Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB1016

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
07/2166
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoekster meerderjarig is. De (strikte) grondslag voor de beëindiging van de verstrekking van leefgeld is het bereiken van de achttienjarige leeftijd. Hierbij vindt geen individuele toets, dan wel een belangenafweging, plaats. Verwezen wordt naar - onder meer - de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2006 in zaak no. 200602901/1, JV 2006/396, waarin is overwogen dat de beleidsregels inzake de beëindiging van de verstrekkingen niet kennelijk onredelijk zijn. Slechts indien sprake is van een bijzondere omstandigheid kan van deze beleidsregels worden afgeweken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een acute medische noodsituatie een voorbeeld kan zijn van een bijzondere omstandigheid.

Verzoekster heeft in bezwaar een brief van Bavo Europoort van 11 juni 2007 overgelegd waarin de behandelend psychiater van verzoekster heeft medegedeeld dat er een ernstige terugval in de toestand van verzoekster is opgetreden nadat zij te horen heeft gekregen dat de verstrekking van de leefgelden werd stopgezet. De psychiater neemt de suïcidale uitingen van verzoekster zeer serieus en heeft daarbij medegedeeld dat ook voor het broertje van verzoekster ernstige psychische problemen dreigen indien hij gescheiden zou worden van verzoekster.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het verweerschrift zich op het standpunt heeft gesteld dat hij thans niet kan beoordelen of sprake is van een acute medische noodsituatie. De voorzieningenrechter is, gelet op dit standpunt van verweerder alsmede de brief van 11 juni 2007 van de behandelend psychiater, voorshands van oordeel dat niet vaststaat dat verzoekster zich niet in een acute medische noodsituatie bevindt.

De voorzieningenrechter kan verweerder niet volgen in zijn voorlopige stelling dat, verzoekster bij dreiging van een acute medische noodsituatie zich dient te wenden tot de IND voor analoge toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat een voorbeeld van een bijzondere omstandigheid om af te wijken van de beleidsregels een acute medische noodsituatie kan zijn. Het is derhalve thans aan verweerder – gelet op het schrijven van de psychiater van 11 juni 2007 – hiernaar nader onderzoek te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr. : AWB 07/2166

Inzake : [a], wonende te [b], verzoekster,

gemachtigde mr. J.G. Wiebes, advocaat te Dronten,

tegen : de Minister van Justitie, verweerder, namens deze, het bestuur van het Centraal

Orgaan opvang asielzoekers (COA), gemachtigde mr. N.S.H. Körver.

I Procesverloop

Verzoekster, geboren op [datum], bezit de [x] nationaliteit. Zij verblijft naar eigen zeggen sedert [datum] als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Bij besluit van 31 mei 2002 is verzoekster een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd geweigerd, maar is aan haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” (hierna: amv) verleend met ingang van 16 augustus 2001, geldig tot 16 augustus 2002. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft bij uitspraak van 24 augustus 2005 het door verzoekster ingestelde beroep bij de rechtbank inzake haar asielbeschikking ongegrond verklaard. Bij besluit van 16 januari 2004 is de aanvraag van verzoekster van 8 april 2003 tot wijziging van de verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘amv’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen.

Bij brief van 12 mei 2006 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat de wettelijke basis voor de betaling van het leefgeld aan haar is komen te vervallen en dat het COA opdracht is gegeven om voor de beëindiging van de verstrekking van het leefgeld aan verzoekster zorg te dragen. Op 4 juli 2006 heeft een informatiegesprek met verzoekster plaatsgevonden. Op 12 juli 2006 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. Op 10 augustus 2006 is een zienswijzegesprek met verzoekster gevoerd. Bij brief van 14 augustus 2006 alsmede bij brief van 30 maart 2007 is namens verzoekster schriftelijk een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 9 mei 2007 heeft verweerder de verstrekking van leefgelden aan verzoekster beëindigd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt op 12 juni 2007. Op diezelfde datum heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorziening te treffen, die ertoe strekt de leefgelden te verstrekken gedurende de behandelduur van het bezwaar.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 23 juli 2007. Ter zitting zijn verzoekster en haar gemachtigde verschenen. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen ter zitting.

