in 2006 1.000 arbeids- en opleidings-plaatsen beschikbaar te stellen voor ID-ers en, indien succesvol, in 2007 nogmaals 1.000.

2.4

De gemeente, de Regiegroep, ROC Zadkine en het Albeda College hebben vervolgens ter uitvoering van de Intentieverklaring overeenstemming bereikt over het loopbaantraject “Dé Weg naar Werk”, welk traject een aantal ID-ers de gelegenheid biedt om, nadat zij een as-sessment hebben afgelegd en geschikt zijn bevonden, een (duale) Mbo- of Hbo-opleiding te volgen met de garantie van een bij die opleiding passende baan. Inschrijving voor dit loop-baantraject diende voor 31 juli 2006 te hebben plaatsgevonden.

2.5

Bij brief van 2 maart 2006 heeft de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de ge-meente aan de hand van de uitkomst van door hen afgelegde assessments geselecteerde ID-ers uitgenodigd deel te nemen aan het loopbaantraject en hen uitgenodigd om op 20 maart 2006 een voorlichtingsbijeenkomst bij te wonen. Ter gelegenheid van die bijeenkomst heeft het Albeda College (als ook op de extra georganiseerde bijeenkomsten op 18 april 2006 en 13 juni 2006) een door hem onder verantwoordelijkheid van de gemeente opgestelde folder uitgereikt met daarin een beschrijving van het loopbaantraject aan de hand van een driestap-penplan.

2.6

De Regiegroep is opgegaan in de inmiddels opgerichte stichting Stichting Herenakkoord Dé Weg naar Werk.

3 Het geschil

3.1

Eiseressen vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

“primair:

1. aan de stichting Herenakkoord Dé Weg naar Werk i.o. de middelen te verstrekken om Dé Weg naar Werk uit te voeren voor maximaal 700 trajecten door toekenning van een loonkostensubsidie aan de stichting Herenakkoord Dé Weg naar Werk per bij een van haar aangesloten werkgevers in diensttre-dende ID-werknemer van € 40.000,- met ingang van 1 oktober 2007, alsmede een bedrag van € 6.000,- en € 3.000,- opleidingskosten, waarbij de stichting Herenakkoord Dé Weg naar Werk i.o. de mogelijkheid krijgt het totaal van de genoemde bedragen aan te wenden als noodzakelijk is om te be-werkstelligen dat het totaal aan participerende ID-werknemers de opleiding in dienst van de partici-perende werkgever kan afronden;

subsidiair

met de vakorganisaties, althans met De Belangenvereniging, conform het bepaalde in de akkoorden van 19 mei 2005 en 28 februari 2006 in overleg te treden en in overeenstemming met hen vóór 15 juli 2007 een generieke regeling vast te stellen voor het toekennen van een loonsuppletie aan de werkge-vers, die een aanbod conform de Tijdelijke Stimuleringsregeling Leer-/Werktrajecten willen doen;

2. de afspraken die met de individuele ID-werknemers, in het kader van hun inschrijving in Dé Weg naar Werk zijn gemaakt, na te komen, aldus dat zij hun opleiding ook na 1 augustus 2007 kunnen voortzetten, danwel kunnen starten, ongeacht of zij op die datum al dan niet een stageplaats passend bij hun opleiding hebben betrokken;

3. de afspraken die met de eisers 2 t/m 8, in hat kader van hun inschrijving in Dé Weg naar Werk zijn gemaakt, na te komen, aldus dat zij hun opleiding ook na 1 augustus 2007 kunnen voortzetten, danwel kunnen starten, ongeacht of zij op die datum al dan niet een stageplaats passend bij hun opleiding hebben betrokken;

4. aan eisers een dwangsom te voldoen van € 2500,- per dag voor iedere dag of deel daarvan dat de gemeente nalaat aan de veroordeling onder sub 1 of 2 te voldoen.”

