Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB0594

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
27-07-2007
Zaaknummer
242510 / HA ZA 05-2043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser en X hebben een vennootschap onder firma gevoerd. IDM heeft aan deze VOF een geldlening verstrekt ter financiering van de aanschaf van een Renaut Espace. De VOF is ontbonden. Tussen partijen is in geschil wie de aflossing van de restantschuld aan IDM terzake van de

Renault Espace op zich moet nemen, eiser of gedaagde, de erfgename van X.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 242510 / HA ZA 05-2043

Uitspraak: 11 juli 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur en advocaat mr. J.H. van Meurs,

- tegen -

[gedaagde], echtgenote van wijlen [de man],

wonende te Spijkenisse,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. R.J. Michielsen.

Partijen blijven verder aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 25 oktober 2006 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- akte tot het verstrekken van inlichtingen en het overleggen van producties aan de zijde van [eiser];

- antwoordakte van de zijde van [gedaagde].

2 De verdere beoordeling

2.1 Bij voormeld vonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld bij akte zijn vordering te specificeren en nader te onderbouwen, alsmede te reageren op het bij antwoord gevorderde.

[gedaagde] werd vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.

in conventie

2.2 Bij akte na tussenvonnis heeft [eiser] gespecificeerd dat de restantschuld aan IDM thans

€ 17.984,-- bedraagt, exclusief executiekosten en nog te verschijnen rente en zijn vordering dienovereenkomstig gewijzigd.

2.3 Tussen partijen is in geschil wie de aflossing van de restantschuld aan IDM ter zake van de Renault Espace op zich moet nemen: volgens [eiser] zou dat (de erfgenaam van) [de man] moeten zijn omdat de lening indertijd was aangegaan ten behoeve van de Renault Espace welke bij [de man] als taxi in gebruik was, volgens [gedaagde] zou dat evenwel [eiser] moeten zijn omdat het vermogen van de door [eiser] en [de man] gevoerde vennootschap onder firma, Intratax genaamd, tegelijk met de ontbinding van de vennootschap is vereffend, waarbij (onder meer) de betreffende restantschuld aan [eiser] is toebedeeld.

Ter onderbouwing van haar stelling heeft [gedaagde] een ‘akte van ontbinding’ gedateerd 1 januari 1997 alsmede brieven d.d. 17 augustus 1995 en 18 september 1995 van boekhouder ‘[boekhouder]’ overgelegd. Bij voormeld vonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld toe te lichten wat de precieze betekenis is van het stuk genaamd ‘akte van ontbinding’ in relatie tot de vordering van IDM ter zake van de Renault Espace. Tevens is zij in de gelegenheid gesteld te verduidelijken welke betekenis er dient te worden gehecht aan de brieven van administratiekantoor ‘[boekhouder]’, waarin een slotbalans per 31 december 1994 is opgemaakt.

[gedaagde] stelt in haar toelichting dat [persoon] namens de vennootschap optrad - de brief is gericht aan Intratax - en dat in de brieven de voorwaarden waaronder de vereffening van de vennootschap kon geschieden is geformuleerd. Zij gaat daarbij echter in het geheel niet in op hetgeen door [eiser] te dien aanzien is gesteld, namelijk dat het administratiekantoor uitsluitend handelde in opdracht van [de man], hetgeen temeer voor de hand lag nu [eiser] zijn stelling met diverse stukken heeft onderbouwd. Nu (de toenmalige raadsman van) [eiser] blijkens een door hem in het geding gebrachte brief (d.d. 27 maart 1995) aan [persoon 1] heeft aangegeven “zich voor de vereffening van de v.o.f. van andere deskundige hulp te willen voorzien” en de brieven van het administratiekantoor weliswaar zijn gestuurd aan Intratax maar “t.a.v. [de man]]”, terwijl uit de brieven bovendien blijkt dat de opdracht aan [persoon 1] is verstrekt door de heer en mevrouw [de man] gaat de rechtbank ervan uit dat omtrent de in de brieven opgestelde slotbalans geen overeenstemming is bereikt en dus, nu daaromtrent door [gedaagde] niets is gesteld, dat de door [gedaagde] gestelde vereffening ook anderszins niet heeft plaats gehad.

2.4 Het voorgaande betekent dat thans aan de orde komt de vraag of de schuld geheel dan wel voor de helft voor rekening van [gedaagde] dient te komen, zoals [eiser] primair respectievelijk subsidiair vordert, omdat [de man] de Renault in gebruik heeft gekregen. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens een door [eiser] in het geding gebrachte akte is op 27 december 1993 door IDM-bank een geldlening van f 50.000,-- aan de vennootschap Intratax verstrekt ter financiering van de aanschaf van een Renault Espace met kenteken FS-HZ-03. Op de Renault is ten behoeve van IDM-bank een pandrecht gevestigd. Tussen partijen is niet in geschil dat van meet af aan uitsluitend [de man] de Renault Espace als taxi in gebruik had. Vast staat voorts dat [eiser] en [de man] met ingang van 1 januari 1997 de vennootschap bij (een door hen beiden ondertekende) “akte van ontbinding” hebben ontbonden. Daarin zijn zij de volgende verdeling overeengekomen: de Renault Espace met kenteken FS-HZ-03 is (onder meer) toebedeeld aan [de man] en de Volkswagen Combi, die (naar niet is betwist) in gebruik was bij [eiser], aan [eiser]; over toescheiding van de resterende maandelijkse termijnen is niets opgenomen. [eiser] stelt daaromtrent bij gelegenheid van de comparitie van partijen dat afgesproken was dat ieder met een eigen auto en schuld zou doorgaan. “Zo heb ik ook een lening bij IDM overgenomen gekoppeld aan een bus. Ik heb dat zelf terugbetaald. De lening gekoppeld aan de Renault Espace kwam voor rekening van [de man].”