II Overwegingen

1 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningen¬rechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging. Voorzover deze toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

2 Standpunt van verweerder

2.1 Verweerder heeft – zakelijk weergegeven – onder toepassing van de Beleidsregels beëindiging verstrekking leefgelden ex-ama’s van 19 november 2004 (Stcrt. 14 januari 2005, nr. 10, pag. 9, hierna: beleidsregels) de aan verzoekster verstrekte leefgelden beëindigd. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat verzoekster bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd meerderjarig is geworden en van rechtswege de voogdij van de Stichting NIDOS is geëindigd. Hiermee is tevens de wettelijke basis voor de verstrekking van leefgelden komen te vervallen. De leefgelden zijn, ook al bestond daar geen wettelijke basis meer voor, aan verzoekster doorbetaald. Verweerder heeft van de Immigratie- en Naturalisatiedienst vernomen dat verzoekster in het kader van haar eerste asielaanvraag is uitgeprocedeerd. De eerste beschikking naar aanleiding van de asielaanvraag dateert van na 1 januari 2000, zodat verzoekster in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.

Het enkele feit dat de leefgelden na het bereiken van de 18-jarige leeftijd niet direct zijn beëindigd, heeft bij verzoekster niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen opwekken dat de leefgelden überhaupt niet zouden worden beëindigd. Niet is gebleken van een bevoegdelijk gedane toezegging dat de leefgelden niet beëindigd zouden worden. Een acute medische noodsituatie is in de zienswijze gesteld noch gebleken. Aan verzoekster is naar aanleiding van de zienswijze een termijn gesteld om nadere medische stukken over te leggen, doch verweerder heeft deze niet ontvangen. Een acute medische noodsituatie is niet aannemelijk gemaakt. Een reguliere verblijfsrechtelijke procedure genereert geen recht op (continuering van de) verstrekkingen van leefgelden.

Gelet op de beleidsregels is de aanwezigheid van een minderjarig broertje geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Het beroep op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) slaagt niet aangezien de door verzoekster genoemde artikelen geen rechtstreekse werking hebben. Het beroep op

artikel 3 en 8 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) slaagt evenmin, daar in de onderhavige procedure geen sprake is van uitzetting naar het land van herkomst. Het al dan niet mogelijk zijn van terugkeer naar het land van herkomst is, gelet op de beleidsregels niet van invloed op de onderhavige procedure.

2.2 Bij verweerschrift heeft verweerder - onder meer - het volgende aangevoerd. Voorafgaand aan het bestreden besluit is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute medische noodsituatie. Of deze thans aanwezig is, kan verweerder op het eerste gezicht niet beoordelen. De vraag is of de door verzoekster gestelde omstandigheden, namelijk dat zij telkens als zij dreigt te worden gescheiden van haar broertje in een acute medische noodsituatie zal belanden, tot het door verzoekster beoogde gevolg, namelijk dat de verstrekking van de leefgelden nooit meer zal kunnen worden beëindigd, kan leiden. Verweerder stelt zich voorlopig (er dient nog onderzoek plaats te vinden in de bezwaarprocedure) op het standpunt dat dit niet het geval is. Indien verzoekster terecht dreigt te komen in een acute medische noodsituatie dient zij de Immigratie en Naturalisatiedienst (hierna: IND) te vragen artikel 64 van de Vw 2000 (analoog) op haar van toepassing te verklaren, zodat verzoekster ingevolge de Rva 2005 opvang kan krijgen in een asielzoekerscentrum. Naar de (voorlopige) mening van verweerder is er geen grond voor de gedachte dat artikel 4:84 van de Awb er toe zou kunnen leiden dat door de dreiging van een suïcide de verstrekkingen van leefgelden niet beëindigd zal mogen worden. De verstrekking van leefgelden is immers een voorziening voor minderjarigen en niet een voorziening van meerderjarigen met suïcidale neigingen, aldus verweerder.