Dit alles onder veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

Aan deze vorderingen leggen eiseressen - verkort en zakelijk weergegeven - ten grondslag dat de gemeente in strijd handelt met de met de Regiegroep, althans de inmiddels opgerichte stichting Stichting Herenakkoord Dé Weg naar Werk, en individuele leden van de belan-genvereniging gemaakte afspraken in het kader van het zogenoemde loopbaantraject “Dé Weg naar Werk” en de daaraan voorafgaande in het Akkoord en de Intentieverklaring vast-gelegde afspraken.

3.2

De gemeente voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden bespro-ken.

4 De beoordeling

4.1

De gemeente heeft - kort gezegd - gesteld dat de belangenvereniging in het geheel niet heeft getracht het door haar gevorderde door het voeren van overleg met de gemeente te bereiken, zodat de belangenvereniging niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. De gemeente heeft zich daarbij beroepen op het bepaalde in artikel 3:305a BW. Daarenbo-ven hebben eiseressen (zowel tezamen als elk voor zich) geen vorderingsrecht jegens de gemeente, nu zij geen partij zijn bij het Akkoord en de Intentieverklaring en geen nakoming kunnen vorderen. Daarnaast merkt de gemeente op dat de Rijksregeling noch de Rotterdam-se regeling in de mogelijkheid voorziet van toekenning van subsidie aan een (individuele) werknemer; de individuele eiseressen hebben dus geen vorderingsrecht op grond van die regelingen en niet valt in te zien waarom de belangenvereniging dat wel zou hebben. Bo-vendien zou een dergelijk vorderingsrecht niet civielrechtelijk van aard zijn. Tenslotte wordt het spoedeisend belang betwist.

4.1.1 Ontvankelijkheid

De voorzieningenrechter verwerpt het ontvankelijkheidverweer van de gemeente in al zijn onderdelen.

Vaststaat dat de belangenvereniging is opgericht met het doel de belangen van de individue-le ID-ers te behartigen in kwesties betreffende de In- en Doorstroom van ID-ers bezien in het kader van de met de gemeente gemaakte afspraken neergelegd in het Akkoord en de In-tentieverklaring, als ook bezien in het kader van de met de gemeente gemaakte afspraken ter zake van het loopbaantraject “Dé Weg naar Werk”. In dat verband kan de belangenvereni-ging, op eigen naam, ter behartiging van de belangen van haar deelnemers, ingevolge artikel 3:305a lid 1 BW aanspraak maken op nakoming van vorenbedoelde door derden met de ge-meente gemaakte afspraken. Deze afspraken treffen immers de leden/deelnemers van de belangenvereniging rechtstreeks in hun belangen en een vordering tot nakoming strekt tot bescherming van die belangen, terwijl de bij de vorderingen betrokken belangen van de le-den/deelnemers zich bij uitstek voor bundeling lenen. Blijkens de overgelegde stukken heeft de belangenvereniging meerdere malen (schriftelijk en/of mondeling) contact gehad met de gemeente, althans serieuze pogingen daartoe ondernomen, teneinde te bewerkstelligen dat de deelnemers aan het loopbaantraject “Dé Weg naar Werk” hun opleiding zouden kunnen aanvangen dan wel vervolgen, waartoe (loonkosten)subsidies zouden moeten worden ver-strekt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de belangenvereniging daarmee voldoende getracht het door haar beoogde doel via onderhandelingen te bereiken als in arti-kel 3:305a lid 2 BW bedoeld. Mitsdien is de belangenvereniging, gelet op het hiervoor over-wogene, gerechtigd de onderhavige vorderingen in kort geding als een collectieve actie in te stellen. Het enkele feit dat de belangenvereniging vóór het betekenen van de dagvaarding niet het daarin geformuleerde petitum aan de gemeente heeft voorgelegd is geen reden om haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, nu de essentie van de (schriftelijke en/of mondelinge) contacten tussen de belangenvereniging en de gemeente inhoudelijk ge-lijk is aan de essentie van het door eiseressen gevorderde.

