Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB0722

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
31-07-2007
Zaaknummer
07/832
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 52, lid 2, van de WOTS. Het bezwaarschrift richt zich tegen het voornemen van de minister van Justitie om de verdere tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging over te dragen aan de Belgische autoriteiten. Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. Ontbreken van het advies van het OM, als bedoeld in de artikelen 51 en 52 van de WOTS. Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat de minister van Justitie onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot zijn voorgenomen beslissing heeft kunnen komen dat het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst is dat België de aan veroordeelde opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling (verder) ten uitvoer legt.

Wetsverwijzingen
Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector straf

Raadkamernummer: 07/832

Beslissing van de rechtbank te Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het op 6 juni 2007 ter griffie van deze rechtbank ingediende bezwaarschrift, met bijlagen, op grond van artikel 52, lid 2, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) van:

[naam veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 1973,

thans verpleegd in kliniek De Kijvelanden te Poortugaal,

te dezer zake woonplaats kiezende te Amsterdam, Stadhouderskade 92,

ten kantore van zijn raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg.

Het bezwaarschrift richt zich tegen het voornemen van de minister van Justitie d.d. 20 maart 2007 om de verdere tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging over te dragen aan de Belgische autoriteiten.

Procedure

De rechtbank heeft, naast voormeld bezwaarschrift en de daarbij gevoegde bijlagen, gezien:

- Het vonnis d.d. 14 april 1998 in de strafzaak met parketnummer 10/091203-97 waarbij de veroordeelde onder andere ter beschikking is gesteld met dwangverpleging;

- De stukken betreffende de beslissingen van deze rechtbank tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging;

- Het dossier met nummer WTS-U-2006035007 inzake de procedure ex artikel 52 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (verder te noemen: WOTS);

- Het proces-verbaal van verhoor van de veroordeelde, opgemaakt door mr. Oostdam, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, d.d. 23 mei 2007.

Na sluiting van het onderzoek in raadkamer is de rechtbank op 17 juli 2007 nog toegezonden het advies van de officier van justitie conform de artikelen 51 en 52 van de WOTS . De rechtbank heeft met dit stuk geen rekening gehouden.

De rechtbank heeft in raadkamer van 17 juli 2007 gehoord:

de officier van justitie, de veroordeelde en diens raadsvrouw, mr. L.M. Oldenburg, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.

Bevoegdheid

De rechtbank is bevoegd van het onderhavige bezwaarschrift kennis te nemen nu zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 52, lid 2 van de WOTS, de hoogste feitelijke instantie is die de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie aan de veroordeelde heeft opgelegd.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 52, lid 2, van de WOTS kan de veroordeelde binnen veertien dagen na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving van de voorgenomen beslissing van de minister van Justitie tot overdracht van de tenuitvoerlegging een bezwaarschrift indienen.

Uit het dossier is gebleken dat door de minister van Justitie bij brief d.d. 20 maart 2007 aan TBS-kliniek Veldzicht is verzocht de schriftelijke kennisgeving van de voorgenomen beslissing één dag voor het verhoor van de veroordeelde bij de rechter-commissaris op 23 mei 2007 uit te reiken. De rechter-commissaris is bij brief d.d. 20 maart 2007 van dit verzoek op de hoogte gesteld.

Blijkens het bewijs van uitreiking is de onderhavige kennisgeving op 24 april 2007 (door een niet nader aangeduide functionaris) aan veroordeelde uitgereikt, doch heeft deze geweigerd voor ontvangst te tekenen. De raadsvrouw van de veroordeelde is van de uitreiking van het voornemen niet op de hoogte gesteld, hoewel zij de veroordeelde al geruime tijd bijstaat.