3 Standpunt van verzoekster

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de verstrekking van leefgelden niet had mogen worden beëindigd. Verzoekster is een jonge meerderjarige en kan niet voorzien in haar levensonderhoud en de bekostiging van de noodzakelijke medische behandeling. Verzoekster doorloopt thans een verblijfsprocedure met als doel ‘medische behandeling’. Uit de BMA-nota blijkt dat verzoekster niet op korte termijn in een medische noodsituatie zal belanden, maar haar toestand is ernstig verslechterd. Zij verwijst naar een verklaring van 11 juni 2007 van haar behandelend arts, welke ten tijde van de besluitvorming en de BMA-nota nog niet beschikbaar was. De behandelend psychiater benadrukt hierin dat op korte termijn ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat verzoekster suïcide zal plegen. Een medische noodsituatie is inmiddels wel degelijk aannemelijk gemaakt. De beëindigingsbeslissing impliceert tevens dat aan verzoekster de zorg voor haar minderjarige broer zal worden afgenomen. Dit zal een schending van artikel 8 EVRM opleveren. Verzoekster doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Immers, na het bereiken van de meerderjarige leeftijd zijn de verstrekkingen nog lange tijd voortgezet. Nu verzoekster daarnaast nog in afwachting is van een beslissing op haar bezwaarschrift in de reguliere verblijfsprocedure kan in alle redelijkheid niet tot beëindiging van leefgelden worden besloten. De aanwezigheid van verzoeksters jongere broertje is wel een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 Awb. Verzoekster en haar broertje hebben een zeer hechte band. Hij is destijds getuige geweest van het seksueel misbruik van verzoekster. Er is sprake van ‘more than normal emotional ties’. Zij hebben elkaar gesteund na de moord op hun ouders. Verzoekster zorgt als een moeder voor hem en verweerder dient derhalve zijn belangen als minderjarige te betrekken bij de besluitvorming en tevens te toetsen aan de aangehaalde bepalingen van het IVRK. Juist vanwege de hoge psychische nood bij beiden mag deze band niet worden verbroken. Voorts dreigt schending van de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Zonder opvang en voorzieningen zal verzoekster in een acute medische noodsituatie geraken. De gevolgen van de beslissing van verweerder staan niet in verhouding met de beoogde doelen.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

In de beleidsregels is vermeld dat verweerder rechtmatig verwijderbare jeugdigen, die de leeftijd van achttien jaar of ouder hebben bereikt (hierna: ex-ama’s) na het bereiken van hun meerderjarige leeftijd via de Stichting Nidos leef- en zakgelden heeft verstrekt zonder dat hiervoor een wettelijke grondslag bestaat en dat is besloten deze uitkeringen, die worden bekostigd uit de algemene middelen, te beëindigen. Voor de wijze van beëindiging is aansluiting gezocht bij de regelingen die op dit punt gelden voor degenen die als volwassen asielzoeker Nederland zijn binnengekomen en zijn uitgeprocedeerd.

In de beleidsregels is voorts vermeld dat algemeen geldt dat van degene die in Nederland asiel heeft gevraagd, indien een onherroepelijke negatieve beslissing is genomen op de asielaanvraag, wordt verwacht dat hij zijn vertrek uit Nederland realiseert. Uitgangspunt is dat de voorzieningen eindigen. Dit uitgangspunt is niet anders voor de meerderjarige vreemdeling die aanvankelijk als amv een asielaanvraag heeft ingediend, onder voogdij van de Stichting Nidos heeft gestaan en uit dien hoofde leefgeld heeft ontvangen.