Aan het voorgaande doet niet af dat de belangenvereniging geen partij is bij het Akkoord en de Intentieverklaring.

Voor wat betreft de individuele eiseressen geldt dat voor hun ontvankelijkheid voldoende is dat, zoals evident het geval is, het Akkoord en de Intentieverklaring bedingen bevatten die mede ten behoeve van hen zijn opgenomen.

4.1.2 Spoedeisend belang

Het spoedeisend belang van eiseressen bij hun vorderingen volgt reeds uit de omstandigheid dat per september 2007 een nieuw opleidingsjaar zal aanvangen.

4.1.3 Bevoegdheid

Ten aanzien van de vraag of voor een civiel kort geding plaats is nu het gaat om subsidies blijkt uit het verweer van de gemeente zelf al dat de weg naar de bestuursrechter kennelijk niet open staat (daargelaten of dat punt in de sleutel van de ontvankelijkheid dan wel de be-voegdheid wordt gezet).

Vaststaat dat, nu (ieder van) eiseressen noch de Stichting Herenakkoord Dé Weg naar Werk loonkostensubsidie hebben aangevraagd en bij beschikking toegekend hebben gekregen, zij geen werkgever of onderwijsinstelling zijn in de zin van de Rotterdamse regeling en er ook geen andere regeling bestaat op grond waarvan aan hen subsidie als in dit geding aan de or-de kan worden verleend, de rechtsgang naar de bestuursrechter voor hen in beginsel niet open staat, althans in elk geval niet kan leiden tot de door eiseressen gewenste subsidiever-lening. Immers, de aanvraag, vaststelling en verstrekking van de subsidie geschiedt niet aan de ID-ers (of de belangenvereniging) zoals de gemeente ter terechtzitting ook heeft beves-tigd. De enkele omstandigheid dat een ander, bijvoorbeeld de betreffende werkgever, een dergelijk bestuursrechtelijk rechtsmiddel heeft (gehad) (en (mogelijk) niet benut) staat aan de toegang tot de civiele rechter niet in de weg.

4.2

Vooropgesteld zij dat in het faxbericht van mr. Tan van 3 augustus 2007 te 10.50 uur mr. Tan namens de gemeente heeft aangegeven dat in het geval van [eiser sub 8] sprake is van een zó schrijnende situatie dat de gemeente heeft besloten met [eiser sub 8] nader in overleg te treden teneinde een oplossing te zoeken voor (hernieuwde) deelname door haar aan het loopbaantraject “Dé Weg naar Werk“. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de ge-meente zich aan haar toezegging jegens [eiser sub 8] zal houden. De voorzieningenrechter verwacht in dat verband van de gemeente dat binnen zes weken na heden met [eiser sub 8] nadere afspraken zijn gemaakt, zodat zij in beginsel, bij bereikte overeenstemming, nog bij het begin van het komende schooljaar aan het opleidingstraject kan beginnen. De voorzie-ningenrechter verwacht voorts van de gemeente dat zij zich in andere uitermate schrijnende gevallen van leden van de belangenvereniging eveneens zal openstellen voor overleg ten-einde ook in die gevallen binnen die termijn een oplossing te bereiken. Van de belangenver-eniging wordt in dat verband verwacht dat zij binnen twee weken de dossiers van de perso-nen waarbij zich eveneens zeer schrijnende privéomstandigheden voordoen bij de gemeente zal aanleveren.

4.3

Met betrekking tot de positie van [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 6], [eiser sub 7], [eiser sub 4] en Al-tintas Aksay bieden de door eiseressen overgelegde stukken naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dan wel onvoldoende houvast om te concluderen dat de ge-meente aan hen persoonlijke, concrete toezeggingen heeft gedaan die afwijken van de in het kader van het loopbaantraject “Dé Weg naar Werk” in het algemeen aan de geselecteerde ID-ers als onder 2.5 bedoeld gedane toezeggingen. Voor hen geldt derhalve hetzelfde als voor de (overige leden van de) belangenvereniging.