2.5 Uit de stellingen van [eiser] valt, naar niet is betwist, op te maken dat de Renault Espace ook daadwerkelijk aan [de man] is geleverd, met dien verstande dat [de man] de auto (die hij al onder zich had) voortaan voor zichzelf zou houden. Ingevolge art. 3:186 lid 2 BW verkrijgt de deelgenoot onder dezelfde titel waaronder de deelgenoten het goed tezamen vóór de verdeling hielden. Vóór 1 januari 1997 rustte op de Renault een pandrecht dat door de vennootschap Intratax aan de IDM-bank was verleend als zekerheid tot terugbetaling van de door haar verstrekte geldsom ten behoeve van de aanschaf van de Renault Espace. Dat betekent derhalve dat [de man] in beginsel op 1 januari 1997 een auto kreeg waarop een pandrecht rustte en dus dat de schuld aan IDM-bank vanaf het moment van levering niet meer voor rekening van de vennootschap kwam maar voor die van [de man], mits IDM-bank daaraan haar medewerking had verleend. Uit de stellingen van [eiser] valt af te leiden dat hij IDM-bank bij brief d.d. 5 mei 1997, onder toezending van de akte van ontbinding, ervan in kennis heeft gesteld dat bij de ontbinding van de vennootschap de Renault Espace aan [de man] is toebedeeld. Echter niet is gesteld of gebleken dat [eiser] dat tezamen met [de man] heeft gedaan en dat IDM-bank met voormelde schuldoverneming heeft ingestemd. Integendeel, uit het feit dat IDM-bank ter nakoming van de betalingsverplichtingen uit de financieringsovereenkomst beide vennoten in een procedure hoofdelijk heeft aangesproken, kan worden afgeleid dat zij haar instemming heeft onthouden. Dat betekent mitsdien dat [gedaagde] niet op voormelde grondslag is gehouden tot betaling van de resterende termijnen.

2.6 [gedaagde] is evenwel om andere reden gehouden tot betaling van de restanttermijnen, waartoe de rechtbank als volgt overweegt. Weliswaar was niet aan de vereisten van schuldoverneming voldaan, hetgeen betekende dat IDM-bank niet gehouden was uitsluitend [de man] aan te spreken, dat laat onverlet dat in de verhouding tussen [de man] en [eiser] op grond van art. 3:186 lid 2 BW de schuld aan IDM-bank in beginsel voor rekening van [de man] diende te komen. Nu [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de afspraak is gemaakt dat [de man] de restanttermijnen voor zijn rekening zou nemen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] (zijnde de erfgename van [de man]) is gehouden de restanttermijnen te voldoen. Door [gedaagde] is niet betwist dat het - op 29 november 2006 - om een bedrag van € 17.984,-- gaat, zodat dit bedrag voor toewijzing gereed ligt.

2.7 [eiser] vordert daarnaast veroordeling in de nog te verschijnen rente. Daarmee is, naar de rechtbank begrijpt, kennelijk bedoeld de rente zoals door IDM-bank gevorderd. Nu de hoogte ervan niet is betwist, ligt ook deze vordering vanaf het moment van de datum van de akte, te weten 29 november 2006, voor toewijzing gereed.

2.8 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie.

in reconventie

2.9 De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] in reconventie primair heeft willen vorderen [eiser] te veroordelen tot betaling van de restantschuld aan IDM met terugbetaling aan [gedaagde] van het reeds door [gedaagde] aan IDM betaalde. [gedaagde] heeft aan het primair gevorderde ten grondslag gelegd dat het vermogen van de vennootschap reeds is vereffend waarbij de schuld aan IDM aan [eiser] is toebedeeld. Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, is vast komen te staan dat het vermogen van de ontbonden vennootschap niet is vereffend. Het primair door [gedaagde] gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

2.10 De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] subsidiair heeft willen vorderen dat zowel [eiser] als [gedaagde] dienen te worden veroordeeld tot betaling aan IDM van de helft van hetgeen waartoe zij bij vonnis d.d. 21 juni 2001 van deze rechtbank zijn veroordeeld, inclusief rente en kosten. Nu [gedaagde] op grond van hetgeen hiervoor onder 2.6 in conventie is overwogen zal worden veroordeeld tot betaling van de restantschuld aan IDM, zal ook de subsidiaire vordering van [gedaagde] worden afgewezen.

2.11 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie.

3. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan IDM te betalen het bedrag van € 17.984,-- (zegge: zeventienduizendnegenhonderdvierentachtig euro), te vermeerderen met rente vanaf 29 november 2006;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 244,-- aan vast recht, op € 85,60 aan overige verschotten en op € 1.130,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit deel van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

wijst af de vorderingen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 339,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann.

Uitgesproken in het openbaar.

1895/429