Voor ex-ama’s die op het moment van de inwerkingtreding van de beleidsregels reeds meerderjarig zijn en verblijven in een voorziening van de Stichting Nidos of zelfstandig op kamers wonen, geldt dat de voorzieningen eindigen na het doorlopen van een procedure die wat betreft zorgvuldigheid aansluit bij de beëindiging van voorzieningen van ‘gewone’ asielzoekers. Voor de te volgen procedure is de datum van de laatste beslissing in de asielprocedure bepalend. Indien die beslissing dateert van vóór 29 december 2000 en de eerste beslissing in die procedure van vóór 1 januari 2000, eindigt de verstrekking van leefgeld op basis van de werkwijze als beschreven in de Herziene werkwijze ter vervanging van Stappenplan III van 8 januari 1999 (Stcrt. 2002, 127). Indien de laatste beslissing in de asielprocedure dateert van ná 29 december 2000, dient een beslissing tot beëindiging van de leefgelden te worden genomen, nadat overeenkomstig artikel 4:8 van de Awb de ex-ama in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen, aldus de beleidsregels.

Nu ten aanzien van verzoekster de laatste beslissing in de asielprocedure na

29 december 2000 is genomen, is in dit geval laatstgenoemde procedure van toepassing die is uiteengezet in paragraaf 1.2. van de bijlage bij de beleidsregels.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoekster meerderjarig is. De (strikte) grondslag voor de beëindiging van de verstrekking van leefgeld is het bereiken van de achttienjarige leeftijd. Hierbij vindt geen individuele toets, dan wel een belangenafweging, plaats. Verwezen wordt naar - onder meer - de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2006 in zaak no. 200602901/1, JV 2006/396, waarin is overwogen dat de beleidsregels inzake de beëindiging van de verstrekkingen niet kennelijk onredelijk zijn. Slechts indien sprake is van een bijzondere omstandigheid kan van deze beleidsregels worden afgeweken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een acute medische noodsituatie een voorbeeld kan zijn van een bijzondere omstandigheid.

Verzoekster heeft in bezwaar een brief van Bavo Europoort van 11 juni 2007 overgelegd waarin de behandelend psychiater van verzoekster heeft medegedeeld dat er een ernstige terugval in de toestand van verzoekster is opgetreden nadat zij te horen heeft gekregen dat de verstrekking van de leefgelden werd stopgezet. De psychiater neemt de suïcidale uitingen van verzoekster zeer serieus en heeft daarbij medegedeeld dat ook voor het broertje van verzoekster ernstige psychische problemen dreigen indien hij gescheiden zou worden van verzoekster.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het verweerschrift zich op het standpunt heeft gesteld dat hij thans niet kan beoordelen of sprake is van een acute medische noodsituatie. De voorzieningenrechter is, gelet op dit standpunt van verweerder alsmede de brief van 11 juni 2007 van de behandelend psychiater, voorshands van oordeel dat niet vaststaat dat verzoekster zich niet in een acute medische noodsituatie bevindt.

De voorzieningenrechter kan verweerder niet volgen in zijn voorlopige stelling dat, verzoekster bij dreiging van een acute medische noodsituatie zich dient te wenden tot de IND voor analoge toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat een voorbeeld van een bijzondere omstandigheid om af te wijken van de beleidsregels een acute medische noodsituatie kan zijn. Het is derhalve thans aan verweerder – gelet op het schrijven van de psychiater van 11 juni 2007 – hiernaar nader onderzoek te doen.

Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het bestreden besluit kennelijk (on)rechtmatig is, zodat de voorzieningenrechter toekomt aan een weging van het belang van verzoekster enerzijds en het belang van verweerder bij het van kracht blijven van het bestreden besluit anderzijds. Gelet op de aard van de bij het besluit betrokken belangen, dient die belangen¬afweging in het voordeel van verzoekster uit te vallen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen.

5 Er bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

6 De voorzieningenrechter wijst met toepassing van artikel 8:82, vierde lid van de Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan verzoekster het betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- dient te vergoeden.

III Beslissing

De voorzieningenrechter:

rechtdoende:

1 wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder de verstrekking van de leefgelden dient voort te zetten totdat op het bezwaar is beslist;

2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden;

3 gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. J. van Dort, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op:

.