Daarbij heeft de voorzieningenrechter in ogenschouw genomen dat het voor [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 6] en [eiser sub 7] kennelijk uitsluitend gaat om de hierna te bespreken problematiek rond de duur van de opleiding. Ten aanzien van [eiser sub 5] geldt dat haar werkgever een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt, waarvan kennelijk inzet is de indeling van Al-tintas Aksay in de groep die geen verdere scholing behoeft. Aangenomen mag worden dat, voor zover in haar geval de regeling onjuist wordt toegepast, die procedure voldoende mo-gelijkheden biedt om dat recht te zetten. Ten aanzien van [eiser sub 4] blijkt met name uit de nader overgelegde stukken dat in haar geval de loonkostensubsidie nog duurt tot 1 januari 2009 en dat de lezing van het Albeda College over de gang van zaken rond de inschrijving een andere is dan die van [eiser sub 4]. Dat [eiser sub 4] daarin het gelijk aan haar zijde heeft is onvoldoende aannemelijk geworden.

4.4

Overigens is de voorzieningenrechter ten aanzien van het (primair en subsidiair) gevorderde het volgende van oordeel.

4.4.1

Eiseressen baseren hun vordering op niet-nakoming. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding moet evident zijn dat er een rechtens afdwingbare, voldoende be-paalde verplichting bestaat (en is geschonden), met andere woorden er moeten concrete af-spraken zijn gemaakt dan wel toezeggingen zijn gedaan waaraan de wederpartij gehouden kan worden. Dat geldt temeer als eiseressen zich baseren op afspraken die zijn gemaakt met een ander dan eiseressen.

4.4.2

De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van eiseressen zo, dat zij de gemeente onder meer verwijten dat enkelen van hen in het geheel niet zijn toegelaten tot een duale oplei-dingsplaats en dat anderen, ondanks toezeggingen in andere zin, uiteindelijk gehouden wer-den aan de sluitingsdatum voor de aanmelding. Zoals hiervoor onder 2.4 en 2.5 werd vast-gesteld werd gebruik gemaakt van een bepaalde systematiek. Dat sommigen niet zijn uitge-nodigd past in die systematiek; onvoldoende aannemelijk is geworden dat daarmee in strijd is gehandeld. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat de keuze tot het al dan niet deelnemen aan het traject voor een bepaalde datum gemaakt moest zijn. Eiseressen stellen wel dat enkelen van hen in de veronderstelling verkeerden dat zij die keuze later konden maken, maar daartoe is nodig dat met hen duidelijke, afwijkende andere afspraken zijn ge-maakt. Zoals hiervoor reeds werd overwogen is onvoldoende aannemelijk dat dit het geval is; de correspondentie die is overgelegd is daartoe onvoldoende.

4.4.3

Daarnaast - en dat is kennelijk het belangrijkste punt - stellen eiseressen dat velen van hen een opleiding volgen (Mbo/Hbo) die langer duurt dan 2 jaar en nu, vanwege de gekozen wijze van beschikbaar stellen van de subsidiegelden als neergelegd in de Rotterdamse rege-ling, die opleiding niet in het traject kunnen afmaken en zelfs met gedwongen ontslag ge-confronteerd worden, omdat met het wegvallen van de subsidie zowel de opleiding als de bijbehorende baan niet kunnen worden voortgezet. Eiseressen vorderen in feite wijziging van de wijze waarop de subsidie wordt uitgekeerd in die zin dat niet, zoals de Rotterdamse regeling voorschrijft, wordt uitbetaald aan een individuele werkgever ten behoeve van een bepaalde werknemer/opleideling, maar dat wordt betaald aan de stichting Stichting Heren-akkoord Dé Weg naar Werk, die een soort fonds vormt waaruit alle werkgevers ten behoeve van hun werknemers/opleidelingen krijgen uitgekeerd, zodat de gelden die “overblijven” in gevallen waar de opleiding korter duurt dan de maximale 2 jaar gebruikt kunnen worden als aanvullende financiering ten behoeve van de gevallen waar de opleiding langer duurt (een vorm van kruissubsidie).