Door de raadsvrouw van veroordeelde is aangevoerd dat, voor zover de hiervoor bedoelde kennisgeving al op 24 april 2007 aan veroordeelde is uitgereikt, deze ten tijde van die uitreiking aan een zodanige psychische stoornis leed dat hij de inhoud van die kennisgeving niet heeft begrepen, althans niet in staat was te beoordelen of daartegen een rechtsmiddel moest worden ingesteld, zodat een eventuele termijnoverschrijding hem niet kan worden toegerekend. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bezwaartermijn is aangevangen na het verhoor bij de rechter-commissaris.

Onder de gegeven omstandigheden zal de rechtbank dan ook ervan uitgaan dat de bezwaartermijn is aangevangen op 23 mei 2007, de datum van het verhoor door de rechter-commissaris.

De veroordeelde is derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar.

Overweging met betrekking tot het advies van het openbaar ministerie ex artikel 51 WOTS

De rechtbank constateert dat het met redenen omkleed advies van de officier van justitie tot overdracht van de tenuitvoerlegging van de maatregel, zoals voorgeschreven in artikel 51 van de WOTS, zich ten tijde van de behandeling in raadkamer niet in het dossier heeft bevonden. De officier van justitie heeft dit desgevraagd ter zitting in raadkamer bevestigd. De voorgenomen beslissing van de minister van Justitie bevindt zich wel in het dossier. De officier van justitie heeft verklaard dat het initiatief tot overdracht is uitgegaan van het ministerie van Justitie en dat het openbaar ministerie dit voornemen ondersteunt.

De rechtbank overweegt wat dit deel van de procedure betreft, dat artikel 51 van de WOTS weliswaar voorschrijft dat het initiatief tot de tenuitvoerlegging van de in Nederland opgelegde straf of maatregel uitgaat van het openbaar ministerie, omdat dit met de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is belast, maar dat het achterwege blijven van een daartoe strekkend advies niet met nietigheid wordt bedreigd.

Voorts overweegt de rechtbank dat, nu het de minister van Justitie is die uiteindelijk beslist over de overdracht aan een vreemde Staat van de tenuitvoerlegging van een door de Nederlandse rechter opgelegde straf of maatregel, terwijl bovendien de officier van justitie tijdens de behandeling in raadkamer heeft verklaard dat het openbaar ministerie zich geheel kan vinden in het standpunt van de minister, de veroordeelde door het ontbreken van voormeld advies in het dossier niet in zijn belangen is geschaad.

Beoordeling van het bezwaarschrift

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft zich primair op het standpunt gesteld, dat de overbrenging van haar cliënt in strijd is met het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (verder: Aanvullend Protocol). Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij aangevoerd dat in de toelichtende nota bij dit Aanvullend Protocol d.d. 27 maart 2002 slechts wordt gesproken van ‘een persoon aan wie gevangenisstraf is opgelegd’ en haar cliënt naast een gevangenisstraf ook de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in voornoemde toelichtende nota wordt gesproken van de situatie dat ‘voor de aanvang van de gevangenisstraf onherroepelijk vaststaat dat de veroordeelde na afloop daarvan de staat van tenuitvoerlegging moet verlaten’, terwijl in het onderhavige geval de ongewenstverklaring is opgelegd een jaar na betrokkenes veroordeling.

De rechtbank overweegt dat artikel 1 van het Aanvullend Protocol bepaalt dat de gebruikte termen en uitdrukkingen in de zin van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (verder: VOGP) moet worden uitgelegd. Artikel 1 van het VOGP houdt onder meer in dat onder ‘veroordeling’ moet worden verstaan ‘elke straf of maatregel door een rechter opgelegd’. Het Aanvullend Protocol is derhalve ook van toepassing bij een veroordeling tot een maatregel.

Voorts blijkt uit artikel 3, eerste lid, van het Aanvullend Protocol dat er sprake moet zijn van een ‘veroordeling of een daaruit voortvloeiende beslissing krachtens welke het aan die gevonniste persoon na zijn invrijheidsstelling niet langer is toegestaan op het grondgebied van de Staat van veroordeling te verblijven’. De door de raadsvrouw gegeven beperkte uitleg van het Aanvullend Protocol volgt hier dan ook niet uit. De zinsnede uit voornoemde nota is kennelijk onzorgvuldig geformuleerd en in strijd met de tekst van het Aanvullende Protocol. Bij tegenstrijdigheden gaat de tekst van het Aanvullend Protocol voor.