Subsidiair vorderen eiseressen per saldo een gebod tot het vaststellen van een nieuwe, ande-re Rotterdamse regeling.

4.4.4

Tegen de hiervoor onder 4.4.1 geschetste achtergrond is duidelijk dat de vordering voor zo-ver die gebaseerd is op niet-nakoming van het Akkoord en de Intentieverklaring niet kan worden toegewezen. Immers, eiseressen zijn daarbij geen partij en beide stukken bevatten weliswaar toezeggingen en afspraken, maar niet over dit aspect. De gemeente heeft haar toezegging om een algemene regeling op te stellen gestand gedaan en heeft daarover ook overlegd met de vakbonden. Dat partijen het over elk aspect van de Rotterdamse regeling eens zouden moeten worden voordat de gemeente die mocht vaststellen valt in het Akkoord en de Intentieverklaring niet te lezen (nog daargelaten of eiseressen, die geen partij zijn, op een dergelijke toezegging dan een beroep zouden kunnen doen). Omtrent de maximale duur van de te volgen en te subsidiëren opleiding is in het Akkoord niets opgenomen. Onder 5a bevat het Akkoord weliswaar een zinsnede met betrekking tot een subsidieduur van 3 jaar, maar onduidelijk is of daarmee gedoeld wordt op situaties als die van eiseressen, terwijl de-ze voorts slechts in bijzondere gevallen geldt. In de - latere, meer uitgekristalliseerde - In-tentieverklaring wordt slechts verwezen naar de Rijksregeling, waarin staat vermeld dat een subsidie wordt verleend voor een leer-/werktraject dat een minimale duur van tenminste 12 maanden en een maximale duur van 24 maanden heeft. Geen van beide stukken kan in rede-lijkheid zo begrepen worden dat de gemeente zich zonder meer verplicht om een langere opleidingsduur te subsidiëren.

4.4.5

Daarnaast baseren eiseressen zich op de toezeggingen die jegens hen zijn gedaan in het ka-der van de voorlichting vanaf maart 2006 en het daaropvolgende traject.

Met eiseressen is de voorzieningenrechter van oordeel dat zowel de uitnodiging als het stap-penplan de indruk wekken dat de opleiding, waar het in het individuele geval om gaat, ge-heel met subsidie kan worden voltooid, zonder dat een uitzondering wordt gemaakt voor opleidingen die langer duren dan 2 jaar. Dat in deze doelgroep - het gaat immers om mensen op Hbo- respectievelijk Mbo-niveau 3/4 - relatief vaak opleidingen van meer dan 2 jaar aan de orde zouden zijn was alleszins te verwachten. Het had dan ook op de weg van de ge-meente gelegen om, als daar toen al duidelijkheid over bestond, aan te geven dat er een maximale duur van 2 jaar zou gelden of anders op enigerlei wijze te waarschuwen dat er mogelijk een maximumduur zou worden gehanteerd. Achteraf gezien moet worden vastge-steld dat de gemeente in zoverre onzorgvuldig jegens de betreffende personen, onder wie de individuele eiseressen, heeft gehandeld door ten onrechte de verwachting te wekken dat zij hun opleiding zouden kunnen voltooien met behoud van de subsidie.

Op dat moment was echter de Rotterdamse regeling nog niet vastgesteld. Toen deze een-maal was vastgesteld was voor iedereen, ook eiseressen, duidelijk dat de maximumduur van 24 maanden zou gelden. Omtrent toezeggingen aan eiseressen in dat stadium (bijvoorbeeld inhoudende dat in hun geval zou worden afgeweken van de Rotterdamse regeling) is niets gesteld of gebleken.

4.4.6

In de kern komt het verwijt er dan ook op neer, dat het op die wijze vaststellen van de Rot-terdamse regeling in strijd is met eerdere toezeggingen.

Uitgangspunt bij de beoordeling daarvan moet zijn, dat de gemeente een ruime beleidsvrij-heid heeft bij het vaststellen van dit soort algemene regelingen. Slechts in gevallen waarin, kort gezegd, geen redelijk handelende gemeente, met inachtneming van de algemene begin-selen van behoorlijk bestuur, ooit tot een dergelijke regeling zou kunnen komen, zou er, voor de civiele rechter, aanleiding kunnen zijn voor het oordeel dat die regeling buiten toe-passing moet blijven. In kort geding moet die toets nog marginaler zijn. Dit geldt temeer nu het hier gaat om een deugdelijke, via de geëigende spelregels omtrent de besluitvorming tot stand gekomen regeling. De betrokkenen, ook eiseressen, hebben dus de gelegenheid gehad - en blijkens de stukken hebben sommige betrokkenen die gelegenheid ook benut - om hun belangen in het kader van die besluitvorming naar voren te brengen, opdat zij daarin meege-nomen konden worden. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat het College van Bur-gemeester en Wethouders de Rotterdamse regeling heeft aangeboden aan de gemeenteraad, dat daaromtrent overleg is geweest in de Raadscommissie ESMV, waarbij de Regiegroep een wijzigingsvoorstel heeft ingediend dat juist op het litigieuze probleem ziet, waarna de wethouder in een brief aan de commissie uitvoerig gemotiveerd het College standpunt heeft toegelicht, inhoudende dat de regeling ongewijzigd moet blijven. Kennelijk had (het College van Burgemeester en Wethouders van) de gemeente redenen, zoals de toelaatbaarheid onder het EG-verdrag in verband met het verbod op staatssteun, de aansluiting bij de Rijksrege-ling, de doelmatige inzet van middelen en de gewenste controle over de besteding van de gemeenschapsgelden, om in de afweging tot de huidige tekst te besluiten. Bovendien geeft de wethouder aan op welke wijze, ook met instandhouding van de Rotterdamse regeling, het door de Regiegroep gewenste resultaat op dit punt bereikt kan worden. Die afweging kan een marginale toets als hiervoor geschetst doorstaan. Dat wellicht debat mogelijk is over de ruimte die het EG-verdrag en/of de Rijksregeling bieden voor een anders opgezette regeling doet daaraan niet af. Dat betekent dat reeds op die grond voor toewijzing van het onder 1 primair en subsidiair gevorderde geen ruimte bestaat. Daargelaten kan dus worden of de gewenste maatregelen in de thans gevorderde vorm ooit door de voorzieningenrechter ge-troffen zouden kunnen worden, gelet op de juridisch-technisch problematische aard daarvan.

Nu hiervoor reeds werd vastgesteld dat ten aanzien van de individuele eiseressen niet vol-doende aannemelijk is geworden dat aan hen toezeggingen zijn gedaan of dat andere om-standigheden meebrengen dat een uitzonderingsbehandeling gerechtvaardigd is moet ook het onder 2 en 3 gevorderde en daarmee ook de bijvordering onder 4 worden afgewezen.

Het voorgaande neemt niet weg dat de gemeente, rekening houdend enerzijds met het hier aan de orde zijnde, door haar onderschreven, maatschappelijke belang van Dé Weg naar Werk en anderzijds met de zwaarwegende persoonlijke belangen van eiseressen, ten aanzien van wie de gemeente zoals hiervoor vastgesteld onzorgvuldig heeft gehandeld, uiteraard de mogelijkheid heeft om, al dan niet na verder politiek debat, een alternatieve oplossing te vinden voor het hier aan de orde zijnde probleem. Het zou de gemeente sieren als zij die mogelijkheden nader zou onderzoeken.

4.5

Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst de vorderingen van eiseressen af;

veroordeelt eiseressen in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 251,-- aan verschotten en op € 816,-- aan salaris voor de pro-cureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, in tegen-woordigheid van mr. G.C.M. van Rheeden, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

1734/106