De overbrenging van de veroordeelde is derhalve niet in strijd met het Aanvullend Protocol.

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen d.d. 07-06-2007, zaaknummer C-50/60, waarop door de raadsvrouw ter zitting een beroep is gedaan, ziet op een andersoortige situatie c.q. andere rechtsvragen dan in casu aan de orde zijn en mist derhalve (rechtstreekse) toepassing in de onderhavige zaak.

De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de overdracht van de strafexecutie niet in het belang is van een goede rechtsbedeling en dat de minister van Justitie de belangen niet juist heeft afgewogen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij de beoordeling in aanmerking moet worden genomen in welke staat de beste vooruitzichten op reclassering bestaan of waar om andere redenen de tenuitvoerlegging het meest humaan is. Daarbij moet in de beoordeling de kwaliteit van het penitentiaire stelsel van het land van overdracht worden betrokken. Deze wordt door de raadsvrouw in het onderhavige geval als onmenselijk gekwalificeerd.

Ten aanzien van de door de minister van Justitie in verband met diens voorgenomen beslissing ex artikel 53 van de WOTS te maken belangenafweging is door de raadsvrouw voorts als in die afweging te betrekken belang genoemd het voortgezette verblijf van de veroordeelde in Nederland, gelet op de verschillen in kwaliteit van het penitentiaire stelsel in Nederland en in het land van overdracht.

Ten slotte, voor het geval de rechtbank de voorgenomen overbrenging van veroordeelde naar België (in beginsel) toelaatbaar zou oordelen, heeft de raadsvrouw uiterst subsidiair

verzocht een onafhankelijk onderzoek door een psycholoog en een psychiater te laten plaatsvinden, teneinde te bepalen of de veroordeelde geschikt is om naar België te worden overgebracht.

Door de officier van justitie is als belang aangevoerd dat de veroordeelde niet geworteld is in Nederland en hier tot ongewenst vreemdeling is verklaard. In strijd met het uitgangspunt van de maatregel van terbeschikkingstelling kan derhalve veroordeeldes resocialisatie c.q. terugkeer in de Nederlandse samenleving geen doel vormen van de onderhavige maatregel, zodat veroordeelde ten onrechte, namelijk ten koste van een daarvoor wel in aanmerking komende terbeschikkinggestelde, beslag legt op een plek in een inrichting en de daarmee samenhangende financiële middelen.

De rechtbank overweegt dat het belang van een goede rechtsbedeling moet worden bezien in het perspectief van het (rechts)verkeer tussen staten onderling; de overdracht van de executie strekt ertoe de tenuitvoerlegging van de sanctie te laten plaatsvinden in de daartoe meest geëigende staat, zowel bezien vanuit het oogpunt van resocialisatie van de veroordeelde als dat van adequate repressie. De rechtbank volgt de raadsvrouw derhalve niet in haar interpretatie van dit begrip.

De rechtbank is van oordeel dat de minister van Justitie onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot zijn voorgenomen beslissing heeft kunnen komen dat het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst is dat België (het land waarvan veroordeelde de nationaliteit bezit en waarin hij geworteld is) de aan veroordeelde opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling (verder) ten uitvoer legt.

De rechtbank overweegt ten slotte dat noch de wet, noch meergenoemd Verdrag en Aanvullend protocol voorzien in de mogelijkheid van het door de raadsvrouw verzochte multidisciplinaire onderzoek. Dat verzoek wordt dan ook afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- Verklaart het bezwaarschrift ongegrond;

- Wijst af het verzoek tot een onafhankelijk multidisciplinair onderzoek.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 31 juli 2007 door:

mr. Van Klaveren, voorzitter,

mrs. Van den Berg en Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. De Koning, griffier.

De jongste rechter is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.